-
1 wagon
wagon [vaagõ]〈m.〉1 wagon ⇒ wagen, rijtuig♦voorbeelden:wagon à bestiaux • beestenwagenwagon frigorifique • koelwagenm1) wagon, rijtuig3) heel veel -
2 wagon de tête
wagon de tête -
3 wagon-restaurant
-
4 wagon de première classe
wagon de première classeDictionnaire français-néerlandais > wagon de première classe
-
5 wagon frigorifique
wagon frigorifique -
6 wagon à bagages
wagon à bagages -
7 wagon à bestiaux
wagon à bestiaux -
8 wagon-citerne
-
9 wagon-lit
-
10 wagon-poste
-
11 station-wagon
-
12 vert wagon
vert wagon -
13 tête
tête [tet]〈v.〉1 hoofd ⇒ kop, gezicht5 kop ⇒ top, bovenkant, voorste gedeelte♦voorbeelden:1 avoir, être une tête à claques, à gifles • een irritant koppie, een rotkop hebbentête de mort • doodshoofd, doodskopune tête de six pieds de long • een lang gezicht, een gezicht als een oorwurmde la tête aux pieds • van top tot teenêtre la tête de Turc, servir de tête de Turc • het mikpunt, pispaaltje zijndonner tête baissée dans qc. • blindelings, zonder te kijken ergens op inlopen, tegenaan lopen; 〈 ook〉 er blindelings inlopenavoir une bonne tête • er betrouwbaar, intelligent uitzien, een sympathieke kop hebbence sont deux têtes sous un même bonnet • dat zijn twee handen op één buiktomber la tête la première • voorovervallenla tête renversée • met het hoofd naar achterensale tête • gemene kopcourir tête baissée • lopen zo snel als men kandonner sa tête à couper • zijn hoofd eronder durven verweddenen faire une tête • een lang gezicht zettenjeter qc. à la tête de qn. • iemand iets naar het hoofd slingeren, iemand iets verwijtenrompre la tête à qn. • iemand de oren van het hoofd schreeuwentourner la tête • het hoofd afwenden2 c'est, il a une tête en l'air, tête sans cervelle, tête de linotte, tête d'oiseau • hij is een leeghoofd, heeft de hersens van een garnaal, gedraagt zich als een kip zonder kopavoir une tête de cochon, de mule • koppig zijnêtre une tête de cochon, de lard, de mule, de pioche • een stijfkop zijnmettre la tête à l'envers à qn. • iemand het hoofd op hol brengentête brûlée • heethoofdavoir la tête chaude • een heethoofd, driftkop zijnavoir la tête fêlée • een beetje getikt zijnune forte tête • iemand met een eigen wil, dwarskopavoir la tête froide • koelbloedig zijn〈 informeel〉 une grosse tête • een knappe kop, superintelligent persoon〈 informeel〉 avoir une, la grosse tête • pretenties, praatjes hebben〈 informeel〉 petite tête! • domkop!, sufferd(je)!examiner, réfléchir à tête reposée • rustig, op z'n gemak bekijken, overdenkenavoir la tête solide • veel aan zijn hoofd kunnen hebbenavoir toute sa tête • bij zijn volle verstand zijnavoir la tête vide • niet (meer) kunnen nadenken, zich niets meer kunnen herinnerenavoir de la tête • een goed verstand hebbenavoir la tête à ce qu'on fait • zijn hoofd, zijn aandacht bij zijn werk hebbenavoir la tête près du bonnet • een heethoofd, driftkop zijncasser, fendre la tête à qn. • iemand op zijn zenuwen werken, irriterense casser la tête contre les murs • met zijn hoofd tegen de muur lopen, wanhopig zijnchercher dans sa tête • proberen zich iets te herinnerense creuser la tête • z'n hersens pijnigenéchauffer la tête • iemand nijdig, woedend makenn'en faire qu'à sa tête • precies doen waar men zin in heeftfourrer, mettre qc. dans la tête • iets in het