-
1 hij kreeg een vier voor wiskunde
hij kreeg een vier voor wiskundehe got an F for maths, he got four out of ten for mathsVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > hij kreeg een vier voor wiskunde
-
2 vier
vier1〈de〉1 four♦voorbeelden:1 hij kreeg een vier voor wiskunde • he got an F for maths, he got four out of ten for maths————————vier2〈 telwoord〉♦voorbeelden:1 met vier handen, voor vier spelers • fourhanded, for four hands/playerseen gesprek onder vier ogen • a private conversation, a tête-à-têtezo zeker als tweemaal twee vier is • as sure as I'm standing herehalf vier • half past threeze waren met z'n vieren • there were four of them -
3 mathematica
n. mathematics, maths -
4 wiskunde
n. mathematics, maths -
5 Jan is een kei in wiskunde
Jan is een kei in wiskundeVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > Jan is een kei in wiskunde
-
6 beter
beter1〈 het〉1 something/anything better♦voorbeelden:bij gebrek aan beter • for want of anything better————————beter21 [vergrotende trap van ‘goed’] better2 [genezen; minder ziek] better♦voorbeelden:het is beter dat je nu vertrekt • you'd better leave nowze is beter in wiskunde dan haar broer • she's better at maths than her brotheralles is beter dan een bezoek aan haar • anything is preferable to visiting herdat is al beter • that's more like ithuilen maakt het er helemaal niet beter op voor je • crying won't do you any goodbeter maken • improvehij was beter af zonder hun hulp • he'd be better off without their helpergens beter van worden • benefit from somethingbeter worden • improvedaar wordt het niet beter van • that will not make things any betterbij gebrek aan iets beters • for want of anything betterwel wat beters te doen hebben • have better things to dohij is weer helemaal beter • he has completely recoveredbeter maken, weer beter maken • curebeter worden, weer beter worden • recover, get well againbetere kwaliteit (van) koffie • better-quality coffeeII 〈 bijwoord〉1 [vergrotende trap van ‘goed’] better2 [anders] better♦voorbeelden:hij kan zijn geld wel beter gebruiken • he knows better than to spend his money on thatbeter gezegd • (or) ratherje had beter kunnen helpen, je had er beter aan gedaan te helpen • you would have done better to helphet beter hebben (dan vroeger/dan een ander) • be better off (than before/than someone else)de leerling kon beter • the student could do betterom (des te) beter te kunnen zien • (all) the better to seejij kunt beter je mond houden • you'd better keep your mouth shutJohn tennist beter dan ik • John is a better tennis-player than meiets tegen beter weten in doen • do something against one's better judgementze weten niet beter of … • for all they know …des te beter (voor ons) • so much the better (for us)hoe eerder hoe beter • the sooner the betterde volgende keer beter • better luck next timehij weet nu wel beter • he knows better now -
7 een voldoende halen voor wiskunde
een voldoende halen voor wiskundeVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een voldoende halen voor wiskunde
-
8 een vrijstelling hebben voor wiskunde
een vrijstelling hebben voor wiskundeVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een vrijstelling hebben voor wiskunde
-
9 exacte vakken
exacte vakkenscience, (exact) sciences; 〈 op school ook〉 science and maths -
10 hangen
1 [neerwaarts gestrekt/boven de grond gehouden worden] hang3 [met een bocht verlopen] sag4 [overhellen] lean (over) ⇒ hang (over), 〈 met betrekking tot lusteloze persoon〉 loll, 〈 met betrekking tot lusteloze persoon〉 slouch, 〈 niets doen〉 hang around6 [vast (blijven) zitten] stick/cling (to) ⇒ 〈 met kleding〉 be/get stuck (in)7 [zweven] hang8 [onbeslist zijn] hang ⇒ be up in the air/undecided♦voorbeelden:de zeilen hangen slap • the sails are slack/hanging (loose)het schilderij hangt scheef • the painting is (hanging) crookedzijn kamer hangt vol posters • his room is hung with postersde sleutel hangt aan de spijker • the key is (hanging) on the nailaan het plafond hangen • hang/swing/be suspended from the ceilingaan het spit hangen • be on the spit3 het koord hangt slap • the rope is sagging/slackde teugels laten hangen • loosen/drop the reins4 hij hangt ieder weekend aan/in de bar • he hangs out Bat the pub/in bars every weekendhij hing op zijn stoel • he lay slouched/sprawled in a chair, he lolled in his chairhang niet zo tegen die kast • stop leaning against the cupboardmet hangen en wurgen • by the skin of one's teethdaarvoor zal hij hangen! • he'll hang/swing for it!er is niet veel van mijn Latijn blijven hangen • very little of my Latin has stuckde naald blijft hangen • the needle is stuck〈 figuurlijk〉 hij hangt erg aan zijn oudste zoon • he's very fond of/attached to his eldest son〈 figuurlijk〉 ze hangen erg aan elkaar • they are devoted to/wrapped up in each otherze bleef met haar japon aan een spijker hangen • her dress caught/snagged on a nailzij hangt altijd om hem heen • she's always hanging/hovering about himhij bleef in de vierde klas hangen op zijn wiskunde • he was kept down in the fourth form because of his mathsde wolken hangen laag • the clouds are (hanging) lowhet hangt erom • it's up in the air9 naar iets hangen (en verlangen) • crave (for) something, have a longing/craving for something¶ hij zal moeten hangen • he's in for it/for the high jumphij hangt • he's lumbered/stuck (with it)II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 [bevestigen] hang (up)2 [met betrekking tot personen, ophangen] hang♦voorbeelden:zijn jas aan de kapstok hangen • hang one's coat on the peg -
