-
21 glisser
glisser [gliesee]1 (uit)glijden ⇒ slippen, (ont)glippen2 glijden ⇒ slechts even aanraken, losjes heengaan (over)3 geen indruk maken ⇒ afketsen, geen vat hebben♦voorbeelden:le couloir glisse • de gang is gladle verre m'a glissé des mains • het glas is uit mijn handen gegliptglisser entre les doigts comme une couleuvre, comme un poisson • zo glad zijn als een aalglisser sur une mauvaise pente • op een hellend vlak zittenglisser sur une pente raide • van een steile helling afglijdenattention, ça glisse! • kijk uit, het is glad!glisser sur un sujet • over een onderwerp niet uitweidenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 laten glijden ⇒ schuiven (in), toeschuiven♦voorbeelden:glisser une lettre dans l'enveloppe • een brief in de enveloppe stoppenglisser une maille • een steek overhalenglisser un autre mot dans son discours • een ander woord in zijn speech inlassen♦voorbeelden:1 〈 onpersoonlijk〉 il s'est glissé plusieurs fautes dans le texte • er zijn meerdere fouten in de tekst geslopenil se glissa derrière le mur • hij schoot weg achter de muur1. v1) (uit)glijden4) laten glijden, schuiven5) fluisteren6) slepen [computer]2. se glisservkruipen, (binnen)sluipen -
22 malheur
malheur [maalur]〈m.〉1 ongeluk ⇒ onheil, ramp, ellende♦voorbeelden:un oiseau de malheur • een ongeluksvogelcette pluie de malheur! • die vervloekte regen!〈 spreekwoord〉 le malheur des uns fait le bonheur des autres • de een zijn dood is de ander zijn broodporter malheur (à qn.) • (iemand) ongeluk brengenmalheur à lui! • wee hem!par malheur • ongelukkigerwijspour mon malheur • tot mijn schademalheur! • o jee, wat een ramp!1. mtegenspoed, ramp2. interj -
23 marron
marron1 [maarõ]〈m.〉1 kastanje♦voorbeelden:————————marron2 [maarõ]————————marron3 [maarõ],marronne [maaron]♦voorbeelden:médecin marron • kwakzalver1. adj2) gefopt, beetgenomen2. marron/-onneadj -
24 milieu
〈m.〉1 (het) midden ⇒ centrum, middelpunt2 omgeving3 milieu♦voorbeelden:garder le juste milieu • de gulden middenweg bewandelenil n'y a point de milieu • het is of het een of het anderau milieu de • te midden vanm1) midden(weg), middelpunt2) omgeving3) milieu4) onderwereld -
25 moitié
moitié [mwaatjee]〈v.〉♦voorbeelden:il, elle est une moitié d'homme, de femme • hij, zij is zeer klein (van stuk)vers la moitié (du mois) d'octobre • ongeveer half oktoberà moitié • half, voor de helft, gedeeltelijk, grotendeelsà moitié chemin • halfweg, halverwegeà moitié fou • zo goed als gekgroupe de gens à moitié francophiles, à moitié francophobes • groep mensen deels Frans-, deels anti-Fransgezindagir, être, se mettre de moitié avec qn. • iemands compagnon, deelgenoot zijnles loyers ont augmenté de moitié • de huren zijn met de helft omhooggegaanpartager par (la), en moitié • (in tweeën) delen, halveren, door de helft doenpour moitié • voor de helftmoitié farine, moitié son • half kaf, half koren, het is noch het een noch het ander→ fautef1) helft2) echtgenote -
26 musique
musique [muuziek]〈v.〉1 muziek2 muziek(boek) ⇒ muzieknoten, -blad♦voorbeelden:musique de fond • achtergrondmuziek〈 figuurlijk〉 c'est une autre musique • dat is een ander geluid, dat is nog eens wat anderstravailler en musique • met muziek aan werken2 mettre en musique • toonzetten, op muziek zetten¶ en avant la musique • hop, vooruit met de geitf -
27 ne
ne [nə],n' [n]〈 bijwoord〉2 〈 zonder betekenis〉♦voorbeelden:si je ne me trompe • indien ik me niet vergisj'évite, j'empêche qu'il ne vienne • ik verhinder dat hij komtà moins qu' il ne soit fermé • tenzij hij dicht isavant qu' il ne soit parti • voordat hij vertrokken issans qu' il n'ait dit un mot • zonder dat hij een woord gezegd had= n'...pas; adv -
28 né