hoofd prentense mettre dans la tête, en tête de 〈+ onbepaalde wijs〉 • zich in het hoofd halen, zetten omse mettre dans la tête, en tête que 〈+ aantonende wijs〉 • zich in het hoofd halen, zetten dat, zich inbeelden datidée qui passe par la tête de qn. • idee dat zomaar bij iemand opkomtperdre la tête • het hoofd, zijn verstand verliezen, gek wordenle vin lui tourne la tête • de wijn stijgt hem naar het hoofdtourner la tête à qn. • iemand het hoofd op hol brengenavoir la tête ailleurs • er met zijn gedachten niet bij zijn, afwezig zijn〈 spreekwoord〉 quand on n'a pas de tête, il faut avoir des jambes • wie zijn hoofd vergeet, moet zijn benen gebruikende tête • uit het hoofd, in gedachtenavoir une idée (de) derrière la tête • iets in zijn achterhoofd hebbense mettre à la tête, prendre la tête de • de leiding nemen overà la tête, en tête de • aan het hoofd, aan de leiding vanpar tête • per persoon, per mantête d'ail • knoflookbolletjetête d'épingle • speldenknoptête de ligne • kopstation, beginpunt van een lijntête du lit • hoofdeinde van het bedtête de pipe • pijpenkopvirer tête à queue • helemaal om zijn as draaien, een draai van 180 graden makenwagon de tête • voorste wagontête nucléaire • atoomkopmusique en tête • de muziek vooropcôté tête • kop(zijde), kruisavoir la tête sur les épaules • met beide benen op de grond staanmauvaise tête • dwarsligger, lastpostfaire la mauvaise tête • koppig zijn, dwars liggense cogner, se taper la tête contre les murs • wanhopig naar een oplossing zoekenne plus savoir où donner de la tête • niet meer weten waar te beginnen, overstelpt zijn met werkfaire la tête (à qn.) • mokken (tegen iemand), boos zijn (op iemand)se jeter à la tête de qn. • toenadering zoeken tot iemand, zich bij iemand opdringenlaver la tête à qn. • iemand een flinke uitbrander gevenmonter la tête à qn. • iemand tegen iemand opzettense monter la tête • zich ergens over opwinden, spoken ziense payer (doucement) la tête de qn. • iemand (stiekem) voor de gek houdenpiquer une tête • een duik nemen, duikenredresser, relever la tête • zijn zelfvertrouwen herwinnenrisquer, sauver sa tête • zijn leven wagen, het er levend van afbrengentenir tête • het hoofd bieden, standhoudenen avoir par-dessus la tête • er schoon genoeg van hebben, er de buik van vol hebbenf1) hoofd, kop2) gezicht3) leider4) kopbal5) top, bovenkant -
14 voiture
voiture [vwaatuur]〈v.〉1 auto ⇒ automobiel, wagen2 voertuig ⇒ rijtuig, wagen, kar♦voorbeelden:voiture de course • raceautovoiture de tourisme • personenautovoiture cellulaire • gevangenwagenvoiture décapotable • cabrioletpetite voiture • invalidenwagenvoiture piégée • autobomvoiture de maître • eigen rijtuigvoiture à bras • handkaren voiture • met de auto3 en voiture! • instappen!→ piedf1) auto2) rijtuig, wagon -
15 citerne
citerne [sietern]〈v.〉1 regenton ⇒ regenput, -bak, -tank5 tankschuitje ⇒ water-, olieschuit♦voorbeelden:1 eau de citerne • regenwater, water uit de regentonf1) regenbak2) tank, reservoir3) tank(auto, -boot, -wagon) -
16 classe
