-
101 question
n. vraag; vraagstelling; probleem; vraagteken; kwestie--------v. ondervragen; betwijfelen; vragenquestion1[ kwestsjn]1 vraag2 vraagstuk ⇒ probleem, kwestie3 stemming♦voorbeelden:〈 spreekwoord〉 ask no questions and be told no lies • vraag mij niet, dan lieg ik nietyou should obey your father without question • je moet je vader zonder meer gehoorzamenthe man in question • de man in kwestie/over wie we het hebbenthat is out of the question • er is geen sprake van, daar komt niets van inthat is not the question • daar gaat het niet omthe question is … • waar het om gaat is …that is begging the question • 〈 informeel〉 dat is moeilijkheden ontlopen; 〈 in het bijzonder〉 dat is een vraag met een wedervraag beantwoorden1 twijfel ⇒ onzekerheid, bezwaar♦voorbeelden:there's no question about his credentials • zijn geloofsbrieven zijn betrouwbaarbeyond (all)/without question • ongetwijfeld, stellig, buiten kijf————————question2〈 werkwoord〉1 vragen ⇒ ondervragen, uithoren♦voorbeelden:3 I question whether/if … • ik betwijfel het of … -
102 rain
n. regen, bui--------v. regenenrain1[ reen]1 regen ⇒ regenbui, regenval♦voorbeelden:a rain of blows • een reeks klappena rain of congratulations • een stroom gelukwensen¶ (come) rain or shine • weer of geen weer, onder alle omstandigheden→ right right/II 〈meervoud; the〉————————rain2♦voorbeelden:hospitality rained upon the visitors • de bezoekers werden overladen met gastvrijheid→ rain down rain down/II 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:〈 informeel〉 the match was rained off/ 〈 Amerikaans-Engels〉 out • de wedstrijd werd afgelast/onderbroken vanwege de regen2 the father rained presents upon his only daughter • de vader overstelpte zijn enige dochter met cadeaus→ rain down rain down/ -
103 reputed
-
104 reverend
adj. eerwaardig--------n. dominee[ revrənd]♦voorbeelden: -
105 son
n. zoon[ sun]1 zoon ⇒ mannelijk(e) afstammeling, jongen♦voorbeelden:son of the soil • iemand die geboren en getogen is op het land -
106 spit
n. spuug, spog, speeksel; perfekte gelijkenis; spit (steek met de spade); landtong--------v. spuwen, spugen; blazen; spetteren; motregenen; eruit gooien--------v. spuwen; uitspugen; druppelen (regen); geluid van spugen laten horen (bij kwaadheid)spit1[ spit]2 landtong♦voorbeelden:3 buitje♦voorbeelden:————————spit2♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:〈 informeel〉 spit it out! • voor de dag ermee!————————spit3〈werkwoord; spitted〉1 aan het spit steken/rijgen ⇒ spietsen -
107 step
n. stap; opstapje; stap (v.d. ladder), hoogte; trede--------pref. stief---------v. stappen; lopen; ergens opstappen; opzijgaan; plaats maken voorstep1[ step]♦voorbeelden:dance a fast step • een snelle danspas dansenbreak step • uit de pas/maat gaan〈 figuurlijk〉 fall into step with • zich aansluiten bij, in de pas lopen metfollow in someone's steps • in iemands voetsporen tredenstep by step • stapje voor stapje, geleidelijkin step 〈 ook figuurlijk〉 • in de pas/maat; in harmonie, ermee eensout of step • uit de pas/maat 〈 ook figuurlijk〉; niet ermee eens, uit de toon2 a false step • een misstap, een verkeerde stap/daadtake steps to prevent something • stappen ondernemen om iets te voorkomenwatch/mind your step • wees voorzichtig, pas opII 〈 meervoud〉————————step2〈 stepped〉♦voorbeelden:step on someone's toes/corns • iemand op zijn teentjes trappenstep forward • naar voren komen, zich aanbieden als vrijwilligerstep inside • komt u binnenstep into the house • het huis binnengaanstep off the plane • uit het vliegtuig stappenstep on someone • iemand onverschillig/arrogant behandelenstep out of line • uit het gareel raken→ step aside step aside/, step down step down/, step in step in/, step off step off/, step out step out/, step up step up/II 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden: -
108 take