ne [nə],n' [n]〈 bijwoord〉2 〈 zonder betekenis〉♦voorbeelden:si je ne me trompe • indien ik me niet vergisj'évite, j'empêche qu'il ne vienne • ik verhinder dat hij komtà moins qu' il ne soit fermé • tenzij hij dicht isavant qu' il ne soit parti • voordat hij vertrokken issans qu' il n'ait dit un mot • zonder dat hij een woord gezegd hadadj -
29 pas
pas1 [paa]〈m.〉1 pas ⇒ schrede, (voet)stap, (voet)spoor2 tred ⇒ gang, loop3 pas ⇒ doorgang, engte, drempel♦voorbeelden:faire les cent pas • ijsberensalle des pas perdus, les pas perdus • grote halallonger, presser le pas • sneller gaan lopen, 't tempo verhogen, zich haastenarriver sur les pas de qn. • vlak na iemand aankomendoubler le pas • zijn pas versnellenétalonner son pas • zijn passen afmetenmarcher sur les pas de qn. • iemand (na)volgenmarquer le pas • pas op de plaats makenmettre qn. au pas • iemand in het gareel laten lopenne pas quitter qn. d'un pas • voortdurend achter iemand aan lopenretourner, revenir sur ses pas • op zijn schreden terugkeren, een andere koers inslaanà deux, quatre pas (d'ici) • vlakbij, (hier)naastà pas comptés • met afgemeten passenavancer à grands pas • grote vooruitgang boeken, met rasse schreden vooruit gaanà pas de loup • op de tenen (sluipend), heel zachtjespas à pas • stapje voor stapje, voorzichtig aancela ne se trouve pas dans, sous le pas d'un cheval • dat ligt niet voor 't oprapen, dat groeit iemand maar niet op de rugpas de l'oie • ganzenpas, paradepasà pas de tortue • met een slakkengangetjeà pas de velours • zachtjes sluipendau pas • in de pas, stapvoetsau pas de course, au pas de gymnastique • in looppasse mettre au pas • zich schikken, zich aanpassenrouler au pas • stapvoets rijdende ce pas • direct, nu meteen, stante pedepas de (la) porte • drempelêtre dans un mauvais pas • zich in een lastig parket bevindentirer qn. d'un mauvais pas • iemand uit de puree helpencéder le pas à qn. • iemand laten voorgaanprendre le pas sur qn. • voor iemand uitlopen, iemand achter zich laten 〈 ook figuurlijk〉sauter, franchir le pas • de sprong wagen; stervenpas de vis • spoed, schroefgang————————pas2 [paa]〈 bijwoord〉♦voorbeelden:1 si c'est pas malheureux! • wat erg!, erg is dat!pas mal de • heel watne pas, ne … pas • nietpas plus que lui • evenmin als hij, niet meer dan hijpas du tout • helemaal nietpas un(e) • geen enkele, niemandcomme pas un • als geen anderil ne sait pas parler • hij kan niet sprekenil sait ne pas parler • hij weet z'n mond te houden1. m1) pas, voetstap2) tred, loop3) doorgang, engte, drempel2. advniet, geen -
30 piège
piège [pjezĵ]〈m.〉♦voorbeelden:une traduction pleine de pièges • een vertaling vol voetangels en klemmenpiège grossier • boerenbedrogdonner dans le piège • in de val lopenêtre pris à son propre piège • zelf in de kuil vallen die men voor een ander gegraven hadse laisser prendre au piège, tomber dans le piège • in de val lopen, er inlopenprendre qn. au piège • iemand er in laten lopenmvalstrik, val -
31 placer
placer [plaasee]1 plaatsen ⇒ leggen, zetten, situeren2 plaatsen ⇒ een plaats geven, naar zijn plaats brengen5 verkopen ⇒ afzetten, verhandelen♦voorbeelden:placer ses espérances en qn. • zijn hoop op iemand vestigenje place cet auteur parmi les plus grands • ik reken deze schrijver tot de allergrootsten♦voorbeelden:se placer parmi les premiers • bij de eersten horen1. v1) plaatsen4) verkopen, afzetten2. se placerv1) plaats nemen4) werk vinden -
32 prendre
