-
1 je kunt voor mijn part stikken!, stik jij toch!
je kunt voor mijn part stikken!, stik jij toch!va te faire foutre!Deens-Russisch woordenboek > je kunt voor mijn part stikken!, stik jij toch!
-
2 bedelen
bedelen11 [als zijn deel toewijzen] faire la part à2 [vaste uitdeling geven] assister♦voorbeelden:iemand ruim bedelen • faire la part belle à qn.————————bedelen21 [aalmoezen vragen] mendier2 [aanhoudend vragen] quémander♦voorbeelden:2 om iets bedelen • quémander qc.bedelen om complimentjes • mendier des compliments -
3 iemand ruim bedelen
iemand ruim bedelenfaire la part belle à qn. -
4 bekendmaking
faire-part, renseignement -
5 informatie
faire-part, renseignement -
6 inlichting
faire-part, renseignement -
7 kennisgeving
faire-part, renseignement -
8 mare
faire-part, rennomée, renseignement, réputation -
9 terechtwijzing
faire-part, renseignement, reproche -
10 verwittiging
faire-part, renseignement -
11 doen
doen1〈 het〉♦voorbeelden:¶ iemands doen en laten • les faits et gestes de qn.uit zijn gewone doen zijn • ne pas être dans son assiettein goeden doen zijn • vivre dans l'aisanceergens mee van doen hebben • avoir à voir dans qc.voor hun doen • pour euxdat is geen doen • ça n'est pas faisable————————doen21 [algemeen] faire2 [ergens plaatsen; ook m.b.t. tijdsduur] mettre3 [+ het][gewenste (uit)werking hebben] faire♦voorbeelden:1 iemand iets cadeau doen • faire cadeau de qc. à qn.die toeristen deden Europa in 7 dagen • ces touristes ont fait l'Europe en 7 joursze doet het erom • elle le fait exprèsde kamer doen • faire le ménageeen oproep doen • faire un appelgewichtig doen • faire l'importantiemand doen begrijpen dat … • faire comprendre à qn. que …wat heeft dat kind gedaan? • qu'est-ce qu'il a fait de mal, ce petit?het is met hem gedaan • c'en est fait de luinu is het gedaan • c'est la fin de toutiets gedaan weten te krijgen • obtenir qc. (de qn.)als je het dan toch moet doen … • tant qu'à faire …roken doet hij niet • il ne fume pasdoen toenemen • augmenterdat wordt altijd zo gedaan • c'est l'habitudedat doet men niet • cela ne se fait pasik doe het • d'accordhet deed me niets • ça ne m'a rien faitwat doet die man (voor de kost)? • que fait cet homme (dans la vie)?moet je wat doen? • tu dois aller quelque part?zo'n ervaring doet je wat • une expérience comme ça, ça (te) fait quelque choseal doende leert men • en faisant, on apprendwat moet ik daarmee doen? • qu'est-ce que vous voulez que j'en fasse?u zou er beter aan doen uw mond te houden • vous feriez mieux de vous taireik doe er twee uur over • je mets deux heures (à <+ onbepaalde wijs>); 〈m.b.t. werk ook〉 je le fais en deux heureszout erbij doen • ajouter du seldat doet mij goed • cela me fait du bienheb ik daar kwaad aan gedaan? • est-ce que j'ai mal fait?lief doen • se montrer aimablehij heeft het meer gedaan • il n'en est pas à son coup d'essaizij deed niets dan praten • elle n'a fait que parlerverstandig doen • agir de façon raisonnablevreemd doen • avoir un comportement bizarrehij zingt beter dan hij vroeger deed • il chante mieux qu'avantzij doen niets aan hun geloof • ils ne sont pas pratiquantsaan de slanke lijn doen • faire un régime (amaigrissant)aan sport doen • faire du sporthij doet in textiel • il est dans le textilehij doet lang over dat boek • il met du temps à lire ce livreveel te doen hebben • avoir beaucoup à fairein die stad is veel te doen • dans cette ville on peut faire un tas de chosesniet weten wat te doen • ne savoir que fairedat is te doen • c'est faisableer is veel over te doen geweest • cela a fait du bruitkunt u iets voor hem doen? • pouvez-vous (faire) qc. pour lui?je doet maar! • (tu) fais ce que tu veux!2 iets in zijn zak doen • mettre qc. dans sa pochedie poster doet het daar goed • cette affiche fait bien à cet endroithet zijn onze programma's die het hem doen • c'est la qualité de nos programmes qui fait notre succèsde kleur doet het hem • tout est dans la