-
1 mort-née
-
2 dernière-née
-
3 première-née
-
4 alors
alors [aalor]〈 bijwoord〉1 toen2 dan3 nou♦voorbeelden:alors même que • zelfs al2 et (puis) alors? • en wat dan nog?, wat zou dat?ou alors • of andersalors? • en?3 non mais alors! • nee maar!alors, ça va? • en, hoe is het?ça alors • nee maar, nee toch〈 informeel〉 alors, tu viens? • kom je nou?1. adv1) dan, toen, destijds2) in dat geval2. alors queconjook al, terwijl3. interj -
5 non
non [nõ]〈bijwoord; ook m.〉♦voorbeelden:un non • nee(n)c'est un conseil et non (pas) un ordre • 't is een raad en geen bevelnon seulement … mais (encore) • niet alleen … maar ookc'est triste, non? • dat is droevig, hè?1. adv 2. interj -
6 faire
faire1 [fer]〈m.〉1 〈 beeldende kunst, literatuur〉manier van schrijven, schilderen, beeldhouwen ⇒ stijl, techniek, wijze van uitvoering→ dire————————faire2 [fer]1 maken2 doen9 zeggen ⇒ antwoorden 〈zie voor uitdrukkingen die hier niet vermeld zijn de betreffende zelfstandige naamwoorden〉♦voorbeelden:ce faisant • daarbijque faire? • wat te doen?mais qu'est-ce qu'ils font! • wat spoken ze toch uit!qu'est-ce que vous faites dans la vie? • wat doet u (voor de kost)?quoi qu'on fasse, il n'est jamais content • wat men ook doet, hij is nooit tevredenpour quoi faire? • waarvoor?, waarom?il ne fait rien à l'école • hij presteert niets op schoolje ne peux pas faire autrement • ik kan niet andersil a bien fait • dat heeft hij goed gedaanfaire bien, mal de 〈+ onbepaalde wijs〉 • er goed, verkeerd aan doen tecomment avez-vous fait pour résoudre ce problème? • hoe heeft u dit probleem opgelost?3 faire de l'anglais • 〈 aan de universiteit〉 Engels studeren; 〈 op school〉 Engels leren; 〈 in vrije tijd〉 aan Engels doenfaire de l'aviron, de la natation, de la voile • roeien, zwemmen, zeilenil a fait les Beaux-Arts • hij heeft de academie voor beeldende kunsten doorlopenfaire que 〈+ aantonende wijs〉 • ten gevolge hebben dat, veroorzaken dat〈 onpersoonlijk, van tijd〉 ça fait quinze jours que je ne l'ai pas vu • ik heb hem sinds veertien dagen niet geziencent centimètres font un mètre • honderd centimeter is een meteril fait un mètre quatre-vingts • hij is 1,80 m (lang)quelle pointure faites-vous? • welke maat (schoenen) heeft u?je fais du quarante • ik heb maat veertigquatre et trois font sept • vier en drie maakt, is zevencombien fais-tu? • hoe groot, zwaar ben jij?combien ça fait? • hoeveel is dat?il me fait penser à mon oncle • hij doet me aan mijn oom denkenfaire rire qn. • iemand aan het lachen makenfaire savoir (à qn.) que • (iemand) mededelen datfaire traverser la rue à qn. • iemand de straat helpen overstekenfaire l'idiot • zich van den domme houden; gek doen9 sans doute, fit-il, vous avez raison • ongetwijfeld, antwoordde, zei hij, u heeft gelijkmon manteau fera l'hiver • met mijn jas kom ik de winter nog wel doorune bouteille de whisky me fait six mois • ik doe zes maanden met een fles whiskyest-ce qu'il a déjà fait sa rougeole? • heeft hij al mazelen gehad?faire jeune • er jong uitzienvotre cravate fait sérieux • door uw das ziet u er serieus uitsi tu fais cela, tu auras à faire à moi • als je dat doet, dan krijg je het met mij aan de stokavoir à faire à, avec • te doen, te maken hebben metn'avoir que faire de qc. • iets niet nodig hebbenêtre fait pour • bestemd, geschikt zijn voor〈 informeel〉 (il) faut le faire! • doe het maar eens na!