prendre [prãdr]1 dik, hard worden ⇒ bevriezen, stollen5 lukken ⇒ aanslaan, succes hebben6 afslaan ⇒ richting, weg nemen♦voorbeelden:prendre à travers champs • dwars door de velden gaanprendre sur soi de • op zich nemen om teII 〈 overgankelijk werkwoord〉2 opvatten ⇒ opnemen, beschouwen4 (aan)nemen ⇒ zich verschaffen, krijgen5 aannemen ⇒ veronderstellen 〈zie voor uitdrukkingen die hier niet vermeld zijn de betreffende zelfstandige naamwoorden〉♦voorbeelden:prendre une femme de force • een vrouw verkrachten, aanrandence tissu prend bien la teinture • deze stof kan gemakkelijk geverfd worden〈 informeel〉 ça te prend souvent? • heb je daar vaker last van?〈 informeel〉 qu'est-ce qui te prend? • wat mankeert jou?, wat is er nou ineens met jou aan de hand, ben je nou helemaal?c'est à prendre ou à laisser • graag of nietil y a à prendre et à laisser • niet alles kloptprendre une personne pour une autre • iemand voor iemand anders aanzienpour qui me prenez-vous? • waar ziet u me voor aan?prendre qn. pour un savant • iemand voor een geleerde houdenle prendre de haut • het hoog opnemenprendre en bonne, en mauvaise part • goed, slecht opnemen→ temps〈 spreekwoord〉 tel est pris qui croyait prendre • die een kuil graaft voor een ander valt er zelf inon ne m'y prendra plus! • dat zal me niet meer overkomen!je vous y prends • nu heb ik je (betrapt)bien lui a pris de • hij heeft er goed aan gedaan te2 genomen, gepakt worden♦voorbeelden:s'y prendre bien, mal • het goed, slecht aanpakken, aanleggense prendre d' amitié pour • vriendschap opvatten voorpour qui te prends-tu? • wie denk je wel dat je bent?1. v1) bevriezen, stollen2) vastkoeken4) aangaan [vuur]6) afslaan7) (mee)nemen, grijpen8) opvatten9) kosten10) aannemen2. se prendrev1) bevriezen -
33 question
question [kestjõ]〈v.〉1 vraag2 kwestie ⇒ vraagstuk, probleem♦voorbeelden:1 question à choix multiple • meerkeuzevraag, multiplechoicevraagbelle question!, cette question! • wat een vraag!question spécieuse • strikvraagse poser des questions • zich een en ander afvragenla question de savoir si • de vraag of2 question de confiance! • kwestie van vertrouwen!poser la question de confiance • de vertrouwenskwestie stellence qui est en question • waar het over gaatla personne en question • de bewuste persoon, de persoon in kwestiemettre qc. en question • iets in twijfel trekkentout remettre en question • alles op losse schroeven zettenc'est là toute la question, là est la question • dáár gaat het omil est question de l'envoyer à l'étranger • er is sprake van hem naar het buitenland te sturende quoi est-il question? • waar gaat het over?cela ne fait pas question • dat is buiten kijfpas question! • geen sprake van, daar komt niets van in!f1) vraag2) kwestie3) foltering -
34 qui
qui [kie]1 die, dat ⇒ wie, welke♦voorbeelden:1 qu'est-ce qui? • wat?qui est-ce qui? • wie?voilà qui doit être intéressant • dat moet interessant zijnc'était à qui arriverait le premier • ze deden wie of het eerst zou aankomen2 ce qui m'embête c'est que … • wat me ergert is dat …qui plus est • bovendien¶ tous, on lisait qui un roman, qui un journal • allemaal zaten we te lezen, de één een roman, de ander een krantII 〈 vragend voornaamwoord〉1 wie?2 wat?♦voorbeelden:qui est-ce? • wie is daar?, wie is dat?qui que ce soit • wie (het) dan ook (is)qui que ce soit qui vous l'ait dit • wie het u ook gezegd heeftpron1) die, dat, wie, welke2) wat, hetgeen3) wie?4) wat? -
35 rationner
-
36 rejeter
rejeter [rəzĵtee]1 terugwerpen ⇒ (terug)gooien, terugdrijven2 uitstoten ⇒ uitbraken, uitspugen, uitwerpen4 verleggen ⇒ werpen, verplaatsen5 verwerpen ⇒ afslaan, afwijzen6 verwijderen ⇒ verstoten, terzijde schuiven♦voorbeelden:rejeter la faute sur qn. • de schuld op een ander gooien1 zijn toevlucht nemen (tot) ⇒ zich tevredenstellen (met), voor lief nemen♦voorbeelden:v1) terugwerpen2) uitbraken3) afstoten [medisch]4) verleggen, verplaatsen5) verwerpen, afwijzen6) verwijderen -
37 répondant
répondant [reepõdã],répondante [reepõdãt]〈m., v.〉♦voorbeelden:m (f - répondante)1) borg [persoon]2) gijzelaar3) misdienaar -
