-
81 airborne
adj. gevlogen; met het vliegtuigairborne1 in de lucht ⇒ door de lucht vervoerd/verspreid♦voorbeelden:1 the plane was airborne • het vliegtuig was in de lucht/losairborne pollen • stuifmeel in de luchtairborne troops • luchtlandingstroepen -
82 ambush
n. hinderlaag--------v. hinderlaag zettenambush1[ æmboesj] 〈 zelfstandig naamwoord〉♦voorbeelden:lie/wait in ambush • in een hinderlaag liggenfall into an ambush • in een hinderlaag vallen————————ambush2〈 werkwoord〉 -
83 answer
n. antwoord; oplossing--------v. antwoorden, een antwoord geven; beantwoordenanswer1[ a:nsə] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 antwoord ⇒ reactie; oplossing, resultaat♦voorbeelden:he gave/made no answer • hij gaf geen antwoordknow the answers to the questions • de vragen kunnen beantwoordenno answer • er wordt niet opgenomen, ik krijg geen gehoorin answer to your letter • in antwoord op uw briefmy only answer to that • mijn enige reactie daarop————————answer2♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 antwoorden (op) ⇒ beantwoorden, het/een antwoord geven op♦voorbeelden:1 answer your father! • geef je vader antwoord!the ship didn't answer the helm • het schip luisterde niet naar het roerour prayers were answered • onze gebeden werden verhoordanswer the telephone • de telefoon opnemen→ answer back answer back/ -
84 belie
v. logenstraffen, verkeerd voorstellen[ billaj]1 een valse/verkeerde indruk geven van ⇒ tegenspreken♦voorbeelden: -
85 bilious
adj. humeurig; galstoornis[ billiəs] 〈 biliousness〉1 gal- ⇒ galachtig, gallig2 zwartgallig ⇒ gemelijk, humeurig♦voorbeelden:1 bilious attack • galstoornis, galaanval -
86 bring on
-
87 brunt
n. volle stoot; zwaarte1 eerste/volle stoot ⇒ zwaartepunt, toppunt♦voorbeelden:bear the brunt of an attack • het bij een aanval het zwaarst te verduren hebben -
88 buckle
n. gesp; uitsteeksel--------v. kromtrekken; wankelen, bezwijken; (vast)gespen, aangespen, ontwrichtenbuckle1[ bukl] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 gesp————————buckle21 met een gesp sluiten/vastzitten ⇒ aangegespt (kunnen) worden2 kromtrekken ⇒ ontzetten, ontwricht raken3 wankelen ⇒ wijken, bezwijken♦voorbeelden:the ends of this necklace buckle together at the back • de uiteinden van deze ketting zitten van achter met een sluiting vast3 despite our efforts we buckled under their attack • ondanks onze inspanningen wankelden we onder hun aanval→ buckle to buckle to/II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 (vast)gespen ⇒ aangespen, omgespen2 ontwrichten ⇒ ontzetten, (uit/ver)buigen♦voorbeelden:1 buckle up a belt • een riem omdoen/gespen -
89 complete
adj. compleet, volledig--------v. voltooien; besluiten, aanvullencomplete1[ kəmplie:t] 〈bijvoeglijk naamwoord; completeness〉1 compleet ⇒ volkomen, totaal2 klaar ⇒ afgerond, voltooid♦voorbeelden:a complete surprise • een volslagen verrassing————————complete2〈 werkwoord〉♦voorbeelden:the work is not completed yet • het werk is nog niet af -
90 diversionary
-
91 drive
n. rit, ritje; reis; autorit; rijweg; dwang; adaptor--------v. rijden; besturen; leiden; voortbewegendrive1[ drajv] 〈 zelfstandig naamwoord〉2 drijfjacht ⇒ het (bijeen/op)drijven♦voorbeelden:————————drive21 snellen ⇒ (voort)stormen, (blijven) doorgaan2 gooien ⇒ schieten, lanceren♦voorbeelden:2 let drive at • schieten op, slaan naar→ drive at drive at/2 rijden ⇒ (be)sturen, vervoeren♦voorbeelden:drive away • wegjagendrive out • verdrijven, uitdrijven, verdringendrive off • wegrijdendrive up • voorrijdendrive off an attack • een aanval afslaandrive a stake into the ground • een paal de grond inheien2 dwingen ⇒ nopen, brengen tot♦voorbeelden: -
92 foretell
-
93 frenzied
adj. waanzinnig, dol, opgewonden[ frenzied]1 waanzinnig ⇒ dol, opgewonden♦voorbeelden:frenzied shouts of joy • wildenthousiaste/uitzinnige vreugdekreten -
94 frontal
-
95 mistime
v. foute tijd kiezen om-[ mistajm]II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 op het verkeerde ogenblik doen/zeggen ⇒ verkeerd timen♦voorbeelden: -
96 mount
