-
61 eendracht maakt macht
eendracht maakt macht -
62 eendracht
♦voorbeelden: -
63 ergens de puf niet meer voor hebben
ergens de puf niet meer voor hebbenne plus avoir la force de faire qc.Deens-Russisch woordenboek > ergens de puf niet meer voor hebben
-
64 geestkracht
♦voorbeelden:geestkracht aan de dag leggen • faire preuve de fermeté -
65 gemaakt
1 [voorgewend; onnatuurlijk] 〈 bijvoeglijk naamwoord〉 affecté; 〈 bijwoord〉 d'une manière affectée⇒ faussement2 [kunstmatig vervaardigd] 〈 bijvoeglijk naamwoord〉 artificiel 〈v.: artificielle〉; 〈 bijwoord〉 artificiellement♦voorbeelden:een gemaakt lachje • un rire forcéeen gemaakte stem • une voix affectéegemaakte verwondering • (un) étonnement affectégemaakt vriendelijk • doucereuxgemaakt lachen • rire fauxgemaakt spreken • parler avec affectation -
66 gespierdheid
-
67 getalsterkte
♦voorbeelden: -
68 geur
♦voorbeelden:1 iets in geuren en kleuren vertellen • raconter qc. avec force détails -
69 geweld gebruiken
geweld gebruiken -
70 gewoon
1 [algemeen] ordinaire2 [gewend aan, vertrouwd met] habitué♦voorbeelden:de gewone betekenis van een woord • la signification courante d'un mothij is verschrikkelijk gewoon • il est terriblement ordinairehet gewone leven • la vie quotidiennede gewone manier van doen • la manière habituelleeen gewoon mens • un homme, une femme comme tout le mondedat is mijn gewone plaats • c'est ma place habituellegewone rechtbank • tribunal de droit commungewoon soldaat • simple soldatop het gewone tijdstip • à l'heure accoutuméegewone rode wijn • vin rouge ordinaireeindelijk ben ik weer gewoon • enfin je suis de nouveau moi-mêmeradio is nu iets heel gewoons • de nos jours la radio est quelque chose de banalgewoon zijn te, om • avoir l'habitude deII 〈 bijwoord〉1 [op de gebruikelijke wijze; in de gebruikelijke mate] normalement2 [ronduit gezegd] franchement3 [zonder meer] (tout) simplement♦voorbeelden:doe maar gewoon! • fais comme tout le monde!ga alsjeblieft gewoon zitten! • assieds-toi comme il faut!dat vlees is gewoon niet te eten • cette viande est franchement inmangeable't kan gewoon niet anders • c'est forcéje gaat gewoon naar hem toe • tu vas simplement le voir -
71 goedschiks of kwaadschiks
goedschiks of kwaadschiks -
72 goedschiks
1 [gewillig] de son (plein) gré2 [behoorlijk, betamelijk] convenablement♦voorbeelden:goedschiks of kwaadschiks • de gré ou de force -
73 greep
♦voorbeelden:een blinde greep • un pur hasardneem maar een goede greep • sers-toi bieneen ijzeren greep • une poigne de ferhij heeft een vaste greep op de zaak • il maîtrise la situationhij deed een greep in de zak • il a fait main basse sur le sac(geen) greep krijgen op iets • (n')avoir (aucune) prise sur qc.een greep in het wilde weg • un coup au hasardin de greep van de vijand • sous le coup de l'ennemimet een enkele greep • d'un seul coupeen greep naar de macht • un coup de force3 dat was een gelukkige greep • j'ai (tu as, il a, etc.) eu la main heureuseeen greep doen uit de mogelijkheden • faire un choix parmi les possibilitéseen greep uit het leven • une tranche de vie4 iemand de greep afkijken • imiter le coup de main de qn.de greep leren • prendre le coup de mainde greep van iets weten • s'y connaître -
74 grijs
1 [algemeen] gris2 [zeer oud] lointain♦voorbeelden:een grijs hoofd • une tête blanchehij is grijs geworden • il a blanchigrijs schilderen • peindre en grishij, zij wordt grijs • ses cheveux grisonnentgrijs van het stof • gris de poussièrehet grijs • le griszij was in het grijs • elle était en gris→ link=haar haarmaak het nou niet te grijs • n'exagère pas -
75 groeikracht
-
76 grof geweld
grof geweld -
77 grof
1 [groot van stuk] 〈 bijvoeglijk naamwoord〉 gros/grosse2 [ruw (bewerkt)] 〈 bijvoeglijk naamwoord〉 brut ⇒ 〈 ook figuurlijk〉 grossier 〈v.: grossière〉 ⇒ 〈 doek, vijl, vezel, zand〉 gros♦voorbeelden:die jongen is grof gebouwd • ce garçon est bâti en forcegrof papier • papier bruteen grof weefsel • un tissu grossiergrof zout • gros seliets grof schetsen • esquisser qc. à grands traitseen grove leugen • un grossier mensonge(een) grove nalatigheid • (une) négligence impardonnableeen grof schandaal • un vrai scandaleeen grove tegenstelling • un contraste crianteen grof woord • un gros motiemand grof behandelen • traiter qn. grossièrementdat is al te grof • c'est un peu grosnu maakt hij het te grof • maintenant, il y va trop forthet grove werk • les gros travauxgrove winst maken • faire de gros bénéfices -
78 hand