38 rimer
rimer [riemee]1 rijmen ⇒ dichten, verzen maken2 rijmen ⇒ een rijm vormen, rijm hebben♦voorbeelden:mot qui rime avec un autre • woord dat op, met een ander woord rijmtII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 op rijm zetten ⇒ berijmen, in verzen brengenv -
39 sauce
sauce [soos]〈v.〉♦voorbeelden:poisson en sauce • vis met saus¶ à quelle sauce sera-t-il mangé? • hoe zullen ze hem aanpakken?, wat zal hem te wachten staan?〈 informeel, figuurlijk〉 donner, mettre toute la sauce • in vliegende vaart optrekken, plankgas gevenf1) saus2) bijzaak3) plensbui -
40 son
son1 [sõ]〈m.〉1 geluid ⇒ klank, toon2 zemelen3 zaagsel♦voorbeelden:son des trompettes • trompetgeschalson filé • lang aangehouden toonbaisser le son d'un poste • de radio zachter zettenau son, aux sons de • op de tonen, klanken van————————son2 [sõ],1 zijn, haar ⇒ z'n, d'r, van hem, van haar, ervan♦voorbeelden:Sa Majesté • Zijne, Hare Majesteit〈 schertsend, voor eigennaam〉 son Monsieur T. • die meneer T. van hem, haarà sa vue • bij het zien van hem, haarm1) geluid, klank2) toon3) zemelen4) zaagsel
См. также в других словарях:
Ander — Ander. Der, die, das andere, ein Wort, welches überhaupt genommen, alsdann gebraucht wird, wenn nur von zwey Dingen die Rede ist, da es denn dem Worte ein entgegen gesetzt wird. Es bezeichnet aber Ein Ding von zweyen, entweder schlechthin, oder… … Grammatisch-kritisches Wörterbuch der Hochdeutschen Mundart
Ander — Saltar a navegación, búsqueda Para el nombre vasco, véase Ander (nombre). Ander Título Ander Solicita una imagen para este artículo … Wikipedia Español
Ander — Saint Flour. Caractéristiques Longueur 36 1 km Bassin 310 km2 Bassin collecteur … Wikipédia en Français
Ander — ist der Name mehrerer Personen: Alfred Ander (1873–1910), letzter Mensch, der in Schweden hingerichtet wurde Alois Ander (1821–1864), böhmischer Tenor und Opernsänger Charlotte Ander (1902–1969), deutsche Schauspielerin Geografische Begriffe: Ort … Deutsch Wikipedia
ander — Adj std. (8. Jh.), mhd. ander, ahd. ander, as. ōđar Stammwort. Aus g. * anþara Adj. ander , auch in gt. anþar, anord. annarr, ae. ōđer, afr. ōther. Dieses aus ig. * antero (oder * ontero ) in ai. ántara , lit. añtras der andere . Gegensatzbildung … Etymologisches Wörterbuch der deutschen sprache
ander — ander: Das gemeingerm. Für und Zahlwort mhd., ahd. ander, got. anÞar, engl. other, aisl. annar beruht mit verwandten Wörtern in anderen idg. Sprachen auf einer alten Komparativbildung, und zwar entweder zu der idg. Demonstrativpartikel *an »dort« … Das Herkunftswörterbuch
ander — ander. = male (см.). (Источник: «Англо русский толковый словарь генетических терминов». Арефьев В.А., Лисовенко Л.А., Москва: Изд во ВНИРО, 1995 г.) … Молекулярная биология и генетика. Толковый словарь.
ander — ander. См. самец. (Источник: «Англо русский толковый словарь генетических терминов». Арефьев В.А., Лисовенко Л.А., Москва: Изд во ВНИРО, 1995 г.) … Молекулярная биология и генетика. Толковый словарь.
Ander — Ander, Aloys, Tenorist, geb. 13. Okt. 1817 zu Liebnitz in Böhmen, gest. 11. Dez. 1864 im Badeort Wartenberg, ein weniger durch imponierende Stimmmittel und leidenschaftliche Darstellung als durch geschmackvollen und lyrisch innigen Vortrag… … Meyers Großes Konversations-Lexikon
Ander. — Ander., auch Anders., bei naturwissenschaftl. Namen Abkürzung für Nils Joh. Andersson (s. d.) … Meyers Großes Konversations-Lexikon
ander — ander:einandererMenschwerden:⇨bessern(II,1);inanderenUmständensein:⇨schwanger(2);einer/einsnachdemanderen,einenachderanderen:⇨nacheinander;einerdenanderenbzw.einerdemanderen:⇨einander;einmalübers/umsandere,einumdasandereMal:⇨wiederholt(1);zumander… … Das Wörterbuch der Synonyme