-
1 vrai
vrai1 [vre]〈bijvoeglijk naamwoord; ook m.〉1 waar ⇒ waarachtig, waarheidsgetrouw2 waar ⇒ echt, authentiek, werkelijk3 waar ⇒ echt, onvervalst, typisch4 waar ⇒ juist, passend♦voorbeelden:il n'en est pas moins vrai que • het is daarom niet minder waar dat(n'est-il) pas vrai? • is het niet?〈 informeel〉 c'est pas vrai! • niet te geloven!, 't is nie(t) waar!ce n'est que trop vrai • dat is helaas maar al te waarc'est du champagne, du vrai de vrai • het is honderd procent champagnele vrai • het ware, de waarheidà dire vrai, à vrai dire, à dire le vrai • om de waarheid te zeggenêtre dans le vrai • het bij het rechte eind hebben————————vrai2 [vre],vraiment [vremmã]〈 bijwoord〉1 overeenkomstig de waarheid ⇒ waarlijk, werkelijk♦voorbeelden:parler vrai • de waarheid spreken1. adj1) waar2) echt3) juist2. adv1) werkelijk2) echt, heus -
2 augmenter
augmenter [oogmãtee, ogmãtee]1 groter worden ⇒ vermeerderen, toenemen, stijgen♦voorbeelden:la vie augmente beaucoup • het leven wordt veel duurderaugmenter de 10 pour cent • met 10 procent stijgenaugmenter de volume • in omvang toenemenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 vermeerderen ⇒ verhogen, verlengen, in prijs doen stijgen♦voorbeelden:édition augmentée • vermeerderde drukaugmenter la force • versterken1. v1) vermeerderen, stijgen, toenemen2) verhogen, in prijs doen stijgen3) opslag geven2. s'augmentervgroter worden, zich uitbreiden -
3 cent
cent1 [sent]〈m.〉————————cent2 [sã]〈 telwoord〉1 honderd♦voorbeelden:je vous le donne en cent • u raadt het nooitil est Français à cent pour cent, il est cent pour cent Français • het is op-en-top een Fransmancinquante pour cent • vijftig procentfaire du cent • honderd kilometer per uur rijdenje parie cent contre un • ik durf er mijn hoofd onder te verwedden1. m 2. adj -
4 chance
chance [sĵãs]〈v.〉1 kans ⇒ risico, toeval3 bof ⇒ geluk, mazzel♦voorbeelden:il faut lui donner sa chance • je moet haar een kans gevenil y a vingt chances sur cent que • twintig procent kans datil y a des chances • het is waarschijnlijkrisquer sa chance • een kansje wagen3 bonne chance! • succes!avoir de la chance • geluk hebben, boffencourir sa chance • zijn geluk beproevenporter chance • geluk brengenpas de chance! • pech gehad!par chance • gelukkigencore une chance que • nog een geluk (bij een ongeluk) dat1. f1) kans, toeval2) geluk, bof2. chancesf plmogelijkheid, waarschijnlijkheid -
5 croître
croître [krwaatr]〈 werkwoord〉1 groeien ⇒ wassen, groter worden, toenemen♦voorbeelden:croître de 10 pour cent • met 10 procent toenemencroître en beauté • steeds mooier wordenvgroeien, toenemen, wassen -
6 gras
gras [graa],grasse [graas]〈bijvoeglijk naamwoord; ook bijwoord, m.〉3 dik ⇒ zwaarlijvig, vet(gemest)♦voorbeelden:quarante pour cent de matières grasses • vetgehalte veertig procentbouillon gras • vleesbouilloncrayon gras • zacht potloodgras à lard • moddervet, spekvetde gras pâturages • vette weidenplantes grasses • vetplantensoupe grasse • met vlees bereide soepfaire gras • vlees etenle gras de la jambe • de kuitterre grasse • vette grondparler gras • brouwen= grasse; adj1) vet(houdend)3) dik, zwaarlijvig4) vettig5) rijk, overvloedig -