n. berg, heuvel, bergketen; rijdier; rijden; opstijgen; opzetten; opstijgen--------v. (op)stijgen, bestijgen, beklimmen, opgaan; te paard zetten, laten rijden; iets op iets plaatsen, voeren, opstellen; organiserenmount1[ maunt] 〈 zelfstandig naamwoord〉2 rijdier3 〈 benaming voor〉 iets waarop men iets plaatst om het tentoon te stellen ⇒ standaard 〈 in etalage〉, voet 〈 van bokaal〉; zetting, montering 〈 van juwelen〉; opplak/opzetkarton 〈 van foto, plaatje〉♦voorbeelden:————————mount2♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 bestijgen ⇒ beklimmen, opgaan4 〈 benaming voor〉 iets op iets plaatsen ⇒ voeren 〈 stukken geschut〉; opstellen 〈geweren enz.〉; opplakken, opzetten 〈 foto's〉♦voorbeelden: -
97 push
n. druk; compressie; aanval; initiatief; hulp--------v. duwen; wegduwen; drukken; initiatief nemen; hasjiesj verkopenpush1[ poesj]1 duw ⇒ stoot, zet, ruk♦voorbeelden:〈voornamelijk Brits-Engels; informeel〉 at a push • als het echt nodig is, in geval van nood2 druk ⇒ nood, crisis♦voorbeelden:1 to get a job like that you need a lot of push • om zo'n baan te krijgen moet je heel wat aankunnen2 if/when it comes/came to the push • als het erop aankomt/aankwam————————push21 duwen ⇒ stoten, schuiven, dringen2 vorderingen maken ⇒ vooruitgaan, doorgaan, verder gaan3 zich (uitermate) inspannen ⇒ doorzettingsvermogen/ondernemingslust hebben♦voorbeelden:2 push ahead/along/forward/on • (rustig) doorgaan/verder gaanpush by/past someone • iemand voorbijdringenpush ahead/along/forward/on with • vooruitgang boeken/opschieten metII 〈 overgankelijk werkwoord〉2 stimuleren ⇒ bevorderen, promoten, voorthelpen, pushen3 druk uitoefenen op ⇒ lastig vallen, aandringen bij♦voorbeelden:1 push the button • op de knop/bel drukkenpush the car • de auto aanduwenpush a door open • een deur openduwenhe pushes the matter too far • hij drijft de zaak te ver doordon't push your sister to take that decision • zet je zus niet aan tot dat besluitpush one's way through a crowd • zich een weg banen door een menigteI pushed myself to do it • ik dwong mezelf het te doen〈informeel; figuurlijk〉 push someone about/around • iemand ruw/slecht behandelen; iemand commanderen, iemand met minachting behandelenthey pushed our work aside • ze schoven ons werk terzijde; 〈 figuurlijk〉 ze gaven ons werk geen kanspush back one's hair • zijn haar naar achteren strijkenpush back the enemy • de vijand terugdringenhe was pushed down • hij werd ondergeduwdpush oneself forward • zich op de voorgrond dringenpush someone forward as a candidate • iemand als kandidaat naar voren schuivenpush over a lady • een dame omverlopenpush over a table • een tafel omgooienthat pushed prices up • dat joeg de prijzen omhoogpush someone into action • iemand tot actie dwingenthe disaster pushed all other news off the front pages • de ramp verdrong al het andere nieuws van de voorpagina'spush one's work onto someone else • zijn werk op iemand anders afschuiven/aan iemand anders opdringenshe pushed him to the verge of suicide • ze dreef hem bijna tot zelfmoordpush oneself • zichzelf promoten, zichzelf weten te verkopen3 don't push your luck (too far)! • stel je geluk niet te veel op de proef!he is pushed (for time/money) • hij heeft bijna geen tijd/geld, hij zit krap (in zijn tijd/geld)he pushed me for money • hij probeerde geld van mij los te krijgen¶ push home • uitvoeren, toedienen, krachtig ondernemen/uiteenzettenthe attack was pushed home with considerable force • de aanval werd met veel kracht uitgevoerd -
98 reprisal raid
→ reprisal attack reprisal attack/ -
99 safe
adj. veilig; zeker; voorzichtig; heel; niet gevaarlijk--------n. brandkast, (bewaar)kluissafe1[ seef] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 brandkast ⇒ (bewaar)kluis, safe(loket)————————safe2〈bijvoeglijk naamwoord; safeness〉1 veilig ⇒ beschermd, beschut2 veilig ⇒ zeker, gevrijwaard3 betrouwbaar ⇒ vertrouwd, gegarandeerd♦voorbeelden:safe from attack • beveiligd tegen aanvallenas safe as houses • zo veilig als een huisbe on the safe side • het zekere voor het onzekere nemenbetter (to be) safe than sorry • beter blo Jan dan do Janin safe keeping • in veilige bewaringit's safe to say • je kunt gerust zeggenplay it safe • op veilig spelen/geen risico nemen〈 spreekwoord〉 it's better to be safe than sorry • beter hard geblazen dan de mond verbrand; beter een kwaaie loop dan een kwaaie koopthe party has twenty safe seats • de partij kan zeker rekenen op twintig zetels -
