-
1 anlegen
anlegenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 (aan)leggen ⇒ (aan)zetten, aanbrengen, aandoen5 beleggen, investeren♦voorbeelden:1 jemandem Fesseln, Ketten anlegen • iemand boeien, ketens aandoen(die) letzte Hand anlegen • de laatste hand leggen aander Hund legt die Ohren an • de hond legt de oren plat tegen zijn kopeine Leiter an die Scheune anlegen • een ladder tegen de schuur zetten〈 figuurlijk〉 strenge Maßstäbe an etwas, jemanden anlegen • strenge maatstaven voor iets, iemand aanleggen6 Geld für ein neues Auto anlegen • geld voor een nieuwe auto aanleggen, bestedenes darauf anlegen, jemanden zu kränken • het erop aanleggen, iemand te krenken8 Schmucksachen anlegen • sieraden aandoen, opspeldenden Hund anlegen • de hond aan de ketting leggen, vastleggen♦voorbeelden: -
2 verwenden
verwenden♦voorbeelden: -
3 wenden
wenden〈 haben〉♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:seine Aufmerksamkeit auf eine Sache wenden • zijn aandacht op iets vestigendie Gefahr von jemandem wenden • het gevaar van iemand afwenden2 viel Geld, Zeit an, auf eine Sache wenden • veel geld, tijd aan iets besteden♦voorbeelden:der Wind wendet sich • de wind draaitsich an jemanden wenden • zich (met een verzoek, vraag) tot iemand wendensich zu jemandem wenden • zich naar iemand toekerensich zum Bösen, Schlimmen wenden • (zich) verslechteren -
4 Aufmerksamkeit
Aufmerksamkeit〈v.; Aufmerksamkeit, Aufmerksamkeiten〉2 beleefdheid, hoffelijkheid, voorkomendheid♦voorbeelden: -
5 Geld für ein neues Auto anlegen
Geld für ein neues Auto anlegengeld voor een nieuwe auto aanleggen, bestedenWörterbuch Deutsch-Niederländisch > Geld für ein neues Auto anlegen
-
6 Zeit an ein Hobby hängen
Zeit an ein Hobby hängenWörterbuch Deutsch-Niederländisch > Zeit an ein Hobby hängen
-
7 Zeit auf etwas verwenden
Zeit auf etwas verwendenWörterbuch Deutsch-Niederländisch > Zeit auf etwas verwenden
-
8 anwenden
-
9 aufmachen
aufmachenI 〈onovergankelijk werkwoord; haben〉♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:die Hand aufmachen • zijn hand (geopend) uitstekenmach die Ohren auf! • luister goed, let op!einen Bericht tendenziös aufmachen • in een verslag een tendentieuze voorstelling van zaken geven♦voorbeelden: -
10 aufwenden
aufwenden1 aanwenden, gebruiken, inzetten♦voorbeelden:1 viel Geld aufwenden • veel geld besteden, spenderenalle seine Kräfte aufwenden • al zijn krachten inspannenalles aufwenden • alles in het werk stellen -
11 ausgeben
-
12 daranwenden
daranwenden -
13 den Abend frei gestalten
de avond vrij(elijk) invullen, bestedenWörterbuch Deutsch-Niederländisch > den Abend frei gestalten
-
14 ein Ereignis groß aufmachen
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch > ein Ereignis groß aufmachen
-
15 einer Sache Aufmerksamkeit schenken
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch > einer Sache Aufmerksamkeit schenken
-
16 gestalten
-
17 hinweggehen
hinweggehen♦voorbeelden: -
18 hängen
hängen6 hechten, gehecht zijn aan♦voorbeelden:3 hängen bleiben • (a) blijven steken, haken, vast blijven zitten; (b) vastplakken, blijven kleven • (c) blijven hangen, (onnodig) lang blijven; 〈 (d) informeel; onderwijs〉 blijven zitten〈 figuurlijk〉 sein Blick blieb an einem alten Gemälde hängen • zijn blik bleef op een oud schilderij rusten〈 informeel〉 jemanden hängen lassen • iemand in de steek laten, laten zittensich hängen lassen • bij de pakken neerzitten, het opgevender Schmutz hängt an den Schuhsohlen • het vuil kleeft aan de schoenzolen7 wo hängt der Junge bloß? • waar hangt die jongen toch uit?abends in den Kneipen hängen • 's avonds in de kroegen rondhangenII 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:mit Hängen und Würgen • met hangen en wurgen♦voorbeelden: -
19 verleben
-
20 viel Geld aufwenden
veel geld besteden, spenderen
См. также в других словарях:
Aeltern — 1. Aeltern, die verzärteln die Jugend, gewöhnen sie nicht zur Tugend. 2. Aeltern erziehen ihre Kinder, die Nachbarn verheiraten sie. 3. Aeltern, Freier und grosse Herrn geben mit Lust und gern. 4. Aeltern haben ihre Kinder lieber, als Kinder ihre … Deutsches Sprichwörter-Lexikon
Dienst — 1. Anbotten dienst ist halb vmbsonst. – Franck, II, 6b; Simrock, 1618; Lehmann, 128, 92; Körte, 869; Eiselein, 118. Engl.: Proffer d service stinks. (Bohn II, 126.) Holl.: Aangeboden dienst is onwaard. (Bohn I, 296.) 2. Angebotener Dienst ist… … Deutsches Sprichwörter-Lexikon
Tag — 1. Alen Doach hîsch, äs mäkest hîsch; un Sangtich hîsch, dâd äs hîsch. (Siebenbürg. sächs.) – Schuster, 368. 2. All Dag is ken Joarmarkt. (Strelitz.) 3. All Dage is kîn Sonndag (kîn Karkmess, sün kîn Fangeldage). (Oldenburg.) 4. All Doag wat Nîgs … Deutsches Sprichwörter-Lexikon
Welt — 1. A Wearelt as trinj üsch n Hingsthaad, man egh üschen Pankuuk. – Johansen, 29. Die Welt ist rund wie ein Pferdekopf, aber nicht wie ein Pfannkuchen. 2. Ade Welt, du bist mir langweilig, ich gehe ins Kloster. – Klosterspiegel, 24, 16. 3. Ade… … Deutsches Sprichwörter-Lexikon