-
41 flappen
♦voorbeelden:1 iets op de grond flappen • flanquer qc. par terre -
42 gebeuren
2 [gedaan worden] se faire3 [overkomen] arriver à♦voorbeelden:1 is er een ongeluk gebeurd? • est-ce qu'il y a eu un accident?dat kan de beste gebeuren • cela peut arriver à tout le mondelaat dit niet meer gebeuren! • que ça ne se renouvelle pas!wat (er) ook gebeuren moge • quoi qu'il arrivealsof er niets gebeurd was • comme si de rien n'étaitwat gebeurd is, is gebeurd • ce qui est fait est faitdat gebeurt niet meer, begrepen? • cela ne se reproduira plus, compris?een waar gebeurd feit • un fait authentiquehet is gebeurd met hem • il est finieen gebeuren • un événementer moet nog heel wat gebeuren voor … • on aura un bon bout de chemin à faire avant …het is gebeurd • c'est faiter moet iets gebeuren, zo kan het niet blijven • il faut faire qc., cela ne peut pas continuer comme celahet is zó gebeurd • c'est simple comme bonjour3 het zal je gebeuren! • imaginez que cela vous arrive!wat is er met jou gebeurd? • que t'est-il arrivé? quotidienne -
43 hemel
2 [zichtbaar deel van de hemel; ook beeldende kunst] ciel, ciels 〈 meervoud〉♦voorbeelden:hemel en aarde bewegen • remuer ciel et terrehet scheen of hemel en aarde zouden vergaan • on aurait dit que c'était la fin du mondeeen verschil van hemel en aarde • une différence du tout au toutin 's hemels naam • au nom du cielom 's hemels wil • pour l'amour du cielonder de blote hemel (slapen) • (coucher) à la belle étoilelieve, goeie hemel! • juste ciel!de hemel beware me • le ciel m'en préserveje mag de hemel wel danken • tu peux remercier le cielde hemel weet waar hij is • Dieu sait où il estde hemel zij dank! • béni soit le ciel!de sterren aan de hemel • les étoiles dans le cielde zon staat al hoog aan de hemel • le soleil est déjà haut au firmamentiemand, iets de hemel in prijzen • élever qn., qc. jusqu'au cielOnze Vader die in de hemelen zijt • Notre Père qui êtes aux cieuxhet oog ten hemel heffen • lever les yeux au cielde hemel is mijn getuige • le ciel m'est témoin2 donkere wolken vertoonden zich aan de politieke hemel • des nuages noirs s'amoncelaient à l'horizon politiqueeen heldere plek aan de hemel • une éclairciein de hemel komen • aller au cielhij heeft een hemel op aarde • il a son paradis sur terre -
44 hij flapt er maar alles uit
hij flapt er maar alles uit -
45 ik voel het aan mijn water
ik voel het aan mijn water -
46 inhaken
1 [+ op][aanknopen bij] enchaîner (à)2 [de arm steken door andermans arm] donner le bras (à qn.)♦voorbeelden:inhaken op een mode • prendre le train d'une vogue -
47 inpikken
-
48 meelopen
1 [vergezellen] accompagner (qn.)2 [meedoen] suivre (qn.)♦voorbeelden:1 een eindje met iemand meelopen • faire un petit bout de chemin avec qn.er lopen goede atleten mee in deze wedstrijd • il y a de bons athlètes qui participent à cette course -
49 mogelijkheid
♦voorbeelden:de mogelijkheden van een persoon • les capacités d'une personnedat behoort tot de mogelijkheden • c'est une possibilité à envisagerAmsterdam biedt vele mogelijkheden • Amsterdam offre de nombreuses attractionszij onderschat haar mogelijkheden • elle sous-estime ses facultésvoor ieder de mogelijkheid scheppen om … • donner à chacun la possibilité de …ik zie er de mogelijkheid niet van in • cela ne me paraît pas du domaine du possibleik kan met geen mogelijkheid … • il m'est impossible de …ik kon de deur met geen mogelijkheid open krijgen • je n'arrivais absolument pas à ouvrir la porteop alle mogelijkheden voorbereid zijn • être prêt à toute éventualitéik zie geen mogelijkheid me daarvoor vrij te maken • je ne vois pas (le) moyen de me libérer pour celade mogelijkheid bestaat dat … • il est possible que … 〈+ aanvoegende wijs〉een loopbaan met mogelijkheden • une carrière qui offre des chances d'avenir -
