-
41 embardée
embardée [ãbaardee]〈v.〉♦voorbeelden:fslingerbeweging [auto] -
42 feu
〈m.〉2 brand3 licht ⇒ vlam, verkeerslicht♦voorbeelden:feu de Bengale • Bengaals vuurfeu de braises • houtskoolvuurtje〈 figuurlijk〉 feu du ciel • hemelvuur, bliksemn'avoir ni feu ni lieu • huis noch haard hebbentempérament de feu • gloedvol temperamentle feu céleste • het hemelvuurfaïence de grand feu • hogetemperatuuraardewerkfeu nu • open vuurrouge feu • vuurroodavez-vous du feu? • heeft u een vuurtje voor me?faire feu des quatre fers • 〈 van een paard〉 bij het lopen vonken uit het plaveisel slaan; 〈 figuurlijk〉 zich het vuur uit de sloffen lopenmettre le feu à qc. • iets in brand stekenmettre un pays à feu et à sang • een land te vuur en te zwaard verwoestenfaire du feu de qc., avec qc. • iets verbrandenêtre en feu • in brand staan, gloeienavoir les joues en feu • gloeiende wangen hebbenprendre feu • vlamvatten, in brand raken〈 figuurlijk〉 il n'y a pas le feu! • kalm!, geduld!, niet zo haastig!, waar is de brand?au feu, au feu! • brand, brand!feux de détresse • 〈 auto〉alarmlichten, waarschuwingslichtenfeux de la rampe • voetlichtfeux de recul • achteruitrijlampen, -lichtfeux de route • groot lichtfeu de signalisation • verkeerslicht, stoplichtfeux de signalisation synchronisés • groene golffeu de stationnement • parkeerlichtfeu stop • remlichtfeu arrière • achterlichtfeux clignotants • knipperlichtenfeu follet • dwaallichtfeu tournant d'un phare • zwaailicht van een vuurtorenaller au feu • vuurvast, ovenvast zijnne pas faire long feu • niet lang duren————————feu2 [feu]〈 bijvoeglijk naamwoord〉 〈 formeel〉1 wijlen ⇒ zaliger, overledenm1) vuur2) brand3) licht4) brander, pit5) gevecht6) (het) vuren7) pistool8) brandstapel -
43 fusée
fusée [fuuzee]〈v.〉1 raket♦voorbeelden:fusée antichar • antitankraketfusée à étages • meertrapsraketfusée de lancement • start-, stuwraketfusée sol-sol • grond-grondraketfusée gigogne • meertrapsraketfusée interplanétaire • ruimteraketfusée nucléaire à têtes multiples • meerkoppige kernraketfusée porteuse • draagraketfusée spatiale • ruimteraketfusée téléguidée • op afstand geleide raketpartir comme une fusée • wegschietenfusée blanche, fusée éclairante • lichtkogel, -granaatfusée percutante • schokbuisf1) raket, vuurpijl3) fusee [auto] -
44 glisser
glisser [gliesee]1 (uit)glijden ⇒ slippen, (ont)glippen2 glijden ⇒ slechts even aanraken, losjes heengaan (over)3 geen indruk maken ⇒ afketsen, geen vat hebben♦voorbeelden:le couloir glisse • de gang is gladle verre m'a glissé des mains • het glas is uit mijn handen gegliptglisser entre les doigts comme une couleuvre, comme un poisson • zo glad zijn als een aalglisser sur une mauvaise pente • op een hellend vlak zittenglisser sur une pente raide • van een steile helling afglijdenattention, ça glisse! • kijk uit, het is glad!glisser sur un sujet • over een onderwerp niet uitweidenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 laten glijden ⇒ schuiven (in), toeschuiven♦voorbeelden:glisser une lettre dans l'enveloppe • een brief in de enveloppe stoppenglisser une maille • een steek overhalenglisser un autre mot dans son discours • een ander woord in zijn speech inlassen♦voorbeelden:1 〈 onpersoonlijk〉 il s'est glissé plusieurs fautes dans le texte • er zijn meerdere fouten in de tekst geslopenil se glissa derrière le mur • hij schoot weg achter de muur1. v1) (uit)glijden4) laten glijden, schuiven5) fluisteren6) slepen [computer]2. se glisservkruipen, (binnen)sluipen -
45 lanterne
lanterne [lãtern]〈v.〉♦voorbeelden:la lanterne rouge • de laatste in het klassement, hekkensluiterlanterne sourde • dievenlantaarnlanterne vénétienne • lampionéclairer la lanterne de qn. • iemand op de hoogte brengen→ vessie1. f 2. lanternesf plstadslichten [auto] -
46 plaque