ça fait une heure que je t'attends • ik wacht al een uur op jeen faire (à sa tête) • zijn eigen gang gaanje n'en ferai rien! • ik denk er niet aan!en faire tout un drame • er een drama van maken〈 informeel〉 on ne me la fait pas! • ik ben niet van gisteren!qu'est-ce que cela fait? • wat zou dat?qu'est-ce que ça peut bien vous faire? • wat kan u dat eigenlijk schelen?qu'est-ce que vous voulez que ça me fasse? • wat maakt het mij uit?ça ne fait rien • dat doet er niet toerien à faire! • niets daarvan!, nee is nee!rien n'y fit • niets hielpnous ne pouvons rien y faire • wij kunnen er niets aan doencela y fait beaucoup • dat maakt veel uitça fait bien de 〈+ onbepaalde wijs〉 • het is in de mode, het staat goed tec'est bien fait! • goed zo!c'est bien fait (pour lui)! • net goed!, lekker!il ne fait que commencer • hij begint pasne faire qu'entrer et sortir • even bij iemand aanwippenne faire que (de) 〈+ onbepaalde wijs〉 • zo pas, net, juist iets gedaan hebbencela ne fait rien à l'affaire • dat verandert niets aan de zaakqu'est-ce que tu as fait de mes clefs? • wat heb je met mijn sleutels gedaan?ne pas pouvoir faire que • niet kunnen verhinderen dat〈 kaartspel〉 c'est à qui de faire? • wie geeft?faites! • ga uw gang!ce n'est ni fait ni à faire • het is knoeiwerkje le connais comme si je l'avais fait • ik ken hem door en door1 tot stand komen ⇒ ontstaan, gemaakt worden3 worden4 beter, rijper worden6 gebruikelijk zijn 〈zie voor uitdrukkingen die hier niet vermeld zijn de betreffende zelfstandige naamwoorden〉♦voorbeelden:〈 informeel〉 comment que ça se fait? • hoe komt dat?〈 handel〉 se faire en acajou, en bleu • in mahonie, in blauw vervaardigd worden, leverbaar zijn〈 onpersoonlijk〉 il pourrait bien se faire que 〈+ aanvoegende wijs〉 • het is niet onwaarschijnlijk datse faire vieux • oud worden, verouderense faire à une idée • aan een idee wennença ne se fait pas! • dat, zoiets doet men niet!se faire les ongles • zijn nagels verzorgense faire une tasse de café • een kopje koffie voor zichzelf makense faire couper les cheveux • zijn haren laten knippense faire faire un costume • (zich) een pak laten makens'en faire • zich zorgen maken, zich ongerust makenne pas s'en faire • zich niet druk maken, zich nergens iets van aantrekken; 〈 ook〉 zich niet generen(ne) t'en fais pas! • (maak je maar) geen zorgen!, maak je niet dik!〈 informeel〉 il faut se le, la faire • het leven met hem, haar is geen lolletje♦voorbeelden:il fait nuit • het is nachtquel temps fait-il? • wat voor weer is het?par le temps qu'il fait • met dit weeril fait beau • het is mooi weercombien il fait aujourd'hui? • hoeveel graden is het vandaag?1. v1) maken2) doen3) doen (aan) [sport, muziek, etc.]4) afleggen [afstand]5) veroorzaken6) zijn [maten, rekenen]7) doen (alsof), spelen8) antwoorden2. se fairev2) gebeuren3) worden4) beter/rijper worden5) wennen (aan)3. il faitv -
7 mais