50 passen
1 [nauwkeurig sluiten] aller (bien)2 [+ bij][overeenstemmen] aller ensemble (avec)3 [toepasselijk zijn; schikken; gepast zijn] convenir4 [+ op][ervoor waken] s'occuper (de qn., qc.)5 [kaartspel] passer♦voorbeelden:de sleutel past niet goed in het slot • la clé ne rentre pas dans la serrurein elkaar passen • s'emboîterdat past niet in zijn denkwijze • cela ne cadre pas avec ses idéesde leiding past goed op de kraan • le tuyau est bien ajusté au robineteen stel dat slecht bij elkaar past • un couple mal assortidat past niet bij je leeftijd • ce n'est pas de ton âgedat past niet in de doos • ça n'entre pas dans la boîtedit past een man van wetenschap niet • ce n'est pas digne d'un homme de sciencedie taal past niet in de mond van kinderen • ce langage est déplacé dans la bouche d'un enfanthij past niet in deze omgeving • il détonne dans ce milieuwanneer past het u dat ik eens kom? • quand cela vous arrangerait-il que je passe vous voir?op de kinderen passen • garder les enfantsop zijn zaken passen • veiller à la bonne marche de ses affairesop het huis passen • garder la maisonzou je even op mijn spullen willen passen? • tu veux bien surveiller mes affaires un instant?ik pas • je passe→ link=tel telII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 [nauwkeurig meten] mesurer (qc.) (avec précision)2 [precies genoeg betalen] faire l'appoint3 [juist plaatsen] ajuster4 [kijken of het goed zit] essayer♦voorbeelden:1 〈 figuurlijk〉 met veel passen en meten kwamen we eruit • cela n'est pas allé tout seul, mais nous y sommes arrivésdat is precies gepast • le compte y esthebt u het niet gepast? • vous n'avez pas la monnaie? -
51 raden
1 [vermoeden; gissen (naar)] deviner2 [adviseren] conseiller♦voorbeelden:raad eens wie daar komt • devine un peu qui arrivegoed geraden! • tu y es!mis, fout raden • tomber à côtédat raadt u nooit • je vous le donne en millenaar iets raden • deviner qc.2 het is je geraden om … • tu ferais bien de …dat is je geraden! • tiens-le-toi pour dit! -
52 spreker
spreker, spreekster♦voorbeelden: -
53 teken
♦voorbeelden:een teken des tijds • un signe des tempsgeheimzinnige tekens • signes mystérieuxdat is een goed teken • c'est bon signedit is een veeg teken • c'est de mauvais auguretekenen van ongeduld geven • donner des signes d'impatienceeen teken geven om te beginnen • faire signe de commencertekenen die wijzen op … • des signes qui indiquent …, des signes de 〈+ zelfstandig naamwoord〉dat is een teken aan de wand • cela ne présage rien de bononze tijd staat in het teken van de computer • notre époque est placée sous le signe de l'ordinateurten teken van rouw • en signe de deuildat is een teken dat er regen komt • c'est signe qu'il va pleuvoir -
54 u
u1〈de〉1 u 〈m., onveranderlijk〉♦voorbeelden:————————u21 vous♦voorbeelden:ik heb u gezien • je vous ai vuhij heeft het u gegeven • il vous l'a donnéu heeft het gedaan • c'est vous qui avez fait çau tegen iemand zeggen • vouvoyer qn.is dit van u? • c'est à vous? -
55 uitgaan
1 [naar buiten, van huis gaan] sortir (de)2 [doven] s'éteindre3 [+ van][als uitgangspunt nemen] partir (de)4 [+ van][verspreid worden] émaner (de)5 [+ van][georganiseerd worden] être organisé (par)6 [+ op][eindigen] se terminer (par, en)♦voorbeelden:het huis uitgaan • quitter la maisonde uitgaande post • le courrier sortantvan uitgaan houden • aimer les sortiesop verkenning uitgaan • aller en reconnaissance3 ervan uitgaande dat … • partant du principe que …van een veronderstelling uitgaan • partir d'une hypothèselaten we uitgaan van een gezin van 4 personen • prenons une famille de 4 personnesdeze verklaring gaat uit van het ministerie • cette déclaration émane du ministèrede Franse werkwoorden die op -er uitgaan • les verbes français qui se terminent en -er -
56 van wie heb je dat?