classe [klaas]〈v.; ook bijvoeglijk naamwoord〉2 categorie ⇒ groep, afdeling, soort, type, klasse4 klasse ⇒ distinctie, standing♦voorbeelden:classe laborieuse • werkende klasse, het gewone volkclasse ouvrière • arbeidersklassevoitures de même classe • auto's van hetzelfde typeclasse touriste • toeristenklassewagon de première classe • eersteklaswagonêtre d'une toute autre classe • van een heel ander kaliber zijnde classe • kwaliteits-→ luttedoubler une classe • blijven zitten, doublerenêtre de la classe • spoedig afzwaaienclasse de transition • schakel-, brugklasaller en classe • naar school gaanfaire ses classes • ervaring opdoenf1) categorie, groep2) rang, graad3) klas, leerjaar4) klaslokaal5) lesuur [school]6) lichting [leger] -
17 dételer
См. также в других словарях:
wagon — [ vagɔ̃ ] n. m. • 1829; « chariot de transport de houille » 1780; mot angl. 1 ♦ Véhicule sur rails, tiré par une locomotive; voiture d un train aménagée pour le transport des marchandises, des bestiaux... Wagon de marchandises, à bagages, à… … Encyclopédie Universelle
wagon- — ⇒WAGON , élém. de compos. Élém. entrant dans la constr. de subst. masc. du vocab. des ch. de fer; le 2e élém. est un subst.; les mots constr. désignent une voiture spécialement aménagée ou un type de wagon de marchandises. A. [Les mots constr.… … Encyclopédie Universelle
wagon — [wag′ən] n. [Du wagen < PGmc * wagna : see WAIN] 1. any of various types of four wheeled vehicles; specif., a) a horse drawn vehicle for hauling heavy loads b) a small cart pulled or steered by means of a pole handle and used by children in… … English World dictionary
Wagon — Wag on, n. [D. wagen. [root]136. See {Wain}.] [1913 Webster] 1. A wheeled carriage; a vehicle on four wheels, and usually drawn by horses; especially, one used for carrying freight or merchandise. [1913 Webster] Note: In the United States, light… … The Collaborative International Dictionary of English
wagon — (n.) 1520s, from M.Du. wagen, waghen, from P.Gmc. *wagnaz (Cf. O.E. wægn, Mod.Eng. wain, O.S., O.H.G. wagan, O.N. vagn, O.Fris. wein, Ger. Wagen), from PIE *woghnos, from *wegh to carry, to move (Cf. Skt. vahanam … Etymology dictionary
wagon — {{/stl 13}}{{stl 8}}rz. mnż I, D. u, Mc. wagonnie {{/stl 8}}{{stl 7}} pojazd torowy lub linowy służący do przewozu osób lub ładunków : {{/stl 7}}{{stl 10}}Wagon kolejowy, tramwajowy. Wagon sypialny, restauracyjny. <fr. z ang.> {{/stl 10}} … Langenscheidt Polski wyjaśnień
wagon — (Brit. also waggon) ► NOUN 1) a vehicle, especially a horse drawn one, for transporting goods. 2) Brit. a railway freight vehicle; a truck. 3) chiefly N. Amer. a wheeled cart or hut used as a food stall. ● on the wagon Cf. ↑on the wagon … English terms dictionary
Wagon — Wag on, v. t. [imp. & p. p. {Wagoned}; p. pr. & vb. n. {Wagoning}.] To transport in a wagon or wagons; as, goods are wagoned from city to city. [1913 Webster] … The Collaborative International Dictionary of English
Wagon — Wag on, v. i. To wagon goods as a business; as, the man wagons between Philadelphia and its suburbs. [1913 Webster] … The Collaborative International Dictionary of English
Wagon — Assez courant dans le Nord Pas de Calais et en Belgique (variante : Waghon), attesté depuis le début du XIIIe siècle, pourrait être le cas régime du nom de personne germanique Wago. Autre possibilité : terme désignant un Gascon, sachant que les… … Noms de famille
wagōn — *wagōn germ., schwach. Verb: nhd. bewegen; ne. move (Verb); Rekontruktionsbasis: an., ae., as., ahd.; Etymologie: idg. *u̯eg̑ʰ , Verb … Germanisches Wörterbuch