mais1 [me]〈 bijwoord〉1 jazeker ⇒ heus, beslist♦voorbeelden:1 il ne sait rien, mais rien! • hij weet niets, maar dan ook absoluut niets!non mais (des fois)! • nee zeg, nou nog mooier!tu viendras? mais oui, mais certainement! • kom je? ja zeker, ja beslist!mais oui! • welja!ah, mais! • nee maar!————————mais2 [me]〈voegwoord; ook m.〉1 maar ⇒ evenwel, echter♦voorbeelden:1 non seulement …, mais (mais encore, mais aussi, mais même, mais en outre) • niet alleen …, maar ook (maar zelfs, maar bovendien)〈 zelfstandig〉 pas de mais! • geen maren!1. advjazeker, beslist2. conjmaar, echter -
8 maïs
mais1 [me]〈 bijwoord〉1 jazeker ⇒ heus, beslist♦voorbeelden:1 il ne sait rien, mais rien! • hij weet niets, maar dan ook absoluut niets!non mais (des fois)! • nee zeg, nou nog mooier!tu viendras? mais oui, mais certainement! • kom je? ja zeker, ja beslist!mais oui! • welja!ah, mais! • nee maar!————————mais2 [me]〈voegwoord; ook m.〉1 maar ⇒ evenwel, echter♦voorbeelden:1 non seulement …, mais (mais encore, mais aussi, mais même, mais en outre) • niet alleen …, maar ook (maar zelfs, maar bovendien)〈 zelfstandig〉 pas de mais! • geen maren!m -
9 mort-né
-
10 néo-calédonien
néo-calédonien [nee.okkaaleedonjẽ],néo-calédonienne [nee.okkaaleedonjen]〈bijvoeglijk naamwoord; ook m., v.〉♦voorbeelden:1 un(e) Néo-Calédonien(ne) • Nieuw-Caledoniër, Nieuw-Caledonische -
11 rien à faire!
rien à faire!niets daarvan!, nee is nee! -
12 ça alors
nee maar, nee toch -
13 en
en1 [ã]1 〈vervangt een zelfstandig naamwoord (zaaknaam) voorafgegaan door ‘de’ als vast voorzetsel van werkwoord, bijvoeglijk naamwoord of bijwoord〉 ervan ⇒ daarvan, erover, daarover, erop, daarop, ermee, daarmee 〈enz.〉2 〈 vervangt een zelfstandig naamwoord (zaaknaam) dat weggelaten is, of wordt gebruikt bij woorden en uitdrukkingen die hoeveelheden aangeven〉 er(van)♦voorbeelden:il prit un bâton et l'en frappa • hij pakte een stok en sloeg hem ermeeje lui en parlerai • ik zal er met hem over pratenje suis reçu au baccalauréat et j'en suis fier • ik ben voor het eindexamen (middelbare school) geslaagd en ik ben er trots opil en tirera un joli bénéfice • hij zal daar een aardig slaatje uit slaan2 combien de livres avez-vous? j'en ai plusieurs • hoeveel boeken heeft u? ik heb er verscheideneavez-vous des timbres postes? non, je n'en ai plus • heeft u ook postzegels? nee, ik heb er geen meerj'en ai • ik heb er watje n'en ai pas • ik heb er geenvoilà des fruits, prenez-en quelques-uns • hier is fruit, neem er wat van3 j'ai un coffre-fort mais j'en ai perdu la clef • ik heb een brandkast maar ik heb de sleutel ervan verloren————————en2 [ã]〈 bijwoord〉4 〈 wordt niet vertaald〉♦voorbeelden:1 elle en sort • zij komt eruit, zij komt er vandaans'en retourner • rechtsomkeert maken, teruggaanils en sont venus aux mains • ze zijn slaags geraakt————————en3 [ã]〈 voorzetsel〉1 〈 voor namen van landen, landstreken, tijd, hoedanigheid〉in ⇒ te, tijdens, per, bij 〈 blijft soms ook onvertaald〉7 aan♦voorbeelden:en mon absence • in, tijdens mijn afwezigheidteneur en alcool • alcoholgehalteen automne • in de herfstcompte en banque • bankrekeningen classe • in de klas, op schooltélévision en couleur • kleurentelevisieen croix • gekruistdocteur en droit • meester in de rechtenarbres en fleurs • bomen in bloeien France • in Frankrijken dix minutes • in tien minutenpromenade en vélo • fietstochtje, een eindje om per fietsen général • in het algemeenaller en