van wie heb je dat?qui t'a dit ça? -
57 waaraan
-
58 wie zwijgt, stemt toe
wie zwijgt, stemt toe -
59 zelf
zelf1〈 het〉♦voorbeelden:mijn oude zelf • mon ancien moi————————zelf21 [algemeen] même2 [persoonlijk] soi-même♦voorbeelden:het huis zelf is onbeschadigd • la maison elle-même n'a subi aucun dommagede meester zelf heeft het gezegd • c'est le maître lui-même qui l'a ditdat moet u zelf beslissen • c'est à vous seul d'en déciderzeg nou zelf • ce n'est pas ton avis?ik wil het zelf zien • je veux le voir de mes propres yeuxik heb hem zelf gezien • je l'ai vu moi-même→ link=zeggen zeggen -
60 zwijgen
zwijgen1〈 het〉voorbeelden:iemand het zwijgen opleggen • couper la parole à qn.; 〈 figuurlijk〉 réduire qn. au silencehet zwijgen verbreken • rompre le silence————————zwijgen21 [niet spreken; geen geluid meer geven] se taire2 [geen melding maken van] tairevoorbeelden:iemand tot zwijgen brengen • réduire qn. au silencede stem van zijn geweten tot zwijgen brengen • faire taire sa consciencezwijg! • tais-toi!, taisez-vous!2 over iets zwijgen • passer qc. sous silenceom nog te zwijgen van … • sans parler de …→ link=zilver zilver
См. также в других словарях:
Les Schtroumpfs et le livre qui dit Tout — 26e album de la série Les Schtroumpfs Scénario Thierry Culliford et Alain Jost Dessin Pascal Garray Coloriste Nine Culliford Personnages principaux … Wikipédia en Français
Les Schtroumpfs et le livre qui dit tout — 26e album de la série Les Schtroumpfs Scénario Thierry Culliford et Alain Jost Dessin Pascal Garray Coloriste Nine Culliford Personnages principaux … Wikipédia en Français
Les Schtroumpfs et le Livre qui dit tout — 51e histoire de la série Les Schtroumpfs Scénario Thierry Culliford et Alain Jost Dessin Pascal Garray Couleurs Nine Culliford Personnages principaux … Wikipédia en Français
Celui qui dit oui, celui qui dit non — (Der Jasager, Der Neinsager) sont à la fois deux pièces de théâtre et deux opéras du dramaturge allemand Bertolt Brecht et du compositeur Kurt Weill, écrit en 1929 et 1930. Portail de l’opéra … Wikipédia en Français
Qui m'emporte — Le Tonnerre de dieu Jupiter : dieu du tonnerre Auteur Bernard Clavel Genre … Wikipédia en Français
Qui M'aime Me Suive — est un film français réalisé par Benoît Cohen, sorti en 2006. Sommaire 1 Synopsis 2 Fiche technique 3 Distributions 4 Lien exte … Wikipédia en Français
Qui m'aime me suive — est un film français réalisé par Benoît Cohen, sorti en 2006. Sommaire 1 Synopsis 2 Fiche technique 3 Distributions 4 Lien externe … Wikipédia en Français
qui — (ki), pronom relatif, ou mieux conjonctif, des deux genres et des deux nombres. 1° Il unit un substantif à une proposition subordonnée ; en cet emploi, il n est jamais le régime direct d un verbe, bien qu il puisse être le régime d une… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
qui — [ ki ] pron. • 842; lat. qui I ♦ Pronom relatif des deux nombres, masculin ou féminin, désignant une personne ou une chose. A ♦ (Sujet) 1 ♦ (Avec antécédent exprimé) « L homme qui rit », roman de Victor Hugo. « Les gens que nous aimons et qui… … Encyclopédie Universelle
dit — dit, dite 1. (di, di t ) part. passé de dire. 1° Ces paroles dites avec fermeté. Un discours bien dit. Cela dit, il partit. • Aujourd hui ce qui ne vaut pas la peine d être dit, on le chante, BEAUMARCHAIS Barb. de Sév. I, 2. Tout est dit,… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
dit — dit, dite [ di, dit ] adj. et n. m. • de 1. dire I ♦ Adj. 1 ♦ Surnommé. Louis XV, dit le Bien Aimé. Lieu dit. ⇒ lieudit. 2 ♦ Dr. (joint à l art. défini) Ledit, ladite, lesdits, lesdites : ce dont on vient de parler. Ledit acheteur. Ladite maison … Encyclopédie Universelle