-
1 ausschalten
-
2 Gleis
〈o.; Gleises, Gleise〉2 spoor, perron3 〈 figuurlijk〉loop, baan ⇒ sleur, gewoonte♦voorbeelden:3 alles geht im alten Gleis weiter • alles blijft bij het oude, alles volgt zijn oude sleursich in ausgefahrenen Gleisen bewegen • de oude sleur volgenauf, in ein falsches Gleis geraten • op een verkeerd spoor (terecht)komenauf ein totes Gleis geraten • op een dood spoor terechtkomen, belanden; doodbloedenjemanden auf ein totes Gleis, aufs tote Gleis schieben • iemand uitrangeren, uitschakelenetwas auf ein totes Gleis, aufs tote Gleis schieben • iets in de ijskast zetten, laten doodbloedenjemanden aus dem Gleis bringen, werfen • iemand uit zijn gewone doen, in de war brengenetwas wieder ins (rechte) Gleis bringen • iets weer in de juiste banen leidenins (rechte) Gleis kommen • in orde komen -
3 abdrosseln
-
4 abschalten
abschaltenII 〈 overgankelijk werkwoord〉 -
5 abschießen
abschießen2 afschieten ⇒ neerschieten, neerhalen♦voorbeelden:¶ 〈informeel; schertsend〉 zum Abschießen aussehen • er (erg) belachelijk, potsierlijk uitzien -
6 abstellen
abstellen1 in overweging nemen ⇒ in aanmerking nemen, rekening houden met♦voorbeelden:1 der Direktor stellte darauf ab, dass … • de directeur nam in overweging, dat …II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 af-, neerzetten6 verhinderen ⇒ tegengaan; uit de weg ruimen9 〈 sport en spel〉afstaan, ter beschikking stellen♦voorbeelden: -
7 ausblenden
-
8 ausmachen
ausmachen2 overeenkomen, afspreken♦voorbeelden:wie ausgemacht • zoals afgesprokendas lässt sich nicht mit Sicherheit ausmachen • dat is niet met zekerheid te bepalenetwas mit seinem Gewissen ausmachen • iets voor zijn geweten verantwoordendas macht den Reiz dieses Werkes aus • dat maakt de charme van dit werk uit -
9 ausmanövrieren
ausmanövrieren -
10 ausstellen
ausstellen3 afgeven, uitreiken♦voorbeelden:eine Quittung ausstellen • een kwitantie uitschrijveneine Urkunde ausstellen • een akte opmaken, verlijdenein Zeugnis ausstellen • een getuigschrift afgeven5 ein leicht ausgestellter Rock • een licht gerende, klokkende rok -
11 beseitigen
beseitigen1 uit de weg ruimen ⇒ uitschakelen; uit de wereld helpen -
12 erledigen
erledigen1 uitvoeren, afhandelen2 uitschakelen, vernietigen ⇒ uit de weg ruimen♦voorbeelden:viel zu erledigen haben • veel te doen hebben〈 informeel〉 erledigt! • afgelopen uit!1 in orde komen, zich regelen♦voorbeelden: -
13 jemanden matt setzen
-
14 kaltstellen
-
15 kuppeln
kuppeln1 (ont)koppelen, de koppeling in-, uitschakelenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 (aaneen-, aan)koppelen ⇒ combineren, verbinden -
16 matt
♦voorbeelden:matter Beifall • mat applausganz matt vor Hunger sein • helemaal flauw van de honger zijndie Börse war matt • de beurs was zwak (gestemd)4 jemanden matt setzen • (a) iemand (schaak)mat zetten; 〈 (b) figuurlijk〉iemand schaakmat zetten, uitschakelen -
17 null
♦voorbeelden:〈 informeel〉 null Komma nichts • nul komma nul, helemaal niets〈 informeel〉 Nummer null • nummer honderd, wcgleich null sein • zo goed als nul, nihil zijnnull und nichtig • van nul en gener waarde2 auf null drehen, stellen • op nul draaien, uitschakelen -
18 seinen politischen Gegner abschießen
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch > seinen politischen Gegner abschießen
-
19 vernaschen
vernaschen
См. также в других словарях:
Ligue nationale flamande — Traduction à relire Vlaams Nationaal Verbond → … Wikipédia en Français