-
81 comprise
v. includeren; alles omvatten[ kəmprajz]1 bestaan/opgebouwd zijn uit ⇒ be/omvatten, vormen♦voorbeelden: -
82 conglomerate
n. groep of massa gevormd door verscheidene elementen; groot bedrijf gevormd door opkomst van veschillende bedrijven--------v. ophopen, accumulerenconglomerate1[ kənglommərət] 〈 zelfstandig naamwoord〉————————conglomerate2————————conglomerate31 samenklonteren ⇒ samenballen, (zich) tot een massa verenigen -
83 congregate
v. samenkomen, bijeenkomen (van mensen)[ konggrigeet]1 samenkomen/stromen ⇒ zich verzamelen, bijeenkomenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 samen/bijeenbrengen ⇒ verzamelen, bijeendrijven -
84 conjunction
n. kombinatie; verbindingswoord[ kəndzjung(k)sjn]2 → conjuncture conjuncture/3 verbinding ⇒ combinatie, samengaan♦voorbeelden:in conjunction with • in combinatie/samenwerking met, samen met -
85 consort
n. metgezel, partner; konvooischip, meeligger--------v. aanpassen; koördinerenconsort1[ konso:t] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 gade ⇒ gemaal, gemalin♦voorbeelden:————————consort21 omgaan ⇒ optrekken, in gezelschap verkeren♦voorbeelden: -
86 conspire
v. samenzweren; conspireren[ kənspajjə]II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 beramen ⇒ smeden, op touw zetten -
87 contributory
-
88 correspond
v. samen hangen; parallel lopen; corresponderen[ korrispond]1 〈+to/with〉overeenkomen/stemmen (met) ⇒ kloppen, corresponderen2 corresponderen ⇒ een briefwisseling voeren, schrijven♦voorbeelden:1 the description doesn't correspond to/with what really happened • de beschrijving dekt de werkelijkheid niet -
89 crick
n. Crick, familienaam, Crick, Francis (1916-2004), Britse biofysicus, winnaar van de 1962 Nobelprijs in Fysiologie voor zijn ontdekking van dubbele spiraalvormige structuur van DNA (samen met James Watson)crick1[ krik] 〈 zelfstandig naamwoord〉♦voorbeelden:————————crick2〈 werkwoord〉1 verrekken ⇒ verdraaien, ontwrichten♦voorbeelden:1 I cricked my neck/back • ik heb een stijve nek/rug -
90 crowd
n. menigte, massa; groep; vriendenkring; hoop, stapel--------v. vullen; volproppen; dringencrowd1[ kraud]2 (wanordelijke) bende ⇒ pan, troep♦voorbeelden:II 〈zelfstandig naamwoord; werkwoord enkelvoud of meervoud〉♦voorbeelden:¶ follow/move with/go with the crowd • in de pas lopen, zich conformeren aan de massaraise oneself/rise above the crowd • boven de massa uitstijgen————————crowd21 samendrommen ⇒ elkaar/zich verdringen♦voorbeelden:1 people crowded in/round • mensen dromden samen/verdrongen elkaarcrowd (all) together • (allemaal) op een kluitje gaan staanII 〈 overgankelijk werkwoord〉2 proppen ⇒ persen, (dicht) op/tegen elkaar drukken♦voorbeelden:¶ crowd out • buitensluiten, verdringen -
91 dense
adj. dicht op elkaar; stom, idioot1 dicht ⇒ compact, samen/opeengepakt♦voorbeelden:dense prose • compact prozadensely populated • dichtbevolkt -
92 difference
n. anders, onderscheid; verschil[ difrəns]♦voorbeelden:that makes all the difference • dat maakt veel uit -
93 double up
double up♦voorbeelden:2 we haven't any single rooms left. Do you mind doubling up? • er zijn geen eenpersoonskamers meer vrij. Vindt u het erg een kamer te delen?II 〈 overgankelijk werkwoord〉2 opvouwen ⇒ om/terugslaan, (om)vouwen♦voorbeelden: -
94 double
adj. dubbel; tweepersoons--------adv. dubbel--------n. dubbele; dubbelganger; scherpe vouw--------v. (zich) verdubbelen, dubbelvouwen; zich omwenden; doublerendouble1[ dubl] 〈 zelfstandig naamwoord〉2 het dubbele ⇒ dubbele (hoeveelheid/snelheid e.d.)5 〈 benaming voor〉 verdubbeling 〈 van score, bord, inzet enz. in diverse sporten〉 ⇒ 〈 bridge〉 doublet; 〈 darts〉 worp in de dubbelring; 〈 honkbal〉 tweehonkslag; 〈 paardenrennen〉 weddenschap op de dubbel♦voorbeelden:〈 sport〉 win the double • een dubbelslag slaan 〈 in voetbal bijvoorbeeld beker en kampioenschap winnen〉————————double21 dubbel ⇒ tweemaal (zo groot/veel/enz.), dubbeldik; dubbelgevouwen, dubbelgebogen; tweedelig; voor twee2 oneerlijk ⇒ dubbelhartig, vals♦voorbeelden:double bed/room • tweepersoonsbed/kamerdouble