-
21 Sieg
〈m.; Sieg(e)s, Siege〉♦voorbeelden:1 ein glatter, klarer Sieg • een duidelijke, overtuigende overwinningeinen Sieg buchen, davontragen • een overwinning boeken, behalenauf Sieg spielen • spelen om te winnenunser Sieg über den Feind • onze zege over, overwinning op de vijand -
22 Tod
〈m.; Tod(e)s, Tode〉♦voorbeelden:eines natürlichen Todes sterben • een natuurlijke dood sterventausend Tode sterben • duizend doden sterven, duizend angsten uitstaandu holst dir noch den Tod! • je gaat er nog aan (kapot)!dem Tode geweiht • ten dode opgeschrevenauf den Tod (darnieder)liegen • doodziek zijn〈informeel; figuurlijk〉 auf den Tod • absoluut, helemaal(bis) über den Tod hinaus • over de dood, het graf heen〈 formeel〉 in den Tod gehen • de dood ingaan, vindenmit dem Tod(e) spielen • met zijn leven spelensich zu Tode arbeiten • zich dood-, kapotwerkenzu Tode erkrankt • doodziekzu Tode kommen • aan zijn einde komen〈 figuurlijk〉 etwas zu Tode reden, reiten • over iets blijven doorzeuren, doormalensich zu Tode schämen • zich doodschamensich zu Tode siegen • een Pyrrusoverwinning behalenbis zum Tod(e) • tot de doodjemanden zum Tode verurteilen • iemand ter dood veroordelenTod und Teufel! • verdomd!sich nicht vor Tod und Teufel fürchten • voor de duivel niet bang zijnder Tod schont keinen • de dood verschoont niemand -
23 Zunge
Zunge〈v.; Zunge, Zungen〉♦voorbeelden:1 böse Zungen behaupten … • boze tongen beweren …eine falsche Zunge haben • een leugenaar zijneine feine, verwöhnte Zunge haben • een fijnproever, lekkerbek zijnso weit die französische Zunge klingt • overal waar Frans gesproken wordteine geläufige Zunge haben • welbespraakt zijnjemandem hängt die Zunge zum Halse heraus • (a) iemand vergaat van de dorst; (b) iemand hangt de tong op de schoeneneine Sache brennt jemandem auf der Zunge • iets brandt iemand op de lippendas Wort auf der Zunge haben • het woord op de tong, op de lippen hebbendas Herz auf der Zunge tragen • het hart op de tong hebbenmit (heraus)hängender Zunge • met de tong uit de mond, buiten ademetwas geht jemandem schwer von der Zunge • iemand krijgt iets niet over zijn lippen -
24 am ganzen Körper zittern
am ganzen Körper zittern————————am ganzen Körper zitternWörterbuch Deutsch-Niederländisch > am ganzen Körper zittern
-
25 an
an1〈voorzetsel + 3,4〉1 aan, op ⇒ (tot) bij, tegen2 op ⇒ in, met♦voorbeelden:am Fenster stehen • bij het raam staanjemanden an der, die Hand nehmen • iemand bij de hand nemenFrankfurt am Main • Frankfurt aan de Mainan Ort und Stelle • ter plaatseetwas an seinen Platz stellen • iets op zijn plaats zettensich an den Schrank lehnen • tegen de kast leunenan jener Stelle • op die plaatsetwas an die Tafel schreiben • iets op het bord schrijvensich an den Tisch setzen • aan tafel plaatsnemender Ort, an dem er wohnte • de plaats waar hij woondebis an den Rhein • tot aan de Rijnam Ufer entlang gehen • langs de oever gaan, lopenan … vorbei, vorüber • langs … heener ging an mir vorbei, vorüber • hij passeerde mijam Ende des Jahres • aan, op het einde van het jaaram Montag • op maandag, 's maandagsam 2. Juni • op 2 juni, de tweede junian Ostern • met Pasenein Schreiben an mich • een schrijven aan mij (gericht)der Tag, an dem es geschah • de dag waarop dat gebeurdebis an seinen letzten Tag • tot de laatste dag toe5 Mangel, Überfluss an Rohstoffen • gebrek, overvloed aan grondstoffenarm, reich an Nährstoffen • arm, rijk aan voedingsstoffengesund an Leib und Seele • gezond naar lichaam en ziel6 an Krücken gehen • met, op krukken lopenKopf an Kopf stehen • op elkaar gepakt staanTür an Tür wohnen • naast elkaar wonenam besten, meisten, schönsten • het best, het meest, het mooist, op zijn mooistetwas an sich 〈 3e naamval〉 haben • iets als typische eigenschap hebben, iets over zich hebbenan sich halten • zich beheersenes ist nichts an dem • het klopt niet, daar is niets van aanjetzt ist es an dir, zu handeln • nu is het jouw beurt, taak te handelenan dem Roman ist nicht viel (dran) • die roman is niet veel zaaksdas Haus an sich ist schön • het huis op zichzelf is mooian (und für) sich hat er Recht • in de grond, eigenlijk heeft hij gelijk————————an2〈 bijwoord〉4 〈 bij telwoorden〉ongeveer, circa♦voorbeelden:1 Scheinwerfer an! • lichten aan!an sein • aan zijn, aan staan, ingeschakeld zijn3 an Köln, Köln an: 13.20 • aankomst in Keulen: 13.20von Anfang an • vanaf het beginvon Jugend, Kindheit an • van kindsbeen af -