couleurik doe het ermee • avec ça, j'arrive à m'en tirerhij kan het ermee doen • ça lui apprendrahet moeten doen met … • devoir se contenter de …ik kan er niets aan doen • je n'y peux rienkan ik er iets aan doen! • qu'est-ce que tu veux que j'y fasse!er het zwijgen toe doen • préférer se tairedat doet er niets toe • cela ne fait rienmet iemand te doen hebben • 〈 ruzie〉 avoir un compte à régler avec qn.; 〈 medelijden〉 avoir pitié de qn.met iemand te doen krijgen • avoir affaire à qn.het is hem te doen om • ce qu'il veut, c'esthet is me niet om het geld te doen • ce n'est pas pour ce que ça me rapportezich aan iets te goed doen • se régaler de qc. 〈 ook figuurlijk〉 -
12 gekheid
♦voorbeelden:1 gekheid maken met iemand • plaisanter avec qn.uit gekheid • pour rirezonder gekheid • sans blaguealle gekheid op een stokje • blague à partschei toch uit met die gekheid • arrête de faire l'idiotvan gekheid niet weten wat men doen zal • ne savoir quoi faire pour se faire remarquer -
13 deel
I 〈 het〉♦voorbeelden:zich het beste deel van iets toe-eigenen • tirer la couverture à soivoor een groot deel • en grande partiehet grootste deel • la majeure partiedeel uitmaken van • faire partie deeen hoorspel in zeven delen • une pièce radiophonique en sept épisodesten dele • partiellementdeel aan iets hebben • avoir part à qc.deel nemen in iets • participer à qc.elk zijn deel • à chacun son dûzijn deel aan iets bijdragen • payer sa part de qc.iemand ten deel vallen • échoir (en partage) à qn.II 〈de〉 -
14 goed
goed1〈 het〉♦voorbeelden:liggende goederen • biens immeublesroerend en onroerend goed • biens meubles et immeublesik kan daar geen goed meer doen • tout ce que je fais est mal prisgoed doen • faire le bieniemand goed doen • faire du bien à qn.het zal u veel goed doen • cela vous fera grand bieniets goeds • qc. de bonhij lust graag wat goeds • il aime les bonnes choseshoud dat mij ten goede • ne le prenez pas en mauvaise partten goede komen (aan) • profiter (à)verandering ten goede • (une) améliorationzich ten goede keren • tourner bienwe hebben nog een diner te goed • nous avons encore un dîner en perspectiveik heb nog vier vakantiedagen te goed • il me reste encore quatre jours de vacances (à prendre)je houdt het van mij te goed • je te revaudrai çadat hebben we nog te goed • ce n'est que partie remisedat heb je nog van me te goed • je dois encore te rendre cela; 〈 als dreigement〉 tu ne perds rien pour attendre!wollen goed • lainagehij heeft zijn zondagse goed aan • il porte ses habits du dimanche————————goed2♦voorbeelden:een goed jaar geleden • il y a une bonne année (de cela)is dat je goeie pak? • c'est ton beau costume?hij is een goede veertiger • il a la quarantaine bien sonnéeeen goed verliezer • un bon perdantdoe maar goed wat zout in de soep • n'hésite pas à bien saler la soupeik ben het goed zat • j'en ai par-dessus la têteik ben wel goed maar niet gek • je ne suis pas tombé sur la têtehet goed doen • bien marcherhij kan het er goed van doen • il a de quoi, il a les moyensals ik het goed heb • si je ne me trompewij hebben het goed • nous ne manquons de rien〈 ironisch〉 is het nou goed? • ça y est, maintenant?het is mij goed • (je suis) d'accordhet is ook nooit goed! • tu (il) n'es (n'est) jamais contenthij kan geen goed meer doen • on critique tout ce qu'il faitdat komt wel weer goed • ça va s'arrangergoed kunnen leren • apprendre facilementer goed op staan • 〈 letterlijk〉 être bien (sur une photo); 〈 figuurlijk〉 avoir réussi; 〈 ironisch〉 avoir tout gâchéhij heeft goed praten • il a beau direhet eten ruikt goed • le repas sent bondie jas staat je goed • ce manteau te va bienhij was niet zo goed of hij moest betalen • il a bien fallu qu'il paiedat was maar goed ook! • heureusement!zou u zo goed willen zijn … • voudriez-vous avoir la gentillesse de …het zou goed zijn, als je … • il serait bon que tu …net goed! • (c'est) bien fait!ook goed! • d'accord!dat touw is precies