100 see
n. (aarts)bisschopszetel; (aarts)bisschopsdom--------v. zien; begrijpen; oppassen op; er zeker van zijn; begeleiden; ontmoetensee1[ sie:] 〈 zelfstandig naamwoord〉♦voorbeelden:————————see21 nadenken ⇒ bekijken, zien♦voorbeelden:1 let me see • wacht eens, even denken1 zien ⇒ kijken (naar), aankijken tegen2 zien ⇒ (het) begrijpen, (het) inzien3 toezien (op) ⇒ opletten, ervoor zorgen, zorgen voor♦voorbeelden:things seen • waargenomen dingen/zaken 〈 tegenover wat in de verbeelding bestaat〉worth seeing • de moeite waard, opmerkelijkI cannot see him doing it • ik zie het hem nog niet doengo and see! • ga dan/maar kijken!we shall see • we zullen wel zien, wie weetsee into a matter • een zaak onderzoeken〈 figuurlijk〉 see through someone/something • iemand/iets doorzien/doorhebbenas far as I can see • volgens mijI see • (o,) ik begrijp hetas I see it • volgens mij〈 informeel〉 see? • snap je?see about/after • zorgen voor, iets doen aan; onderzoekensee to it that • ervoor zorgen dat5 bezoeken ⇒ opzoeken, langs gaan bij7 meemaken ⇒ ervaren, getuige zijn van♦voorbeelden:3 see you (later)!, (I'll) be seeing you! • tot ziens!, tot kijk!I'd like to see more of you • ik zou je wel vaker willen ziensee a lot of someone • iemand veel/vaak zien/ontmoetensee the town • de stad bezichtigensee over/round a house • een huis bezichtigensee someone about something • iemand over iets raadplegen/advies vragensee the new year in • het nieuwe jaar inluidensee the old year out • het oude jaar uitluidensee someone in • iemand binnenlatensee someone off at the station • iemand uitwuiven op het stationsee someone out • iemand uitlatenI'll see you through • ik help je er wel doorheenhave enough money to see one through the month • genoeg geld hebben om de maand door te komensee someone to the door • iemand uitlatensee something out/through • iets tot het einde volhouden/doorzetten
См. также в других словарях:
attack — vb Attack, assail, assault, bombard, storm are comparable not only in their military but also in their extended senses. All carry as their basic meaning to make a more or less violent onset upon. Attack originally connoted a fastening upon… … New Dictionary of Synonyms
Attack No. 1 — アタックNo.1 (Atakku No. 1) Genre Sports, Drama Manga … Wikipedia
Attack — is a word meaning to strike out at an opponent, among other definitions.It can also refer to: *Angle of attack, a term used in aerodynamics * The Attack (Animorphs), the twenty sixth book in the Animorphs series * Attack! (board game), a 2003… … Wikipedia
Attack No. 1 — アタック No.1 (Atakku No. 1) Género romance, deportes (Voleibol) Manga Creado por Chikako Urano Editorial … Wikipedia Español
Attack No. 1 — アタックNo.1 (Лучшая подача) Жанр спокон, драма … Википедия
Attack — At*tack , v. t. [imp. & p. p. {Attacked}; p. pr. & vb. n. {Attacking}.] [F. attaquer, orig. another form of attacher to attack: cf. It. attacare to fasten, attack. See {Attach}, {Tack} a small nail.] 1. To fall upon with force; to assail, as with … The Collaborative International Dictionary of English
attack — at·tack n: an attempt to prove something invalid or incorrect esp. through judicial procedures made an attack on the will as not properly witnessed; specif: an attempt to have the judgment of a court corrected or overruled collateral attack: an… … Law dictionary
Attack — «Attack» Сингл 30 Seconds to Mars из альбома A Beautiful Lie … Википедия
Attack — Saltar a navegación, búsqueda «Attack» Sencillo de 30 Seconds to Mars del álbum A Beautiful Lie Publicación … Wikipedia Español
attack — [ə tak′] vt. [Fr attaquer < It attaccare < * estaccare < Goth * stakka, stake: see STICK] 1. to use force against in order to harm; start a fight with; strike out at with physical or military force; assault 2. to speak or write against,… … English World dictionary
attack — [n1] physical assault advance, aggression, assailing, assailment, barrage, blitz, blitzkrieg, charge, defilement, dirty deed*, drive, encounter, encroachment, foray, incursion, initiative, inroad, intervention, intrusion, invasion, irruption,… … New thesaurus