CD • dubbel-cddouble chin • onderkin, dubbele kindouble feature • bioscoopvoorstelling met twee hoofdfilmsdouble glazing/windows • dubbele beglazing/ramendouble meaning • dubbele/ambigue betekenis2 double agent • dubbelagent/spiondouble life • dubbelleven————————double31 (zich) verdubbelen ⇒ doubleren, tweemaal zo groot/veel worden3 een dubbele rol/functie spelen/hebben♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 verdubbelen ⇒ doubleren, tweemaal zo groot maken3 spelen ⇒ doubleren, tijdelijk overnemen♦voorbeelden:he doubled his fists • hij balde zijn vuisten————————double4〈 bijwoord〉1 dubbel ⇒ tweemaal (zoveel als); in tweeën; samen, in groepjes van twee♦voorbeelden:cost double • tweemaal zoveel kostensee double • dubbel ziensleep double • met zijn tweeën in één bed slapen -
95 flock
n. troep, zwerm, kudde; menigte schare--------v. vormen van een groep, samen komen; het vormen van een zwerm, zwermenflock1[ flok]1 bosje ⇒ vlokje, pluisjeIII 〈zelfstandig naamwoord; werkwoord enkelvoud of meervoud〉1 troep ⇒ zwerm, kudde♦voorbeelden:————————flock21 bijeenkomen ⇒ zich verzamelen, samenstromen♦voorbeelden:flock in • toestromenflock together • bijeenkomenII 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden: -
96 folio
n. folio; blad; boek in folio formaat[ foolie▪oo] -
97 gang up
zich verenigen (tot een bende)gang up1 een bende/groep vormen ⇒ (samen)klieken, zich verenigen♦voorbeelden:gang up with • zich aansluiten bij, samenspannen met -
98 go together
go together1 samengaan ⇒ samen voorkomen, gepaard gaan -
99 hit it off (with)
hit it off (with) -
100 hit
n. slag, klap; treffer; succes--------v. slaan; raken, treffenhit1[ hit] 〈 zelfstandig naamwoord〉2 treffer♦voorbeelden:4 a hit at the opposition • een uithaal naar/aanval op de oppositie————————hit2♦voorbeelden:♦voorbeelden:hit at • slaan naar2 bereiken ⇒ vinden, aantreffen♦voorbeelden:
См. также в других словарях:
Samen — sind: Semen, pharmazeutischer Begriff für Samen einer Heilpflanze Samen im Sperma, der von den männlichen Geschlechtsorganen produzierten Samenflüssigkeit Same (Pflanze), der von einer Schutzhülle und dem Nährgewebe umgebene Keim (Embryo) Samen… … Deutsch Wikipedia
Samen [2] — Samen, 1) (Semen, Bot.) ist das bei den Phanerogamen zu seiner Vollkommenheit gelangte Pflanzenei (s.u. Ei 2), welches in der Fruchthülle sich befindet u. den Keimling umschließt, d.i. die vorgebildete neue Pflanze, durch welche die Art… … Pierer's Universal-Lexikon
Samen [1] — Samen, so v.w. Semen … Pierer's Universal-Lexikon
Samen [1] — Samen, im naturwissenschaftl. Sinne, s. Same; im biblischen Sinne soviel wie Nachkommenschaft … Meyers Großes Konversations-Lexikon
Samen [2] — Samen, abessinische Landschaft, s. Semién … Meyers Großes Konversations-Lexikon
Samen — (Sperma), bei Mensch und Tier die in den männlichen keimbereitenden Geschlechtsteilen (Hoden) abgesonderte, durch die Samenleiter in die zwei am hintern untern Teil der Harnblase gelegenen Samenbläschen gelangende, schleimig klebrige, weiße, zur… … Kleines Konversations-Lexikon
Samen — Samen, animalischer, das Produkt besonderer Drüsen (Hoden) im Organismus der männlichen Thiere, ist eine dickflüssige Materie von weißlicher Farbe und eigenthümlichem Geruche, wird an der Luft dünnflüssiger und durchsichtig, gerinnt durch… … Herders Conversations-Lexikon
Samen — Samen, von der Mutterpflanze aus der Samenanlage im Zustand der Reife gebildete Ausbreitungseinheit der Samenpflanzen. Der S. besteht aus dem ⇒ Embryo, der meist von Nährgewebe (⇒ Endosperm) umgeben ist, und aus der ⇒ S.schale (Testa). Nur wenige … Deutsch wörterbuch der biologie
şămen — şămén s.n. (înv.) numele unui joc de cărţi. Trimis de blaurb, 05.02.2007. Sursa: DAR … Dicționar Român
samēn — *samēn, *samæ̅n germ.?, schwach. Verb: nhd. gefallen ( Verb); ne. please (Verb); Rekontruktionsbasis: an.; Etymologie: s. ing. *sem (2), Num. Kard., Adverb … Germanisches Wörterbuch
Samen — [Aufbauwortschatz (Rating 1500 3200)] Bsp.: • Ich muss Blumensamen kaufen … Deutsch Wörterbuch