7 monter
monter1 [mõtee]〈m.〉————————monter2 [mõtee]2 instappen ⇒ opstappen, gaan (zitten) in, gaan (staan) op♦voorbeelden:monter sur, à un arbre • in een boom klimmenla mer monte • het wordt vloedle ton monte • het gesprek raakt verhitmonter de 10 pour cent • met 10 procent stijgenles larmes lui montaient aux yeux • de tranen schoten haar, hem in de ogenle vin lui monte à la tête • de wijn stijgt haar, hem naar het hoofdII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 bestijgen ⇒ beklimmen, opgaan3 naar boven brengen ⇒ omhoog halen, optrekken5 uitrusten ⇒ geheel voorzien van, inrichten6 plaats nemen in, op ⇒ instappen in♦voorbeelden:v1) klimmen, naar boven gaan2) instappen3) toenemen4) opstijgen6) paardrijden9) reiken (tot)10) bestijgen11) hoger plaatsen13) in elkaar zetten14) uitrusten, inrichten15) dekken [koe]16) opkloppen [eiwit]17) hoger stemmen [muziek]18) ophitsen -
8 pour
pour1 [poer]〈m.〉————————pour2 [poer]〈 voorzetsel〉7 wegens ⇒ vanwege, voor, om♦voorbeelden:pour le directeur • de directeur p(er) o(rder)un député pour tant d'habitants • één afgevaardigde op zoveel inwonerspour cent • percent, procentpour mille • promilleprendre qn. pour un autre • iemand voor een ander aanzienil a parlé pour moi • hij heeft namens mij gesprokenn'y être pour rien • er niets mee te maken hebbenpour rien • voor niets, voor nopêtre pour beaucoup, peu dans qc. • alles, weinig met iets te maken hebbenêtre pour (qc., qn.) • voor (iets, iemand) zijn, achter (iets, iemand) staans'accorder pour dire que • allebei, allemaal van mening zijn datce n'est pas pour dire • niet om het een of anderpour plaisanter, rire • voor de grappour le moins • op zijn minst, minstenspour tout avantage • als enige voordeelpour toute réponse • bij wijze van antwoord, als enig antwoordpasser pour • doorgaan voorse faire passer pour • zich uitgeven voorpour ainsi dire • om zo te zeggen, bij wijze van sprekenpour de bon • werkelijk, echtpour de vrai • echt, menens5 c'est pour aujourd'hui ou pour demain? • komt er nog wat van?pour toujours pour jamais • voor eens en voor altijd6 pour ma part • wat mij betreft, voor mijn partpour ce qui est de • wat betreft, wat … aangaatpour moi • wat mij betreften tout et pour tout • slechts, alles bij elkaar, hoogstenspour quoi (faire)? • waarvoor?pour autant • daarompour si peu (de chose) • om zo'n kleinigheidpour être plus âgés, ils n'en sont pas plus prudents • ook al zijn ze ouder, ze zijn daarom nog niet voorzichtigerpour que 〈+ aanvoegende wijs〉 • opdat, ompour peu que 〈+ aanvoegende wijs〉 • mits, als … maar1. m 2. prép1) voor2) om te3) als4) wat betreft5) wegens, vanwege -
9 tout
tout1 [toe]〈m.〉1 geheel ⇒ totaal, alles2 hoofdzaak ⇒ (het) belangrijkste, voornaamste♦voorbeelden:risquer le tout pour le tout • alles op het spel zetten(ne) … (pas) du tout • helemaal niet, absoluut nietdu tout • helemaal nietdu tout au tout • helemaal, volledig————————tout2 [toe],1 (ge)heel ⇒ volledig, een en al3 〈 elliptisch〉(bestemd, geschikt) voor ieder(e) ⇒ met alle …, van alle …♦voorbeelden:en toute simplicité • in alle eenvoudil est toute simplicité • hij is een en al eenvoud, hij is de eenvoud