n. vangst; ontvangst, recette (van schouwburg); opname (v. film)--------v. nemen; pakken; brengen; begrijpen, snappentake1[ teek] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 vangst————————take21 pakken ⇒ aanslaan, wortel schieten2 effect sorteren ⇒ inslaan, slagen4 worden♦voorbeelden:4 he took cold/ill • hij werd verkouden/ziekI took against him at first sight • ik vond hem al direct niet aardig→ take away take away/, take off take off/, take on take on/, take over take over/, take to take to/, take up take up/II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 nemen ⇒ grijpen, (beet)pakken4 nemen ⇒ zich verschaffen, gebruiken5 vergen ⇒ vereisen, in beslag nemen8 krijgen ⇒ vatten, voelen9 opnemen ⇒ noteren, meten11 aanvaarden ⇒ accepteren, incasseren♦voorbeelden:he took me unawares • hij verraste mijtake a degree • een graad/titel behalenthis seat is taken • deze stoel is bezetdo you take sugar in your tea? • gebruikt u suiker in de thee?we take the Times • we zijn geabonneerd op de Timesthe man took her by force • de man nam haar met geweldtake five/ten • even pauzeren/rustenhave what it takes • aan de eisen voldoentake about • rondleidentake someone around • iemand rondleidentake someone aside • iemand apart nemenit took her mind off things • het bezorgde haar wat afleidingtake five from twelve • trek vijf van twaalf aftake fire • vlamvattentake it into one's head • het in zijn hoofd krijgentake it easy! • kalm aan!, maak je niet druk!take for granted • als vanzelfsprekend aannementake as read • voor gelezen houdenI take it that he'll be back soon • ik neem aan dat hij gauw terugkomthow am I to take that? • hoe moet ik dat opvatten?take it badly • het zich erg aantrekkentake it well • iets goed opvattenwhat do you take me for? • waar zie je me voor aan?take sides • partij kiezenyou may take it from me • je kunt van mij aannemenI can take it • ik kan het wel hebbenyou (can) take it from there • daar neem jij het wel (weer) over, verder kun je het wel alleen aantake a decision • een besluit nementake an exam • een examen afleggentake notes • aantekeningen makentake a trip • een reisje makenshe took a long time over it • zij deed er lang overtake it or leave it • graag of nietshe took it lying down • zij verzette zich niettake aback • verrassen, van zijn stuk brengen, overdonderenshe was rather taken by/with it • zij was er nogal mee in haar schiktake it (up)on oneself • het op zich nemen, het wagen, zich aanmatigen -
109 under
prep. beneden, onderunder1[ undə] 〈 bijwoord〉1 (er/hier/daar)onder ⇒ (naar) beneden, omlaag 〈 ook figuurlijk〉♦voorbeelden:1 when does the sun go under? • wanneer gaat de zon onder?see under for details • voor nadere toelichting zie onderaangroups of nine and under • groepen van negen en minderhe is down under • hij is beneden3 the drug put her under for the evening • door het verdovingsmiddel raakte zij buiten bewustzijn die avond→ down down/————————under2〈 voorzetsel〉♦voorbeelden:under the cliffs • aan de voet van de klippenmy father served under Montgomery • mijn vader diende onder Montgomeryhe wrote under another name • hij schreef onder een andere naamhe spoke to her under the pretext of asking the way • hij sprak haar aan onder het mom de weg te vragenbe under full sail • met volle zeilen varenborn under a lucky star • onder een goed gesternte geborenplace under the sun • plekje onder de zonI am under contract to stay • ik ben contractueel verplicht om te blijventhe issue under discussion • het probleem dat ter discussie staatunder fire • onder vuurplaced under guard • onder bewaking gesteldunder the law • volgens/krachtens de wetunder penalty of death • op straffe des doodsit's under repair • het wordt gerepareerdcollapse under the strain • het onder de spanning begevenjust under a mile • net iets minder dan een mijlchildren under six • kinderen beneden de zes jaar -
110 very
adj. precies, werkelijk, waar; uiterst--------adv. erg, zeervery12 zelf ⇒ zelfde, juist, precies♦voorbeelden:do one's very best • zijn uiterste best doenat the very height of his career • op het absolute hoogtepunt van zijn carrière2 under my very eyes • uitgerekend/vlak onder mijn ogenthe very man he needed • precies de man die hij nodig hadhe is the very picture/spit of his father • hij is het evenbeeld van zijn vaderhe died in this very room • hij stierf in deze zelfde kamerthis is the very thing for me • dat is net iets voor mijthese were his very words • dit waren letterlijk zijn woorden3 the very fact that … • alleen al het feit dat …¶ the very idea! • wat een idee!————————very2〈 bijwoord〉1 heel ⇒ erg, zeer; aller-2 helemaal3 precies♦voorbeelden:the very last day • de allerlaatste daghe looked very tired • hij zag er heel moe uitvery good/well, Sir! • heel goed/zeker, meneer!thanks very much • heel erg bedankthe is very much better today • hij is heel wat beter vandaagnot so very difficult • niet zo (erg)/(al) te moeilijkoh, very well then! • oh, goed dan (, als het moet)!→ well well/ -
111 which