goed • c'est exactement la corde qu'il nous, me fautalles goed en wel maar … • c'est bien beau (tout ça), mais …ik was nog maar goed en wel thuis of … • j'étais à peine à la maison que …goed zo! • très bien!zo goed en zo kwaad als het gaat • tant bien que malgoed bij zijn • être éveillézij zijn weer goed met elkaar • ils se sont réconciliésdat is goed om te weten • c'est bon à savoirwaar is dat goed voor? • à quoi ça sert?hij is nergens goed voor • il n'est bon à riengoed voor ƒ 1000,- • bon pour 1000 florinshij is goed voor een paar ton • 〈m.b.t. bezit〉 il a bien quelques briques; 〈m.b.t. verdienen〉 il se fait bien quelques briqueshij is er niet te goed voor • il en est bien capabledat is een goeie! • elle est bien bonne!dat is te veel van het goede • c'est trop, vraimenthet goede doen • faire le bienniet veel goeds • pas grand-chose de bonzich niet goed voelen • ne pas se sentir bienzij is er goed mee • cela l'arrange bienze is onderweg niet goed geworden • elle a eu un malaise en cours de routezo goed als • pratiquementhet boek is zo goed als af • le livre est pratiquement terminé -
15 kas
5 [holte waarin iets gevat is] 〈m.b.t. kies〉 alvéole 〈v.〉 ⇒ 〈m.b.t. oog〉 orbite 〈v.〉 ⇒ 〈m.b.t. edelsteen〉 chaton 〈m.〉♦voorbeelden:naar de kas gaan • passer à la caisseeen gescheiden kas voeren • faire bourse à partde kas houden • tenir la caissede kas opmaken • faire sa caissede kas sluit • la caisse est exactekrap bij kas zitten • être à court d'argentgoed bij kas zijn • être en fondsgeld in de kas storten • alimenter la caissein kas hebben • avoir (une somme) en caissehij is er met de kas vandoor gegaan • il est parti avec la caisseper kas • au comptant -
16 afzonderen
2 [apart zetten en houden] isoler3 [met een schot afscheiden] séparer par une cloison4 [uit een mengsel, verbinding afscheiden] extraire♦voorbeelden:II 〈wederkerend werkwoord; zich afzonderen〉♦voorbeelden:zich van een gezelschap afzonderen • s'isolervan de buitenwereld afgezonderd leven • vivre dans l'isolement complet -
17 kennis
♦voorbeelden:zij waren goede kennissen • ils se connaissaient bienkennis dragen van iets • connaître qc.kennis geven • faire part de (qc. à qn.)ik heb met hem kennis gemaakt • j'ai fait sa connaissancekennis van zaken hebben • s'y connaîtrenader kennis maken met iemand • faire plus ample connaissance avec qn.kennis nemen van iets • prendre connaissance de qc.zijn kennis spuien • étaler ses connaissanceszij is weer bij kennis gekomen • elle a repris connaissance(geheel) bij kennis zijn • avoir toute sa connaissancedat is buiten mijn kennis gebeurd • cela s'est produit à mon insubuiten kennis zijn • être sans connaissancebuiten kennis raken • perdre connaissanceiemand van iets in kennis stellen • informer qn. de qc.ik zal je met haar in kennis brengen • je te la présenteraimet kennis van zaken • en connaissance de causeiemand iets ter kennis brengen • porter qc. à la connaissance de qn.een kennis van mij • une de mes connaissancesdat gaat mijn kennis te boven • cela me dépasse〈 spreekwoord〉 kennis is macht • savoir, c'est pouvoir¶ kennis aan iemand hebbenkennis maken met iemand, iets • entrer en contact avec qn., qc. -
18 over
over11 [voorbij] passé♦voorbeelden:II 〈 bijwoord〉1 [van de ene plaats naar de andere] à travers2 [op een andere plaats] de l'autre côté♦voorbeelden:over en weer • de part et d'autreover en weer lopen • faire les cent paselkaar over en weer verwijten maken • se faire des reproches réciproquesmorgen gaan we over • on déménage demainmijn tante is gisteren over geweest • hier ma tante est venue nous voir〈 communicatie(media)〉 over! • terminé!→ link=reden redente over • plus qu'il n'en fautvoorbeelden te over • les exemples abondentgelegenheid te over! • les occasions ne manquent pas!————————over2〈 voorzetsel〉1 [algemeen] sur2 [via] par3 [boven, langs iets heen] au-dessus de4 [aan de andere kant van] de l'autre côté de5 [na verloop van] dans6 [meer, verder dan] plus de7 [tegenover] en face de♦voorbeelden:het nieuws verspreidde zich over het hele land • la nouvelle se répandit dans tout le paysover de straat lopen • marcher dans la ruezij heeft iets innemends over zich • elle a qc. d'avenantover de post • par la posteik heb het over de radio gehoord • je l'ai entendu à la radio3 over de grens komen • franchir, passer la frontièrevandaag over acht dagen • aujourd'hui en huitde temperatuur was over de 30° • il faisait plus de 30°het is over vieren • il est quatre heures passées→ link=wereld wereld -