zelvetout le temps • voortdurend, aldoor, altijd2 tout un chacun • een ieder, iedereentous (les) deux • allebei, alle tweetous les deux jours • om de andere dagtout ce qu'il y a de gens connus • alle bekende mensenc'est sérieux? tout ce qu'il y a de plus sérieux • echt waar?, honderd procent serieus, ik meen het echt(film) tous publics • (film) voor ieder publiek, voor een breed publiekvéhicule tous terrains • terreinwagen, -voertuig, jeeppour tout (bagage) • als enige (bagage)————————tout3 [toe],1 alles ⇒ allemaal, allen, iedereen♦voorbeelden:avoir tout de • alle eigenschappen hebben vanpour tout dire • al met alc'est tout dire • daarmee is alles gezegdce sera tout pour aujourd'hui • daar zullen we het vandaag bij latentous (au)tant que nous sommes • wij allen, zonder uitzonderingaprès tout • tenslotte, alles welbeschouwden tout et pour tout • niet meer dan, alles bij elkaarenvers et contre tous • tegen iedereenpar-dessus tout, au-dessus de tout • bovenal, vooralvoilà tout • dat is alles¶ comme tout • heel erg, vreselijket tout • en zo, en wat dies meer zijet tout et tout • enzovoort, enzovoort————————tout4 [toe]〈 bijwoord〉1 heel ⇒ erg, zeer, bijzonder, helemaal3 geheel en al ⇒ een en al, niets dan♦voorbeelden:1 tout juste • nog maar net, op het nippertjeêtre tout yeux, tout oreilles • een en al oor, vol aandacht zijnc'est tout un • dat is precies hetzelfdetout aussi grand que • (precies) even groot alsêtre tout à ses projets • helemaal opgaan in zijn, haar plannentout à vous • geheel tot uw beschikking, tot uw dienst¶ tout d'abord • allereerst, voor allestout enfant, tout gosse • als kind al …tout à fait • helemaal, preciestout au moins • op z'n (aller)minsttout au plus • hoogstensle tout dernier, premier • de allerlaatste, allereersteà tout jamais • voor altijdtout de même • tochtout en marchant, il m'a raconté • terwijl we liepen, onder het lopen vertelde hij metout en étant riche, il vit très simplement • hoewel hij rijk is, leeft hij erg eenvoudigtout riche que je suis • hoe rijk ik ook ben1. m1) geheel, totaal2) hoofdzaak3) heelal2. tout, tous, toutespron1) alles2) allemaal, iedereen3. tout, toute, tous, toutesadj1) geheel, volledig2) elk, ieder3) bestemd voor4. adv1) heel, erg, helemaal2) zuiver3) geheel en al -
10 augmenter de 10 pour cent
augmenter de 10 pour centDictionnaire français-néerlandais > augmenter de 10 pour cent
-
11 bénéficier
bénéficier (de) [beeneefiesjee]〈 werkwoord〉1 voordeel trekken (uit) ⇒ genieten (van), profiteren (van)♦voorbeelden: -
12 bénéficier d' une remise de dix pour cent
bénéficier d' une remise de dix pour centDictionnaire français-néerlandais > bénéficier d' une remise de dix pour cent
-
13 c'est sérieux? tout ce qu'il y a de plus sérieux
c'est sérieux? tout ce qu'il y a de plus sérieuxecht waar?, honderd procent serieus, ik meen het echtDictionnaire français-néerlandais > c'est sérieux? tout ce qu'il y a de plus sérieux
-
14 cinquante pour cent
cinquante pour cent -
15 croître de 10 pour cent
croître de 10 pour cent -
16 c'est du champagne, du vrai de vrai
c'est du champagne, du vrai de vraiDictionnaire français-néerlandais > c'est du champagne, du vrai de vrai