adj. welke? van welke? naarwelke? inwelke?--------pron. welk, welkewhich1[ witsj]1 welke (ervan) ⇒ wie/wat♦voorbeelden:1 he could not decide which (of them) to choose • hij kon niet beslissen welke hij (ervan) moest kiezenhe could not tell which was which • hij kon ze niet uit elkaar houdenwhich of the girls hit Sarah? • wie van de meisjes heeft Sarah geslagen?1 die/dat ⇒ welke, wat2 wat ⇒ hetgeen, (iets) wat♦voorbeelden:1 that which she had seen thoroughly upset her • dat wat ze gezien had maakte haar helemaal overstuurthe clothes which you ordered • de kleren die je besteld hebt2 he said they were spying on him, which is sheer nonsense • hij zei dat ze hem bespioneerden, wat/hetgeen kklare onzin is————————which21 welk(e)♦voorbeelden:1 which colour do you prefer? • welke kleur vind je het mooist?1 welk(e)♦voorbeelden:1 she hated green, which colour reminded her of her school uniform • ze had een hekel aan groen, omdat die kleur haar aan haar schooluniform deed denken -
112 widow
n. weduwe--------v. tot weduwe maken; berovenwidow1[ widdoo] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 weduwe————————widow2〈 werkwoord〉1 tot weduwe/weduwnaar maken♦voorbeelden:1 her widowed father • haar vader, die weduwnaar is -
113 be ashamed
v. beschaamd zijn (vb. "Ik voelde me zeer beschaamd over het gedrag en onbeleefdheid van mijn zoon") ; gekweld worden door schuldige gevoelens, spijt voelen (bv. " Was she ashamed for having lied?"); verward zijn (bv. "I was ashamed to ask my father for money")
См. также в других словарях:
Father — Fa ther (f[aum] [th][ e]r), n. [OE. fader, AS. f[ae]der; akin to OS. fadar, D. vader, OHG. fatar, G. vater, Icel. fa[eth]ir Sw. & Dan. fader, OIr. athir, L. pater, Gr. path r, Skr. pitr, perh. fr. Skr. p[=a] protect. [root]75, 247. Cf. {Papa},… … The Collaborative International Dictionary of English
Father MC — (born Timothy Brown) was a popular African American rapper for the Uptown Records label in the early 1990s. Discovered and signed by then Uptown executive Sean Puffy Combs, he is best known for introducing the public to Uptown s successful R B… … Wikipedia
Father — Fa ther, v. t. [imp. & p. p. {Fathered}; p. pr. & vb. n. {Fathering}.] 1. To make one s self the father of; to beget. [1913 Webster] Cowards father cowards, and base things sire base. Shak. [1913 Webster] 2. To take as one s own child; to adopt;… … The Collaborative International Dictionary of English
father — ► NOUN 1) a male parent. 2) an important figure in the origin and early history of something: Pasteur, the father of microbiology . 3) literary a male ancestor. 4) (often as a title or form of address) a priest. 5) (the Father) (in Christian… … English terms dictionary
Father MC — Saltar a navegación, búsqueda Father MC es un cantante de new jack swing y hip hop, que entró en el panorama musical con el hit I ll Do 4 U en el año 1990, dentro de su disco debut Father s Day . Dos años después, editó Close to you otro de sus… … Wikipedia Español
father — [fä′thər] n. [ME fader < OE fæder, akin to ON fathir, OHG fater, Goth fadar < IE * pətḗr > L pater, Gr patēr, Sans pitár: ult. origin prob. echoic of baby talk, as in PAPA, Hindi bābū] 1. a man who has begotten a child; esp., a man as he … English World dictionary
father — [n1] male person who begets children ancestor, begetter, dad, daddy*, forebearer, origin, pa, padre, papa, parent, pop*, predecessor, procreator, progenitor, sire, source; concepts 394,400,414,419,423 Ant. mother father [n2] priest abbé,… … New thesaurus
father — index generate, originate, parents, primogenitor, propagate (increase), reproduce Burton s Legal Thesaurus. William C. Burton … Law dictionary
Father — Several terms redirect here. For other uses, see Father (disambiguation), Dad (disambiguation), Fatherhood (disambiguation), and Fathering (journal). Father with child A father is defined as a male parent of any type of offspring … Wikipedia
father — {{Roman}}I.{{/Roman}} noun ADJECTIVE ▪ lone (esp. BrE), single ▪ As a single father, he found it a struggle bringing up three children. ▪ married, unmarried ▪ a married father of … Collocations dictionary
father — This would seem to be the natural term for a speaker to use to his or her father, but whether it is used or not depends on individual family practice, which may in turn be influenced by the social and educational level of the family concerned … A dictionary of epithets and terms of address