-
21 geloof
♦voorbeelden:1 geloof, hoop en liefde • la foi, l'espérance et la charitéhij heeft een onvoorwaardelijk geloof in uw woorden • il a une foi inconditionnelle en vos paroleshet ware geloof • la vraie foizijn geloof belijden • faire sa confession de foihet geloof bezitten • avoir la foiergens geloof aan hechten • ajouter foi à qc.voor zijn geloof uitkomen • professer sa foihet geloof in God • la foi en Dieuhet geloof in reïncarnatie • la croyance à la réincarnationgeloof in de wetenschap hebben • avoir foi dans la sciencehet geloof in de vooruitgang • la croyance au progrèseen geloof dat bergen kan verzetten • une foi capable de soulever les montagneseen geloof verzaken • abjurer une religion -
22 goed
goed1〈 het〉♦voorbeelden:liggende goederen • biens immeublesroerend en onroerend goed • biens meubles et immeublesik kan daar geen goed meer doen • tout ce que je fais est mal prisgoed doen • faire le bieniemand goed doen • faire du bien à qn.het zal u veel goed doen • cela vous fera grand bieniets goeds • qc. de bonhij lust graag wat goeds • il aime les bonnes choseshoud dat mij ten goede • ne le prenez pas en mauvaise partten goede komen (aan) • profiter (à)verandering ten goede • (une) améliorationzich ten goede keren • tourner bienwe hebben nog een diner te goed • nous avons encore un dîner en perspectiveik heb nog vier vakantiedagen te goed • il me reste encore quatre jours de vacances (à prendre)je houdt het van mij te goed • je te revaudrai çadat hebben we nog te goed • ce n'est que partie remisedat heb je nog van me te goed • je dois encore te rendre cela; 〈 als dreigement〉 tu ne perds rien pour attendre!wollen goed • lainagehij heeft zijn zondagse goed aan • il porte ses habits du dimanche————————goed2♦voorbeelden:een goed jaar geleden • il y a une bonne année (de cela)is dat je goeie pak? • c'est ton beau costume?hij is een goede veertiger • il a la quarantaine bien sonnéeeen goed verliezer • un bon perdantdoe maar goed wat zout in de soep • n'hésite pas à bien saler la soupeik ben het goed zat • j'en ai par-dessus la têteik ben wel goed maar niet gek • je ne suis pas tombé sur la têtehet goed doen • bien marcherhij kan het er goed van doen • il a de quoi, il a les moyensals ik het goed heb • si je ne me trompewij hebben het goed • nous ne manquons de rien〈 ironisch〉 is het nou goed? • ça y est, maintenant?het is mij goed • (je suis) d'accordhet is ook nooit goed! • tu (il) n'es (n'est) jamais contenthij kan geen goed meer doen • on critique tout ce qu'il faitdat komt wel weer goed • ça va s'arrangergoed kunnen leren • apprendre facilementer goed op staan • 〈 letterlijk〉 être bien (sur une photo); 〈 figuurlijk〉 avoir réussi; 〈 ironisch〉 avoir tout gâchéhij heeft goed praten • il a beau direhet eten ruikt goed • le repas sent bondie jas staat je goed • ce manteau te va bienhij was niet zo goed of hij moest betalen • il a bien fallu qu'il paiedat was maar goed ook! • heureusement!zou u zo goed willen zijn … • voudriez-vous avoir la gentillesse de …het zou goed zijn, als je … • il serait bon que tu …net goed! • (c'est) bien fait!ook goed! • d'accord!dat touw is precies goed • c'est exactement la corde qu'il nous, me fautalles goed en wel maar … • c'est bien beau (tout ça), mais …ik was nog maar goed en wel thuis of … • j'étais à peine à la maison que …goed zo! • très bien!zo goed en zo kwaad als het gaat • tant bien que malgoed bij zijn • être éveillézij zijn weer goed met elkaar • ils se sont réconciliésdat is goed om te weten • c'est bon à savoirwaar is dat goed voor? • à quoi ça sert?hij is nergens goed voor • il n'est bon à riengoed voor ƒ 1000,- • bon pour 1000 florinshij is goed voor een paar ton • 〈m.b.t. bezit〉 il a bien quelques briques; 〈m.b.t. verdienen〉 il se fait bien quelques briqueshij is er niet te goed voor • il en est bien capabledat is een goeie! • elle est bien bonne!dat is te veel van het goede • c'est trop, vraimenthet goede doen • faire le bienniet veel goeds • pas grand-chose de bonzich niet goed voelen • ne pas se sentir bienzij is er goed mee • cela l'arrange bienze is onderweg niet goed geworden • elle a eu un malaise en cours de routezo goed als • pratiquementhet boek is zo goed als af • le livre est pratiquement terminé -
23 had jij dat gekund?