ville • de stad ingaan, naar de stad gaanaller en voiture • per auto gaanêtre fort en mathématiques • goed in wiskunde zijnpeindre qc. en bleu • iets blauw verventraduire un texte en allemand • een tekst in het Duits vertalenil y a en lui qc. de mystérieux • hij heeft iets geheimzinnigsen moi-même, je pensais … • ik dacht bij mezelf …cela ne me concerne en rien • dat gaat mij niets aancela fait en tout deux cents francs • dat is dan in het totaal tweehonderd frankfaire les choses en grand • de zaken groots aanpakkense déguiser en arlequin • zich als clown vermommenen cercle • cirkelvormigparler en connaisseur • als een kenner pratenen ce moment • op dit ogenbliken ce monde • op deze werelden sabots • op klompenen Sicile • op Siciliëêtre en voyage • op reis zijnen arrière • naar achterenen avant • naar vorenen entrant il dit bonjour • bij het binnenkomen groette hijpauvre en matières premières • arm aan grondstoffen1. proner(van), erover, erop, etc.2. adv1) ervandaan, eruit2) daarom, erom, erdoor3) op weg3. prép1) in, te, tijdens, per, bij, naar [landen]2) als, -vormig [eigenschap]3) op [plaats, tijd]4) bij het5) tot [begin-, eindpunt]6) aan7) van [materiaal]8) over [tijd] -
14 engrener
-
15 mener
mener [mənee]♦voorbeelden:→ chemin¶ ne pas en mener large • in de puree zitten, in de rats zittenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 〈+ à〉 (weg)brengen (naar) ⇒ meenemen (naar), vervoeren (naar) ⇒ 〈 dieren〉 voor zich uit drijven ⇒ 〈 figuurlijk〉 er toe brengen (te)2 leiden ⇒ leiding geven aan, besturen3 leiden ⇒ (uit)voeren, aanpakken♦voorbeelden:cela peut vous mener loin • dat kan nare gevolgen voor u hebbencela ne vous mènera pas loin • daar komt u niet erg ver meemener qn. durement • iemand hard aanpakkenêtre mené par qn. • onder iemands knoet zittenv1) leiden (naar), lopen (naar)2) op kop liggen [sport]4) leiden, besturen5) uitvoeren, aanpakken -
16 merci
merci [mersie]I 〈m.; ook tussenwerpsel〉1 dank ⇒ dankbetuiging, bedankje♦voorbeelden:1 grand merci! • hartelijk dank!merci beaucoup, bien • bedankt, dank u wel〈 schertsend〉 ah ça, bien merci! • dat? nee, dank je wel!merci de, pour • bedankt voorII 〈v.〉1 genade ⇒ erbarmen, medelijden♦voorbeelden:1 Dieu merci! • goddank!crier, demander merci • om genade smekensans merci • meedogenloosà merci • naar believen1. mdank, bedankje2. f1) genade2) willekeur3. merci!interj -
17 mince
mince [mẽs]1 dun ⇒ smal, slank2 onbeduidend ⇒ gering, pover→ affaire1. adj1) dun, slank2) onbeduidend, gering2. interj -
18 néant
néant [nee.ã]〈m.〉1 (het) niets ⇒ (het) niet-bestaan, dood2 nietigheid ⇒ vergankelijkheid, onbeduidendheid3 〈 formeel〉voorwerp, persoon zonder waarde♦voorbeelden:1 réduire à néant • vernietigen, tenietdoensignes particuliers: néant • bijzondere kenmerken: geenm1) niets2) nietigheid3) nul, persoon zonder waarde -
19 néon
-
20 nez
