-
1 auflaufen
auflaufenI 〈onovergankelijk werkwoord; sein〉4 〈 scheepvaart〉vastlopen, stranden♦voorbeelden:2 die Schuld ist auf 10.000 Mark aufgelaufen • de schuld is tot 10.000 mark opgelopen3 auflaufendes Wasser • stijgend water, opkomend tij♦voorbeelden: -
2 Schaden
Schaden〈m.; Schadens, Schäden〉2 schade, beschadiging ⇒ defect, gebrek♦voorbeelden:Schaden davontragen, erleiden • schade oplopen, lijden; nadeel ondervindenes soll dein Schaden nicht sein • het zal niet in je nadeel zijner nimmt Schaden an seiner Gesundheit • zijn gezondheid lijdt eronder, wordt erdoor geschaad〈 informeel〉 ab, fort, weg mit Schaden! • weg ermee!〈 formeel〉 zu Schaden kommen (bei) • verlies lijden (bij), nadeel ondervinden (van)〈 spreekwoord〉 wer den Schaden hat, braucht für den Spott nicht zu sorgen • wie de schade heeft, heeft de schande erbijzu Schaden kommen • letsel oplopen, gewond raken -
3 davontragen
-
4 havarieren
-
5 hinaufgehen
-
6 zuziehen
zuziehen1 komen wonen, zich vestigenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 dichttrekken, sluiten3 erbij halen, te rade gaan4 oplopen, zich op de hals, het lijf halen♦voorbeelden: -
7 Havarie
-
8 Havarie erleiden
-
9 Horn
Horn1〈o.; Horn(e)s, Hörner〉♦voorbeelden:ins Horn blasen • op de hoorn blazen————————Horn2〈o.; Horn(e)s, Horne〉 -
10 Rückstand
-
11 Schaden nehmen
schade lijden, oplopen -
12 Verletzungen erleiden
-
13 anlaufen
anlaufen1 beginnen (te lopen), starten4 strijden, vechten♦voorbeelden:7 vor Scham, Zorn rot anlaufen • rood aanlopen van schaamte, woedeII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 aandoen, aanvaren♦voorbeelden: -
14 anziehen
anziehenI 〈onovergankelijk werkwoord; haben〉♦voorbeelden:3 um das Doppelte anziehen • met het dubbele oplopen, verdubbelen4 Aktien, Börsenkurse ziehen an • aandelen, beurskoersen trekken aanII 〈 overgankelijk werkwoord〉6 aantrekken ⇒ (aan)spannen, aanhalen♦voorbeelden:3 die Beine, Knie anziehen • zijn benen, knieën optrekkenBesucher, Käufer anziehen • bezoekers, kopers aantrekken -
15 auf 20 Grad steigen
auf 20 Grad steigen -
16 auf jemanden auflaufen
auf jemanden auflaufen -
17 auflesen
-
18 aufsummieren
aufsummieren, baufsummen/b -
19 die Treppe hinaufgehen
-
20 eine Verletzung davontragen
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch > eine Verletzung davontragen
Перевод: с немецкого на нидерландский
с нидерландского на немецкий- С нидерландского на:
- Немецкий
- С немецкого на:
- Все языки
- Английский
- Нидерландский
oplopen
Страницы