26 ausbringen
ausbringen♦voorbeelden: -
27 beben
-
28 befehlen
befehlen♦voorbeelden:2 er wurde zu seinem Vorgesetzten befohlen • hij werd bij zijn chef geroepen, ontboden -
29 begehen
-
30 davon
♦voorbeelden:sich auf und davon machen • ervandoor gaanauf und davon sein • wegwezen2 〈 informeel〉 was habe ich davon! ich habe nur Ärger davon! • wat heb ik eraan! ik krijg er alleen maar ergernissen door!was halten Sie davon? • wat vindt u ervan?reden wir nicht mehr davon! • laten we er niet meer over praten!genug davon!, nichts mehr davon! • ik wil er niets meer over horen -
31 durchdenken
-
32 fahren
fahren♦voorbeelden:auf, in Urlaub fahren • met vakantie gaanmit dem Fahrstuhl fahren • met de lift gaan3 wann fährt dieser Zug? • wanneer vertrekt deze trein?aus dem Bett, den Federn fahren • uit bed springen, vliegenein Gedanke fuhr ihr durch den Kopf • een gedachte schoot haar door het hoofdwas ist bloß, nur in ihn gefahren? • wat bezielt hem toch?in die Kleider fahren • zijn kleren aanschieten5 jemandem durchs, übers Haar fahren • door, over iemands haar strijken, gaanII 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:eine Kurve fahren • een bocht nemeneine Strecke fahren • een traject afleggen♦voorbeelden: -
33 ganz
ganz1♦voorbeelden:1 das ist ganze Arbeit! • dat is prima (afgewerkt)!sein ganzes Geld • al zijn geldein ganzer Kerl • een kerel uit één stukeine ganze Menge • een hele hoop, heel watdie ganze Zeit (über) • de hele tijd, al die tijddie ganzen Bäume • alle bomenim Ganzen gesehen, genommen • over 't geheel bekeken, genomenim (Großen und) Ganzen • over 't geheel (genomen), in het algemeenganze 3 Stunden • volle, wel 3 uur————————ganz2〈 bijwoord〉3 〈 onbeklemtoond〉nogal, tamelijk♦voorbeelden:du bist ganz der Mann dazu • jij bent geknipt voor zoietsich bin ganz deiner Meinung! • ik ben het helemaal met jou eens!er hat ganz Recht • hij heeft volkomen gelijkdas ist etwas ganz anderes, 〈 informeel〉ganz was anderes! • dat is heel iets anders!ganz gleich, was du machst • wat je ook doetganz gleich, wie es ausgeht • hoe het ook aflooptganz gleich wann • om 't even wanneerganz und gar • geheel en al, compleetganz und gar nicht • helemaal niet2 ganz gewiss! • zeer, heel zeker!da hast du dich aber ganz schön getäuscht! • je hebt je (daarin) danig, schromelijk vergist! -
34 gebieten
gebieten〈 formeel〉♦voorbeelden:1 über ein Land gebieten • over een land heersen, gebiedenII 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:Eile war geboten • er was haast bij -
35 groß
groß1〈bijvoeglijk naamwoord; größer, (am) größt(en)〉♦voorbeelden:das ist ganz große Mode • dat is de grote mode〈 figuurlijk〉 die Großen der Welt • de grote heren, de grote lui, de groten der aardeunsere Große • onze grootste dochter, oudsteunser Großer, Größter • onze oudste (zoon, jongen)〈 informeel〉 das war ganz groß! • dat was geweldig, fantastisch!im Rechnen ist er groß • wat rekenen betreft is hij een hele pietim Großen betrachtet, gesehen • over het algemeen beschouwd, globaal genomenim Großen (und) Ganzen • over het geheel genomen, in het algemeenim Großen einkaufen • in het groot inkopenim Großen handeln • in het groot handelen, (een) groothandel drijven〈 figuurlijk〉 groß und breit • lang en breed, uitvoerig————————groß2〈 bijwoord〉♦voorbeelden:1 eine groß angelegte Aktion • een groots opgezette, grootscheepse actiejemanden groß anblicken, ansehen • iemand met grote ogen aankijkenwas ist da groß zu sagen? • wat moet je daar nou op zeggen?was ist das schon groß? • wat is daar nou aan? -
36 handeln