plaque [plaak]〈v.〉1 plaat(je) ⇒ plak, blad♦voorbeelden:plaque de cuisson • kookplaatplaque d'égout • riooldekselplaque d'immatriculation • (auto)nummerplaatplaque de propreté • deurplaatplaque chauffante (à induction) • (inductie)kookplaatplaque minéralogique • (auto)nummerplaatplaque tournante • draaischijf, spilêtre à côté de la plaque • de plank misslaan, er naast zittenmettre à côté de la plaque • zijn doel missen, niet bereiken¶ plaque dentaire • (tand)plaque, aanslag op tanden en kiezenf1) plaat, plak2) vlek3) ordeteken4) fiche [spel]5) elektrode6) tandaanslag -
47 plaqué
plaque [plaak]〈v.〉1 plaat(je) ⇒ plak, blad♦voorbeelden:plaque de cuisson • kookplaatplaque d'égout • riooldekselplaque d'immatriculation • (auto)nummerplaatplaque de propreté • deurplaatplaque chauffante (à induction) • (inductie)kookplaatplaque minéralogique • (auto)nummerplaatplaque tournante • draaischijf, spilêtre à côté de la plaque • de plank misslaan, er naast zittenmettre à côté de la plaque • zijn doel missen, niet bereiken¶ plaque dentaire • (tand)plaque, aanslag op tanden en kiezenm1) doublé [metaal]2) fineer [hout] -
48 point
point1 [pwẽ]♦voorbeelden:(ne) point de … • geen …————————point2 [pwẽ]〈m.〉3 mate ⇒ staat, graad, moment4 punt ⇒ zaak, onderwerp, kwestie6 (brei-, naai)steek♦voorbeelden:points de suspension • gedachtepuntjes, puntje, puntje, puntjemettre le, un point final à qc. • ergens een punt achter zettenun point, c'est tout • punt uit, en daarmee basta→ misepoint de chute • plaats van inslagpoint d'eau • tappuntpoint d'impact • trefpuntpoint d'intersection • snijpunt, kruispunt, knooppunt 〈 van wegen〉point de mire • mikpuntpoint de section • snijpuntpoint de vue •〈zie ‘point de vue’〉les points cardinaux • de windstrekenc'est son point faible • dat is zijn zwakke puntl'affaire est au point mort • de zaak is vastgelopenmettre (le levier) au point mort • de versnelling in zijn vrij zetten3 à ce point (que) • in zodanige mate (dat), zo erg (dat)à tel point que, au point que 〈+ aantonende wijs, soms aanvoegende wijs〉 • zo zeer, zo veel datau point de 〈+ onbepaalde wijs〉 • zo zeer, zo veel datà quel point • hoe erg, hoe zeerau point où en sont les choses • zoals de zaken (ervoor) staanau dernier point, au plus haut point • uiterst, tot het uiterstenous en sommes toujours au même point • we zijn nog altijd even vermal en point • lelijk toegetakeld, in slechte staatêtre mal en point • er slecht aan toe zijn4 point de détail • detailkwestie, onbelangrijk puntpoint d'honneur • erezaakpoint de religion • gewetenszaakpoint critique • heet hangijzer, punt waar het om draaitde point en point • letterlijk, preciesde, en tout point, en tous points • in alle opzichten, op alle puntenun discours en trois points • een redevoering in drie delenpoint par point • punt voor puntsur ce point • wat dit betreftbattre aux points • op punten verslaanrendre des points à qn. • iemand punten voorgeven; 〈 figuurlijk〉sterk staan, in het voordeel zijn ten opzichte van iemandvainqueur aux points • winnaar op punten6 point de couture • stiksel, stiksteekpoint mousse • ribbelsteekpoints de suture • hechtingenpoints de tapisserie • borduurstekenfaire un point à • met een paar steken bij elkaar halen7 point d'attache • thuishaven, standplaatsfaire le point • 〈 van schip〉bestek opmaken, positie bepalen; 〈 figuurlijk〉de balans opmaken, inventariseren8 point de côté • steek, pijn in de zijpoint de côté • steek in de zijau point du jour • bij het krieken van de dagtomber à point • goed van pas komen, goed uitkomenà point • gaar, precies goedà point nommé • stipt op tijd, als geroepenêtre au point • in orde zijn, goed werkenêtre sur le point de • op het punt staan om (te)m1) punt2) stip3) mate, graad4) cijfer5) (brei-, naai)steek6) positie, standplaats7) steek [in de zij]8) (het) aanbreken [dag] -
49 redresser
redresser [rədressee]1 weer rechtmaken ⇒ weer rechtbuigen, weer rechtop zetten4 herstellen ⇒ corrigeren, weer op de rechte weg brengen♦voorbeelden:1 redresser la tête • het hoofd oprichten, in de nek werpen; 〈 figuurlijk〉 het hoofd niet weer buigen1 zich weer oprichten ⇒ rechtop gaan staan, zitten1. v3) optrekken [vliegtuig]4) herstellen, rechtzetten5) gelijkrichten [elektriciteit]6) het stuur terug laten komen [auto]2. se redresserv3) zich herstellen [economisch] -