♦voorbeelden:op handen en voeten lopen, kruipen • marcher à quatre pattesin andere handen komen • changer de mainaan de beterende hand zijn • être en voie de guérisoneen gelukkige hand van gooien hebben • avoir la main chanceuseeen gemakkelijke hand van uitgeven hebben • dépenser sans compterdie zaak is in goede handen • cette affaire est en bonnes mainsgouden handen hebben • avoir des doigts de féemet harde hand opvoeden • élever à la dure(iemand) de helpende hand bieden • tendre une main secourable (à qn.)bevelen van hoger hand • ordres qui viennent d'en hautvan hoger hand is besloten dat • les autorités ont décidé que〈 figuurlijk〉 de laatste hand aan iets leggen • mettre la dernière main à qc.niet met lege handen komen • ne pas arriver les mains vides〈 figuurlijk〉 iets uit de losse hand doen • faire qc. par-dessus la jambemet losse handen rijden • rouler sans les mainsiemand de reddende hand toesteken • tendre la perche à qn.de sterke hand • (les agents de) la force publiquede politiek van de toegestoken hand • la politique de la main tenduemet vaste hand • d'une main assuréemet vaste, krachtige hand regeren • gouverner avec poignein vertrouwde handen zijn • être entre bonnes mainsde vlakke hand • la paumedat kost handen vol geld • ça coûte une (petite) fortunein vreemde handen overgaan • passer en d'autres mainsde handen vrij hebben • avoir les coudées franches〈 figuurlijk〉 iemand de vrije hand laten • donner carte blanche à qn.aan de winnende hand zijn • être en train de gagner〈 figuurlijk〉 de handen van iemand aftrekken • abandonner qn. à son sort〈 figuurlijk〉 de handen van iets aftrekken • se détourner de qc.〈 figuurlijk〉 iemand de handen binden • lier les mains à qn.iemand de hand drukken, geven, schudden • donner une poignée de main à qn.iemand de hand op iets geven • donner sa parole à qn.zij kunnen elkaar de hand geven • ils peuvent se donner la main〈 figuurlijk〉 de hand in iets hebben • être mêlé à qc.〈 figuurlijk〉 de hand aan iets houden • observer (scrupuleusement) qc.de hand op iets, iemand leggen • mettre la main sur qc., qn.de hand lezen • lire (dans) les lignes de la mainde hand met iets lichten • 〈 't niet zo nauw nemen〉 prendre qc. à la légère; 〈 zich ervan afmaken〉 bâcler qc.hij heeft de handen los aan zijn lijf zitten • il n'a pas les bras gourds〈 figuurlijk〉 zijn hand niet voor iets omdraaien ↓ faire qc. les doigts dans le nez〈 figuurlijk〉 de hand(en) tegen iemand opheffen • lever la main contre qn.iemand de hand reiken, toesteken • tendre la main à qn.; 〈 helpen〉 donner un coup de main à qn.de hand aan de ploeg, aan het werk slaan • se mettre à l'ouvragezijn handen niet thuis kunnen houden • 〈 slaan〉 avoir la main leste; 〈 betasten〉 avoir la main baladeuse; 〈 stelen〉 laisser traîner ses mains partout〈 figuurlijk〉 iemand de handen vullen • graisser la patte à qn.〈 figuurlijk〉 iemands handen zalven • graisser la patte à qn.mijn hand erop! • c'est promis!handen omhoog! • haut les mains!streng de hand houden aan de voorschriften • être à cheval sur le règlementhanden thuis! • bas les pattes!〈 figuurlijk〉 iemand iets aan de hand doen • suggérer qc. à qn.hand aan (in) hand gaan • marcher la main dans la main〈 figuurlijk〉 iets achter de hand hebben • avoir qc. en réserve〈 figuurlijk〉 iets bij de hand nemen • entreprendre qc.〈 figuurlijk〉 iets bij de hand hebben • avoir qc. à portée de la mainin de handen klappen • battre des mainsin handen vallen van de politie • tomber aux mains de la policegoed, gemakkelijk in de hand liggen • être maniablezijn toekomst is in mijn handen • son avenir est entre mes mainsiemand iets in handen spelen • faire passer discrètement qc. à qn.iets met het bewijs in handen aantonen • démontrer qc. preuves en main〈 figuurlijk〉 iemand in handen vallen • tomber entre les mains de qn.〈 figuurlijk〉 iemand iets in handen geven • confier qc. à qn.hij wil met de hand aan de hemel reiken • il veut décrocher la lunemet de handen werken • travailler de ses mains〈 figuurlijk〉 met de hand op het hart iets verklaren • déclarer qc. la main sur le coeurmet de hand genaaid • cousu (à la) mainzich met hand en tand verzetten • se défendre comme un lion〈 figuurlijk〉 iemand naar zijn hand stellen • manipuler qn.〈 figuurlijk〉 iemand naar zijn hand zetten • mettre qn. dans sa pocheiets om handen hebben • avoir qc. à faire〈 figuurlijk〉 iets onder handen hebben • travailler à qc.