had jij dat gekund?tu en aurais été capable? -
24 handelingsbekwaam
-
25 hij is er gek genoeg voor
hij is er gek genoeg voor -
26 hij is er niet te goed voor
hij is er niet te goed voor -
27 iets niet achter iemand zoeken
iets niet achter iemand zoekenne pas croire qn. capable de (faire) qc. -
28 ik kijk hem erop aan
ik kijk hem erop aan -
29 ik zie hem daarvoor niet aan
ik zie hem daarvoor niet aan -
30 kunnen
1 [algemeen] pouvoir2 [vermogen, geschiktheid] savoir♦voorbeelden:hij kan het niet meer bijhouden • il est débordédat kan híj doen! • il peut se le permettre, lui!je kunt hier heel lekker eten • on mange très bien, iciu kunt gaan • vous pouvez disposerje kunt gaan! • va-t-en, allez-vous-en!zijn ogen niet kunnen geloven • ne pas en croire ses yeuxhet met iemand kunnen vinden • s'entendre avec qn.elkaar kunnen vinden • réussir à se mettre d'accordzich in iets kunnen vinden • se reconnaître dans qc.ze kan uren voor zich uit zitten staren • il lui arrive de rester des heures à contempler le videhad jij dat gekund? • tu en aurais été capable?je kunt het of je kunt het niet • c'est une question de compétenceik kan daar niets mee (doen)laat eens zien wat je kunt • montre un peu ce que tu sais fairehij kan er wat van • il est rudement fortichehij kan er niet over uit • il en parle tout le tempswe kunnen er niet onderuit • il n'y a pas moyen d'y échapperhij kan niet meer • il n'en peut plusik kan niet meer van het lachen • je n'en peux plus de rirebuiten iets kunnen • pouvoir se passer de qc.ergens tegen kunnen • (pouvoir) supporter qc.tegen iemand op kunnen • être de taille à se mesurer avec qn.ervan op aan kunnen • pouvoir compter dessuserg goed kunnen leren • avoir une grande facilité pour apprendreniet kunnen liegen • être incapable de mentirniets kunnen onthouden • n'avoir aucune mémoiregoed kunnen paardrijden • être bon cavalier, bonne cavalièregoed kunnen tekenen • avoir un joli coup de crayonhij kan goed zingen • il chante bienhet zou kunnen • ça se pourraitdat kan zo wel • ça peut allerdat kan een andere keer wel • ce sera pour une autre foiszó kan het niet langer • ça ne peut plus durerhet deksel kan er niet af • on, je n'arrive pas à dévisser le couverclehet kan ermee door • ça iradie trui kán gewoon niet • ce pull est immettablehet kan niet op • il y en a en veux-tuze kán me wat! • qu'elle aille se faire voir ailleurs! • ↑ que veux-tu, que voulez-vous que j'en fasse? -
31 machtig
♦voorbeelden:een machtige • un puissant3 dat is mij te machtig • 〈 te moeilijk〉 c'est trop dur pour moi; 〈 niet meer aan kunnen zien〉 c'est plus que je ne peux en supporter5 machtig zijn iets te doen • être à même de faire qc.een taal machtig zijn • maîtriser une langue -
32 staat
♦voorbeelden:staat van dienst • états de servicede staat van iemands gezondheid • l'état de santé de qn.in goede staat verkeren • être en bon étateen grootse staat voeren • mener grand trainin kennelijke staat verkeren • se trouver en état d'ébriétéde Provinciale Staten • les états provinciauxeen wegdek in slechte staat • une chaussée déforméeiets weer in zijn vroegere staat terugbrengen • remettre qc. en étatin alle staten zijn • être dans tous ses étatsin staat zijn te betalen • être en mesure de payerzij is niet in staat iemand te bedriegen • elle est incapable de tromper qn.tot alles in staat zijn • être capable de toutiemand in staat stellen (om) te … • permettre à qn. de …staat maken op • compter surop het weer is geen staat te maken • on ne peut se fier au temps -
33 te beroerd zijn om iets te doen
te beroerd zijn om iets te doenne même pas être capable de faire qc.Deens-Russisch woordenboek > te beroerd zijn om iets te doen
-
34 tot alles in staat zijn
tot alles in staat zijn -
35 weerbaar
-
36 wijs
wijs1〈de〉♦voorbeelden:wijze van betaling • formule de paiementbij wijze van represaille • par représaillesop duidelijke wijze te kennen geven • faire savoir de façon expliciteop Franse wijze • à la françaiseop onverklaarbare wijze • inexplicablementzich op wrede wijze wreken • se venger atrocementbij wijze van spreken • pour ainsi direbij wijze van uitzondering • à titre exceptionnelbij wijze van proef • à titre d'essaibij wijze van grapje • en manière de plaisanteriedat gebeurde op deze wijze • cela se passa de cette manièreop geen enkele wijze • en aucune façonop de een of andere wijze • d'une façon ou d'une autreop welke wijze dan ook • de toute façonje laat je door niets van de wijs brengen • rien ne peut t'entamereen lied zingen op de wijs van de Internationale • chanter une chanson sur l'air de l'Internationaleiemand van de wijs brengen • 〈 figuurlijk〉 déconcerter qn.