50 réviser
réviser [reeviezee]〈 werkwoord〉♦voorbeelden:v1) herzien, verbeteren2) een beurt geven [auto]3) repeteren [stof] -
51 ruine
ruine [rŵien]〈v.〉♦voorbeelden:s'en aller, tomber en ruine • instortencette auto c'est une ruine • die auto is een rib uit mijn lijfcourir à sa ruine • zijn ondergang tegemoet gaan1. f1) wrak2) verval3) ondergang2. ruinesf pl -
52 seconde
seconde [səgõd]〈v.〉1 seconde ⇒ tel, ogenblik, moment♦voorbeelden:trois mètres seconde • drie meter per secondedans, en une seconde, deux secondes • dadelijkune seconde! • een ogenblik!f1) seconde, ogenblik2) vijfde klas [onderwijs]3) tweede klas [openbaar vervoer]4) tweede versnelling [auto]5) seconde [muziek] -
53 tablier
tablier [taablie.ee]〈m.〉1 schort ⇒ voorschoot, schootsvel♦voorbeelden:m1) schort2) haardscherm3) dashboard [auto]4) brugdek -
54 veilleuse
veilleuse [vejjeuz]〈v.〉♦voorbeelden:1 mettre en veilleuse • 〈 lamp, gas〉 lager zetten; 〈 figuurlijk〉 op een laag pitje zetten; 〈 autolampen〉 dimmen〈 figuurlijk〉 mets la en veilleuse! • hou nu eens je bek!f1) nachtlampje2) stadslicht [auto]3) waakvlam -
55 glisser à droite
glisser à droite————————glisser à droite -
56 immatriculer
-
57 accélération
accélération [aakseeleeraasjõ]〈v.〉♦voorbeelden:fversnelling, bespoediging -
58 accélérer
accélérer [aakseeleeree]II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 versnellen ⇒ sneller laten lopen, bespoedigen♦voorbeelden:1 accélérer l'allure • de snelheid verhogen, vaart zettenservice accéléré • expresdienst→ cours1 sneller gaan ⇒ versnellen, sneller worden1. v1) versnellen, bespoedigen2) optrekken3) gas geven2. s'accélérervversnellen, sneller worden -
59 ailé
aile [el]〈v.〉1 vleugel♦voorbeelden:vouloir voler avant d'avoir des ailes • vliegen willen eer men vleugels heeftadj -
60 aller
aller1 [aalee]〈m.〉♦voorbeelden:je ne fais qu'un aller et retour de la maison au boulanger • ik loop even naar de bakkerà l'aller • op de heenweg, heenreis————————aller2 [aalee]2 functioneren ⇒ lopen, gaan3 passen ⇒ staan, samengaan♦voorbeelden:se laisser aller • zichzelf verwaarlozen, zich laten gaan, de moed verliezense laisser aller à la joie • zich overgeven aan vreugdese laisser aller à critiquer qn. • zich ertoe laten verleiden iemand te bekritiserenaller et venir • heen en weer lopen, gaan en komentout va bien • alles is in orde, okayaller devant • voorgaanil ira loin • hij zal het ver schoppenaller à son travail • naar zijn werk gaanaller à vélo, à bicyclette • fietsenaller à pied • (gaan) lopenaller aux renseignements • op inlichtingen uitgaanaller chez qn. • iemand een bezoek brengenaller chez le coiffeur • naar de kapper gaanaller contre • ingaan tegenaller de soi, sans dire • vanzelf sprekenaller en avant • vooruit gaanaller en bateau • varenaller en voiture, en train • met de auto, de trein gaanaller en France • naar Frankrijk gaanil est allé jusqu'à lui dire que • hij heeft hem zelfs gezegd datallons, allons! • kom kom, kop op!, ben je mal!allez, allez • kom, kom, zeg, zegallons donc, ce n'est pas vrai! • och kom, dat is niet waar!allez donc! • kom nou! 〈 ongeloof〉allez! • schiet op!, hup!allez, Michèle, dis-moi • toe, Michèle, zeg me nou eensva donc! • ga nou!je suis raisonnable, va • ik doe heus geen gekke dingenà la va comme je te pousse • met de Franse slag→ avant2 ça va? • (hoe) gaat het?ça ne va pas? • is er iets?, gaat het niet?