-
17 il y a vingt chances sur cent que
il y a vingt chances sur cent queDictionnaire français-néerlandais > il y a vingt chances sur cent que
-
18 monter de 10 pour cent
monter de 10 pour cent -
19 pour cent
pour centpercent, procent -
20 quarante pour cent de matières grasses
quarante pour cent de matières grassesDictionnaire français-néerlandais > quarante pour cent de matières grasses
- 1
- 2
См. также в других словарях:
procent — {{/stl 13}}{{stl 8}}rz. mnż I, D. u, Mc. procentncie {{/stl 8}}{{stl 20}} {{/stl 20}}{{stl 12}}1. {{/stl 12}}{{stl 7}} jedna setna danej wielkości, oznaczona znakiem %; odsetek : {{/stl 7}}{{stl 10}}Inflacja wzrosła o 10 procent. Prace wykonano… … Langenscheidt Polski wyjaśnień
procent — PROCÉNT, procente, s.n. 1. A suta parte dintr o cantitate dată; proporţie în raport cu o sută; sutime, procentaj. 2. Dobândă calculată la o sută de unităţi monetare pe interval de un an; p. gener. dobândă. [var.: (înv.) proţént s.n.] – Din germ.… … Dicționar Român
procent — pròcent (pròcenat) m <G mn nātā> DEFINICIJA 1. stoti dio kakve količine ili broja (znak %); postotak 2. meton. količina čega izmjerena u procentima [visok/nizak procent velika/mala količina, visok/nizak postotak] ETIMOLOGIJA njem. Prozent ← … Hrvatski jezični portal
Procent — (v. lat., d. i. für Hundert; franz. pro cent, engl. per cent), 1) das in Zahlen ausgedrückte Verhältniß zu Hundert, worin man sich eine Einheit getheilt denkt; 2) bei Berechnung des Gewinnes u. Verlustes ein Verhältniß zu Hundert von der bei… … Pierer's Universal-Lexikon
Procent — Procent, auch Percent, d.h. für das Hundert, das in Zahlen ausgedrückte Verhältniß zu hundert z.B. 4 P. (4%) Zins, d.h. 4 vom Hundert (der Kapitalsumme); 4% der Bevölkerung, d.h. von je 100 Menschen 4 etc … Herders Conversations-Lexikon
pròcent — (pròcenat) m 〈G mn nātā〉 1. {{001f}}stoti dio kakve količine ili broja; postotak (znak %) 2. {{001f}}meton. količina čega izmjerena u procentima [visok/nizak ∼ velika/mala količina, visok/nizak postotak] ✧ {{001f}}njem. ← lat … Veliki rječnik hrvatskoga jezika
procent — m IV, D. u, Ms. procentncie; lm M. y 1. lm MDB. procent (głównie przy liczebnikach) «setna część danej wielkości (%); odsetek» Duży, znaczny, olbrzymi, nikły, niewielki, niski procent czegoś. Dwa, trzy, pięć, dziesięć, sto procent ludności,… … Słownik języka polskiego
procent — pro|cent sb., en, er, erne; efter talord el. anden mængdeangivelse procent, fx 5 procent, mange procent (fork.: pct. el. %); 9 pct. el. 9 %, i sms. procent , fx procentregning; 20 % rabat el. 20 %’s rabat … Dansk ordbog
procent — W stu procentach, na sto procent «całkowicie, zupełnie, na pewno»: Wolałabym, żebyś przyszedł koło południa. – Postaram się, ale nie mogę obiecać na sto procent. M. Bielecki, Osiedle … Słownik frazeologiczny
procènt — ênta in énta m (ȅ ē; ȅ ẹ̄) 1. del na sto enakih delov razdeljene celote; odstotek: proizvodnja je za sedem procentov [7 %] večja kot lani / preračunati v procente // ed. količina, izražena s tem delom: ugotavljati procent primesi v snovi 2. mn … Slovar slovenskega knjižnega jezika
procent — s ( en, procent) … Clue 9 Svensk Ordbok