〈 figuurlijk〉 iemand onder handen nemen • passer un savon à qn.op (met) de hand wassen • laver à la mainde hand op de knip houden • être près de ses soushand over hand toenemen • aller en augmentantiemand iets ter hand stellen • remettre qc. à qn. (en mains propres)iemand het werk uit de handen nemen • décharger qn. d'un travailer komt niets uit zijn handen • il n'arrive à rien (de bon)uit de hand eten • 〈letterlijk; m.b.t. dieren〉 accepter la nourriture dans la main de qn.; 〈 figuurlijk〉 manger dans la mainuit de eerste hand • de première mainvlug van de hand gaan • se vendre comme des petits painsiets van de hand doen • écouler qc.van hand tot hand gaan • passer de main en maingeen hand voor iemand, iets uitsteken • ne pas lever le petit doigt pour aider qn., faire qc.hij heeft er geen hand naar uitgestoken • il n'y a pas touchéhet zijn twee handen op één buik • ils s'entendent comme larrons en foire¶ wat is er daar aan de hand? • qu'est-ce qui se passe?alsof er niets aan de hand was • comme si de rien n'étaitiets in de hand werken • aider à qc.dat werkt misdaad in de hand • c'est une incitation au crimeiemand op zijn hand krijgen • mettre qn. de son côtéop iemands hand zijn • être du côté de qn.op handen zijn • être imminentvan de hand in de tand leven • vivre au jour le joureen voorstel van de hand wijzen • repousser une propositionbeschuldigingen van de hand wijzen • rejeter des accusationseen uitnodiging van de hand wijzen • décliner une invitation→ link=vogel vogel -
79 handkracht
-
80 heerkracht
См. также в других словарях:
force — [ fɔrs ] n. f. • 1080; bas lat. fortia, plur. neutre substantivé de fortis → 1. fort; forcer I ♦ La force de qqn. 1 ♦ Puissance d action physique (d un être, d un organe). Force physique; force musculaire. ⇒ résistance, robustesse, vigueur. Force … Encyclopédie Universelle
forcé — force [ fɔrs ] n. f. • 1080; bas lat. fortia, plur. neutre substantivé de fortis → 1. fort; forcer I ♦ La force de qqn. 1 ♦ Puissance d action physique (d un être, d un organe). Force physique; force musculaire. ⇒ résistance, robustesse, vigueur … Encyclopédie Universelle
force — Force, Vis, Neruositas, Fortitudo, Virtus. Il se prend quelquesfois pour le dessus d une entreprinse ou affaire, comme, Il combatit si vaillamment que la force fut sienne, c est à dire, que le dessus du combat et la victoire fut à luy. Item,… … Thresor de la langue françoyse
force — 1 n 1: a cause of motion, activity, or change intervening force: a force that acts after another s negligent act or omission has occurred and that causes injury to another: intervening cause at cause irresistible force: an unforeseeable event esp … Law dictionary
force — Force. subst. fem. Vigueur, faculté naturelle d agir vigoureusement. Il se dit proprement du corps. Force naturelle. grande force. force extraordinaire. force de corps. force de bras, la force consiste dans les nerfs. frapper de toute sa force, y … Dictionnaire de l'Académie française
Force — Force, n. [F. force, LL. forcia, fortia, fr. L. fortis strong. See {Fort}, n.] 1. Capacity of exercising an influence or producing an effect; strength or energy of body or mind; active power; vigor; might; often, an unusual degree of strength or… … The Collaborative International Dictionary of English
forcé — forcé, ée (for sé, sée) part. passé de forcer. 1° À quoi on a fait violence, qu on a tordu, brisé avec violence. Un coffre forcé. Une serrure forcée. • Ils [les Juifs] répandirent dans le monde que le sépulcre [de Jésus] avait été forcé ;… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
force — n 1 *power, energy, strength, might, puissance Analogous words: *stress, strain, pressure, tension: *speed, velocity, momentum, impetus, headway 2 Force, violence, compulsion, coercion, duress, constraint, restraint denote the exercise or the… … New Dictionary of Synonyms
force — [fôrs, fōrs] n. [ME < OFr < VL * fortia, * forcia < L fortis, strong: see FORT1] 1. strength; energy; vigor; power 2. the intensity of power; impetus [the force of a blow] 3. a) physical power or strength exerted against a person or… … English World dictionary
Force — Force, v. t. [imp. & p. p. {Forced}; p. pr. & vb. n. {Forcing}.] [OF. forcier, F. forcer, fr. LL. forciare, fortiare. See {Force}, n.] 1. To constrain to do or to forbear, by the exertion of a power not resistible; to compel by physical, moral,… … The Collaborative International Dictionary of English
force — ► NOUN 1) physical strength or energy as an attribute of action or movement. 2) Physics an influence tending to change the motion of a body or produce motion or stress in a stationary body. 3) coercion backed by the use or threat of violence. 4)… … English terms dictionary