handeln1 handelen, handel drijven2 handelen, in- en verkopen♦voorbeelden:5 das Buch handelt über die, von der Entdeckung Amerikas • het boek gaat over de ontdekking van Amerika♦voorbeelden: -
37 im Großen und Ganzen
im (Großen und) Ganzenover 't geheel (genomen), in het algemeen————————im Großen (und) Ganzenover het geheel genomen, in het algemeen -
38 in
in1〈voorzetsel + 3,4〉1 〈m.b.t. plaats〉in, naar2 〈m.b.t. tijd〉in, op, over3 〈m.b.t. wijze〉in, op4 〈 in vaste uitdrukkingen〉in♦voorbeelden:in die Schule gehen • naar school gaan, een school bezoekenin die Stadt fahren • naar de stad gaanin der Stadt sein • in de stad zijnin der Nacht • in de nacht, 's nachtsin einer Stunde, Woche • over een uur, weekin vielen Arten • in vele soorteneine gute Note in Mathematik • een goed cijfer voor wiskundeMitglied in einer Partei sein • lid van een partij zijnin Urlaub fahren • met, op vakantie gaanin sich gehen • in zichzelf keren〈 informeel〉 der hats in sich! • dat is me er een!————————in2〈 bijwoord〉♦voorbeelden:¶ in sein • in zijn, in de mode zijn -
39 kreuzen
kreuzenII 〈 overgankelijk werkwoord〉2 kruisen, overkruisen, dwarsen♦voorbeelden:1 tegengesteld zijn, tegenover elkaar staan, indruisen tegen -
40 lesen
lesen1 lezen, verzamelen, in-, bijeenzamelen ⇒ oogsten, plukken2 (uit)lezen, uitzoeken ⇒ schoonmaken♦voorbeelden:Holz lesen • hout sprokkelenTrauben lesen • druiven plukken, oogsten2 Erbsen lesen • erwten lezen, uitzoekenSalat lesen • sla schoonmakenII 〈overgankelijk & onovergankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:ich habe etwas darüber, davon gelesen • ik heb er iets over gelezen♦voorbeelden:1 dieses Buch liest sich leicht • dit boek leest prettig, is goed leesbaar
См. также в других словарях:
over — over; lar·over; more·over; over·alled; over·bear·ance; over·bear·ing·ly; over·berg; over·bur·den·ing·ly; over·come·er; over·compensate; over·compensation; over·compound; over·confidence; over·confident; over·conservative; over·den; over·fulfill;… … English syllables
Over — O ver, adv. 1. From one side to another; from side to side; across; crosswise; as, a board, or a tree, a foot over, i. e., a foot in diameter. [1913 Webster] 2. From one person or place to another regarded as on the opposite side of a space or… … The Collaborative International Dictionary of English
Over — O ver ([=o] v[ e]r), prep. [AS. ofer; akin to D. over, G. [ u]ber, OHG. ubir, ubar, Dan. over, Sw. [ o]fver, Icel. yfir, Goth. ufar, L. super, Gr. ype r, Skr. upari. [root]199. Cf. {Above}, {Eaves}, {Hyper }, {Orlop}, {Super }, {Sovereign},… … The Collaborative International Dictionary of English
Over — may refer to: Contents 1 Places 2 Music 3 Other 4 See als … Wikipedia
Over — «Over» Сингл … Википедия
Over It — may refer to: Over It (band), an American pop punk band Over It (EP), an EP by face to face Over It (Katharine McPhee song) Over It , a song by Addictiv Over It , a song by Anneliese van der Pol from the soundtrack of the 2004 film Stuck in the… … Wikipedia
Over 21 — Directed by Charles Vidor Produced by Sidney Buchman Written by Ruth Gordon (play) Sidney Buchman Starring … Wikipedia
over — UK US /ˈəʊvər/ adverb ► more or greater than: »Free delivery on orders over $25. »Over 80% of temporary workers are part timers. »The cable company has viewers in over 5 million households. »Shares fell by just over 1 per cent to 1,327p. ► during … Financial and business terms
Over — bezeichnet: Over (Cricket), eine Serie von sechs Würfen in der Sportart Cricket Over (Seevetal), ein Ortsteil der Gemeinde Seevetal Over (Waldbreitbach), ein Dorf im Naturpark Rhein Westerwald auf einem Höhenrücken des Wiedtals gelegen, Ortsteil… … Deutsch Wikipedia
Over... — «Over...» Sencillo de 12012 Publicación 15 de noviembre de 2006 Formato Disco compacto Género(s) Rock alternativo Visual kei … Wikipedia Español
over — adj: based on the termination or failure of a prior estate a limitation over see also gift over at gift Merriam Webster’s Dictionary of Law. Merriam Webster. 1996 … Law dictionary