nez [nee]〈m.〉1 neus♦voorbeelden:nez d'un animal • snuit van een diernez en bec d'aigle • haviksneusnez en pied de marmite • brede mopsneusnez en trompette • wipneusle nez au vent • met onbezonnen uitdrukking, neus in de wind 〈 jachthond〉nez aquilin • haviksneusfaux nez • feestneusnez fin • fijne neus, speurneusça sent les roses à plein nez • het ruikt hier sterk naar rozenavoir le nez pris • verkouden zijnnez retroussé • wipneusallonger le nez • teleurgesteld kijkenavoir du nez • een fijne neus (voor iets) hebbenbaisser le nez • zich schamenil s'est cassé le nez • hij is misluktse casser le nez à la porte de qn. • z'n neus stoten bij iemandfaire un (long) nez, drôle de nez • op zijn neus kijkense manger le nez • elkaar in de haren vliegenmontrer le nez • zich even laten ziencela lui pend au nez • dat hangt hem, haar boven het hoofd〈 informeel〉 tordre le nez • de neus optrekken, ontevreden zijnil fourre son nez partout • hij steekt overal zijn neus inse trouver nez à nez • plotseling voor iemands neus staandire qc. au nez de qn. • iemand iets recht in zijn gezicht zeggenau nez et à la barbe de qn. • waar iemand bijstaatparler du nez • door de neus sprekenpasser qc. sous le nez de qn. • iemand iets door de neus borenpasser sous le nez de qn. • iemands neus voorbijgaancela se voit comme le nez au milieu de la figure • dat is zonneklaarm1) neus2) kaap, punt
См. также в других словарях:
née — née … Dictionnaire des rimes
Nee — may refer to: * Née or Nee, indicating a maiden name * NEE, a political party in Flanders, Belgium * Ne e? , a 2003 single by Aya MatsuuraPeople with the family name* Luis Née (fl. 1789 1794), a Franco Spanish botanistee also*Ni (disambiguation)… … Wikipedia
née — née, né Née is the feminine form of the French adjective meaning ‘born’ and is traditionally used to identify the maiden name of a married woman: Mrs Ann Smith, née Jones. In other cases it is used to denote the original name of a woman who has… … Modern English usage
née — [neı] [Date: 1700 1800; : French; Origin: , feminine form of né born ] used to say what a married woman s family name was when she was born. Née is put after her married name and before her old name →↑maiden name ▪ Mrs Elizabeth Davis, née… … Dictionary of contemporary English
nee — or née [nā; nē] adj. [Fr, fem. of né, pp. of naître < L nasci, to be born: see GENUS] born: used to indicate the maiden name of a married woman [Mrs. Helen Jones, née Smith] … English World dictionary
Nee — (n[asl]), p. p., fem. [F., fr. L. nata, fem. of natus, p. p. of nasci to be born. See {Nation}.] Born; a term sometimes used in introducing the name of the family to which a married woman belongs by birth (i.e. her maiden name); as, Madame de… … The Collaborative International Dictionary of English
nee — introducing the maiden name of a married woman, 1758, from Fr. née, fem. pp. of naître born, from L. natus, pp. of nasci to be born (Old L. gnasci; see GENUS (Cf. genus)) … Etymology dictionary
née — ► ADJECTIVE (masc. né) ▪ born (used in citing a person s former name, especially a married woman s maiden name): Mrs. Hargreaves, née Liddell. ORIGIN French … English terms dictionary
nee — фр. (нэ) урожденная (указывается перед девичьей фамилией во многих странах мира). Толковый словарь иностранных слов Л. П. Крысина. М: Русский язык, 1998 … Словарь иностранных слов русского языка
nee — (Fr.) Word used to show maiden family name of a married woman. Short Dictionary of (mostly American) Legal Terms and Abbreviations … Law dictionary
nee — ↑ne1 … Langenscheidt Großwörterbuch Deutsch als Fremdsprache