ça ne va pas trop mal • ik mag niet mopperença peut aller • het kan ermee door〈 informeel〉 ça va pas, (la tête)? • ben je niet goed snik?comment allez-vous? ça va, merci • hoe maakt u het? goed, dank u〈 onpersoonlijk〉 il en va de cette affaire comme de l'autre • met deze zaak gaat het net zo als met die anderequ'est-ce qui ne va pas? • wat is er?, scheelt er iets aan?il y a quelque chose qui ne va pas • er is iets misaller bien • goed gaan, het goed makenaller mal • slecht gaan, het slecht makenle poste de radio va mal • de radio doet het niet goedvas-y, allez-y • ga erheen, doe het maar, vooruit maar, ga je gangallons-y • laten we gaan, laten we beginnen, kom, vooruit〈 sport en spel〉 vas-y, Robert! • hup, Rob!ça y allait! • dat ging er vrolijk aan toe!vous y allez un peu fort • nu overdrijf je een beetjecomme vous y allez! • kalm aan een beetje!il y est allé de sa chanson • hij heeft een liedje ten beste gegevenil a dû y aller de sa bourse • hij heeft moeten dokken3 ça vous va? • schikt u dat?ça me va • goed, okayest-ce que cette robe me va? • staat die jurk me?aller bien ensemble • goed bij elkaar passenla clef ne va pas à la serrure • die sleutel past niet in het slotelle allait tout avouer lorsque • ze zou net alles bekennen, toenn'allez surtout pas croire que • denk vooral niet datpourvu qu'il n'aille pas se faire prendre • als hij maar niet gepakt wordtn'allez pas vous imaginer que • verbeeld je maar niet datva savoir!, allez donc savoir! • wie zal het zeggen?va pour la Corse, cette année • nou goed dan, (we gaan) dit jaar naar Corsicaaller sur ses 40 ans • tegen de 40 lopen1 weggaan2 verdwijnen ⇒ verstrijken, sterven♦voorbeelden:1. m1) heenreis2) enkele reis [openbaar vervoer]2. v1) gaan, lopen2) reizen3) vertrekken5) het (goed, slecht) maken6) functioneren7) passen, goed staan, samengaan8) zullen, gaan3. s'en allerv1) weggaan2) verdwijnen3) zullen, gaan
См. также в других словарях:
auto — auto … Dictionnaire des rimes
Auto- — Auto … Deutsch Wörterbuch
auto- — ♦ Élément, du gr. autos « soi même, lui même » : autoanalyse, autodérision. ⊗ CONTR. Hétér(o) ; allo . ● auto Préfixe, du grec autos, soi même, lui même (autodidacte, autodéfense), ou du français automobile (autocar, auto école). auto élément, du … Encyclopédie Universelle
auto — [ oto ] n. f. • 1896; abrév. de automobile, souvent masc. jusqu en 1915 1920 ♦ Automobile. ⇒ voiture(plus cour.). L auto. ⇒ automobile, automobilisme. Le Salon de l auto. Faire le voyage en auto. ♢ Spécialt, cour. Autos électriques des foires.… … Encyclopédie Universelle
Auto de fe — Saltar a navegación, búsqueda Auto de Fe, de Francisco Ricci (1683). Museo del Prado. Los autos de fe fueron una manifestación pública de la Inquisición. Si la sentencia de la Inquisición era condenatoria, implicaba que el co … Wikipedia Español
auto — au‧to [ˈɔːtəʊ ǁ ˈɒːtoʊ] noun 1. [countable] MANUFACTURING another name for Automobile, especially when talking about the car industry: • auto manufacturers • Japan s auto dealerships are controlled by the producers. 2 … Financial and business terms
AUTO DA FÉ — ( Act of Faith ), name given in Portugal to the ceremony of the pronouncing of judicial sentence by the Inquisition and the reconciliation of penitents: the corresponding Spanish form is Auto de Fé, the Italian Atto di Fede, etc. While the… … Encyclopedia of Judaism
auto- — pref. Exprime a noção de próprio, de si próprio, por si próprio. ‣ Etimologia: grego autós, ê, ó, eu mesmo, ele mesmo, mesmo • Nota: É seguido de hífen quando o segundo elemento começa por vogal, h, r ou s (ex.: auto estima, auto hemoterapia … Dicionário da Língua Portuguesa
Auto GP — Категория Одноместная Страна или регион … Википедия
Auto — can be:*The Greek word for self [ [http://www.etymonline.com/index.php?search=auto Online Etymology Dictionary] ] *An automobile *An auto rickshaw *Short for automatic *A brand of car, Auto, from France *A form of Portuguese dramatic play *An… … Wikipedia
auto — sustantivo masculino 1. Uso/registro: restringido. Automóvil: Se ha comprado un auto más potente. Ha dejado el auto en el aparcamiento. 2. Área: derecho Resolución judicial, fundada, que decide sobre cuestiones parciales o secundarias, para las… … Diccionario Salamanca de la Lengua Española