→ link=land landde aanvoegende wijs • le subjonctif————————wijs2♦voorbeelden:je kunt je wijze lessen wel voor je houden • je vous dispense de vos leçons de morale(college van) wijze mannen • ((le) comité des) sagesdat is een wijs woord • c'est une parole senséeben je niet (goed) wijs? • tu te sens bien?wijs handelen • agir sagementhij is niet wijzer • c'est de son âgehij zal wel wijzer wezen • il s'en gardera bienzo wijs zijn om … • avoir la sagesse de …de wijste zijn • céderniet goed wijs • timbréhet kind is wijs voor zijn leeftijd • cet enfant est raisonnable pour son âgeuit iets niet wijs kunnen worden • ne pas s'y reconnaître -
37 zichzelf bewijzen
zichzelf bewijzen -
38 zitvlees
♦voorbeelden:¶ geen zitvlees hebben • ne pas être capable de rester assis longtemps; 〈 figuurlijk〉 ne pas avoir beaucoup de patience -
39 zoeken
1 [algemeen] (re)chercher♦voorbeelden:moeilijkheden zoeken • chercher des ennuisu hebt hier niets te zoeken • vous n'avez rien à faire icide definitieve oplossing is nog ver te zoeken • la solution définitive n'est pas pour demaindat is ver gezocht • c'est tiré par les cheveuxnaar gas zoeken • chercher du gaz2 iemands ondergang zoeken • chercher à détruire qn.iets niet achter iemand zoeken • ne pas croire qn. capable de (faire) qc.achter alles iets zoeken • voir malice à toutdat talent had ik niet achter hem gezocht • je ne lui connaissais pas ce talent -
40 bekwaam
adroit, apte à, capable, habile
См. также в других словарях:
capable — [ kapabl ] adj. • XIVe; bas lat. capabilis, de capere « contenir, être susceptible de » I ♦ 1 ♦ Vx Qui a le pouvoir, la possibilité de recevoir, de supporter. Les hommes sont « indignes de Dieu, et capables de Dieu » (Pascal). Capable d une joie … Encyclopédie Universelle
capable — CAPABLE. adj. des 2 g. Qui a les qualités requises pour quelque chose. C est un homme capable de gouverner. C est un homme capable des plus grandes choses. Il n est capable de rien. f♛/b] Il se dit aussi De ceux qui ont l âge compétent pour… … Dictionnaire de l'Académie Française 1798
Capable — Ca pa*ble, a. [F. capable, LL. capabilis capacious, capable, fr. L. caper to take, contain. See {Heave}.] 1. Possessing ability, qualification, or susceptibility; having capacity; of sufficient size or strength; as, a room capable of holding a… … The Collaborative International Dictionary of English
capable — CAPABLE. adj. de tout genre, Habile, intelligent. En ce sens il se dit absolument. Un homme capable. Mettre une affaire, une charge entre les mains d une personne capable. Il signifie aussi, Celuy qui a les qualitez requises pour faire quelque… … Dictionnaire de l'Académie française
capable — I adjective able, accomplished, adept, adequate, adroit, aptus, competent, deft, effective, effectual, equal to, expert, facile, fit, fitted, gifted, idoneus, masterly, potent, proficient, qualified, skillful, suited, worthy associated concepts:… … Law dictionary
capable — Capable, Capax. Capable de pouvoir entendre que c est d amitié, et comme il s y faut maintenir, Capax amicitiae. Il n est point capable de tenir office, Capere magistratum non potest. B. ex Cicerone … Thresor de la langue françoyse
capable — [kā′pə bəl] adj. [Fr < LL capabilis < L capere, to take: see HAVE] having ability; able to do things well; skilled; competent SYN. ABLE capable of 1. susceptible of; admitting of; open to 2. having the ability or qualities necessary for 3.… … English World dictionary
capable — competent, qualified, *able Analogous words: efficient, *effective, effectual, efficacious Antonyms: incapable Contrasted words: incompetent, unqualified (see IN CAPABLE) … New Dictionary of Synonyms
capable — ► ADJECTIVE 1) (capable of) having the ability or quality necessary to do. 2) able to achieve efficiently whatever one has to do. DERIVATIVES capably adverb. ORIGIN French, from Latin capere take or hold … English terms dictionary
capable of — 1. Able to take in, contain, understand, etc (archaic) 2. Sufficiently able, good, well made, etc to, or sufficiently bad, foolish, etc, to (followed by verbal noun or other action noun) 3. Susceptible of • • • Main Entry: ↑capable … Useful english dictionary
capable — 1560s, from L.L. capabilis receptive, used by theologians, from L. capax able to hold much, broad, wide, roomy; also receptive, fit for; adjectival form of capere to grasp, lay hold, take, catch; undertake; take in, hold; be large enough for;… … Etymology dictionary