19 stom
♦voorbeelden:1 stomme ezel dat je bent! • triple idiot!een stomme streek uithalen • faire une bêtisedat vind ik stom van je • je ne trouve pas ça malin de ta part(wat) stom van hem! • qu'il est bête!geen stom woord zeggen • ne pas dire un traître moteen stomme • un(e) muet(te)stom werk moeten verrichten • devoir faire un travail ennuyeux -
20 ergens
1 [algemeen] quelque part2 [in enig opzicht] d'une certaine façon3 [iets] quelque chose♦voorbeelden:daar ergens • quelque part par làwaar ergens? • où ça?3 ergens mee pronken • faire étalage de qc.hij zocht ergens naar • il cherchait qc.
См. также в других словарях:
Faire la part de quelque chose — ● Faire la part de quelque chose en tenir compte dans une appréciation : Faire la part des circonstances … Encyclopédie Universelle
Faire la part du feu — ● Faire la part du feu faire un vide dans une forêt, établir une coupure dans un bâtiment en feu, pour empêcher l incendie de s étendre ; abandonner quelque chose pour sauver le reste … Encyclopédie Universelle
Faire la part des choses — ● Faire la part des choses être large d esprit, tenir compte de tout dans son jugement … Encyclopédie Universelle
Avoir la part belle, faire la part belle à quelqu'un — ● Avoir la part belle, faire la part belle à quelqu un être avantagé, avantager quelqu un … Encyclopédie Universelle
faire-part — [ fɛrpar ] n. m. inv. • 1830; de 1. faire et part ♦ Lettre imprimée qui annonce une nouvelle ayant trait à la vie civile. Envoyer un faire part, des faire part. Faire part de mariage, de décès (bordé de noir ou de gris). Cette annonce tient lieu… … Encyclopédie Universelle
part — 1. (par ; l Académie dit que le t se prononce ; c est une erreur ; ceux qui usent de ce mot, les légistes et les médecins, ne prononcent pas le t) s. m. 1° Terme de jurisprudence. L enfant dont une femme vient d accoucher. Exposition de part … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
part — PART. s. m. L enfant dont une femme vient d accoucher. Il n est guere en usage qu en terme de Droit. Suppression de part. supposition de part. Part. s. f. Portion de quelque chose qui se divise entre plusieurs. Il y a tant de bien, il en faut… … Dictionnaire de l'Académie française
part — 1. part [ par ] n. f. • 842 de suo part « de son côté »; lat. pars, partis I ♦ Ce qui revient à qqn. 1 ♦ (980) Ce qu une personne possède ou acquiert en propre. Chacun sur terre a sa part de peines. Avoir la meilleure part. Loc. La part du pauvre … Encyclopédie Universelle
faire — 1. faire [ fɛr ] v. tr. <conjug. : 60> • Xe; fazet 3e pers. subj. 842; lat. facere. REM. Les formes en fais (faisons, faisions, etc.) se prononcent [ fəz ] I ♦ Réaliser (un objet : qqch. ou qqn). 1 ♦ Réaliser hors de soi (une chose… … Encyclopédie Universelle
PART — s. f. Portion de quelque chose qui se divise entre plusieurs personnes. On a fait trois parts de tout le bien de la succession. Il a une part d enfant dans cette succession. Il eut sa part d aîné. Quand il y a tant d héritiers, les parts sont… … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 7eme edition (1835)
Faire-Part — Modèle de faire part Le faire part ou fairepart est le moyen utilisé pour annoncer une nouvelle à son entourage. On peut envoyer un faire part à ses amis, à la famille ou encore à ses collègues de travail, et ce pour les prévenir d un événement… … Wikipédia en Français