11 hij bleef in de vierde klas hangen op zijn wiskunde
hij bleef in de vierde klas hangen op zijn wiskundeVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > hij bleef in de vierde klas hangen op zijn wiskunde
-
12 hij is een (hele) piet in wiskunde
hij is een (hele) piet in wiskundeVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > hij is een (hele) piet in wiskunde
-
13 hij is verschrikkelijk slecht in wiskunde
hij is verschrikkelijk slecht in wiskundeVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > hij is verschrikkelijk slecht in wiskunde
-
14 kei
-
15 piet
1 [informeel] [persoon] geezer, feller3 [informeel] [kanarie] ±budgie4 [neet, luis] nit♦voorbeelden:hij vindt zichzelf een hele piet • he thinks he's really someonede hoge pieten in Den Haag • the high-ups/bigwigs in The Hague -
16 rekenkunde
-
17 rekenles
1 arithmetic lesson/class, maths -
18 vak
2 [deel van een kast/doos] compartment ⇒ 〈 in het bijzonder postvak〉 pigeonhole, shelf 〈 winkel, bibliotheek〉5 [perk] bed6 [afgeperkt deel] section♦voorbeelden:een kast met geheime vakken • a cupboard with secret compartmentsde vakken bijvullen • fill the shelvespost in iemands vakje stoppen • put mail in someone's pigeonhole3 een man van het vak zijn • be an expert/a specialisthij beoefent dit vak al 20 jaar • he has been in this business for 20 yearseen vak leren • learn a tradezijn vak maken van • make a business/trade ofeen vak uitoefenen • practise/be in a trade/businesszijn vak verstaan • understand one's businessieder zijn vak • every man to his tradein acht vakken eindexamen doen • take eight subjects in one's final exams -
19 verschrikkelijk
♦voorbeelden:een verschrikkelijke moord • a dreadful/horrible murderverschrikkelijke sneeuwman • abominable snowman, yetihij is verschrikkelijk slecht in wiskunde • he is terrible at mathsII 〈 bijwoord〉♦voorbeelden:♦voorbeelden:Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > verschrikkelijk
-
20 voldoende
voldoende1♦voorbeelden:————————voldoende2I 〈 bijwoord〉♦voorbeelden:1 heb je je voldoende voorbereid? • have you done enough preparation?II 〈 bijvoeglijk naamwoord〉♦voorbeelden:1 er was geen voldoende meerderheid voor het voorstel • there was not a sufficient majority in favour of the proposaléén blik op hem is voldoende om … • one look at him is enough to …tien gulden is niet voldoende • ten guilders is not enough/ sufficientjouw examen was net voldoende • you only just scraped through your examhet is niet voldoende om van te leven • it is not enough to live onruimschoots voldoende • ample, more than enough————————voldoende3♦voorbeelden:dat is voldoende • that's sufficient/enough
- 1
- 2
См. также в других словарях:
maths — ou math [ mat ] n. f. pl. • 1880 math; abrév. de mathématique,II ♦ Fam. Mathématiques. Un fort en maths. ⇒ matheux. La bosse des maths. Faire des maths. Prof de maths. ♢ Classe de mathématiques. Math sup. ⊗ HOM. Mat, matte. ● math ou maths nom… … Encyclopédie Universelle
maths — S2 [mæθs] n [U] BrE informal mathematics American Equivalent: math ▪ the new maths teacher ▪ maths lessons ▪ She got top marks in maths and chemistry … Dictionary of contemporary English
maths — is the BrE abbreviation for mathematics; in AmE it is maths … Modern English usage
maths — [maths] n. [Brit. Informal] short for MATHEMATICS … English World dictionary
maths — /maths/, n. (used with a sing. or pl. v.) Chiefly Brit. mathematics. [by shortening] * * * … Universalium
maths — [ mæθs ] noun uncount BRITISH mathematics … Usage of the words and phrases in modern English
maths — see MATH (Cf. math) … Etymology dictionary
maths — (BrE) (AmE math) noun ADJECTIVE ▪ applied, pure ▪ basic, elementary, simple ▪ advanced, complicated … Collocations dictionary
Maths — Mathématiques Les mathématiques constituent un domaine de connaissances abstraites construites à l aide de raisonnements logiques sur des concepts tels que les nombres, les figures, les structures et les transformations. Les mathématiques… … Wikipédia en Français
maths — [[t]mæ̱θs[/t]] N UNCOUNT Maths is the same as mathematics. [BRIT] He taught science and maths. (in AM, use math) … English dictionary
maths */ — UK [mæθs] / US noun [uncountable] British mathematics. The American word is math. • (you) do the maths used for telling someone that a plan or idea cannot work because it is impossible, too expensive, etc. You do the maths: four teams can t win… … English dictionary