-
1 strook
2 [reep papier] strip ⇒ slip, 〈 etiket〉 label, 〈 etiket〉 tag, 〈 controlestrookje〉 stub, 〈 controlestrookje〉 counterfoil3 [reep stof] flounce, frill♦voorbeelden:3 een bloes met stroken • a frilled /frilly blouse -
2 strook
n. strip, slip, flounce, binding, ribbon, counterfoil, stria, lappet, fillet, breadth -
3 strook
• band• strip -
4 baan
1 [betrekking] job3 [sport] 〈ren/wielerbaan〉 track; 〈 tennis〉 court; 〈 ijs〉 rink; 〈 wedstrijdschaatsen〉 speed skating track; 〈 ski〉 run, piste; 〈 golf〉 course; 〈 afgebakend deel〉 lane5 [strook stof/behang] length, width♦voorbeelden:een vaste baan hebben • have a permanent jobgeen baan hebben • be out of a jobzijn baan opgeven • give up one's jobvan baan veranderen • change one's jobeen baan zoeken • look for a job3 wedstrijden op de lange/korte baan • long-/short-distance raceseen paar baantjes zwemmen • swim a few lengthsstarten in baan drie • start in lane three -
5 band
band1I 〈de〉2 [ring om een wiel] tyre3 [magneetband] tape4 [transportband] conveyor (belt)8 [wat rondom iets wordt bevestigd] band♦voorbeelden:2 een lekke band • a flat tyre, a punctureiets op de band opnemen • tape somethingaan de band staan • work on the assembly linenauwe banden met het moederland onderhouden • maintain strong ties with one's mother countryde banden der vriendschap aanhalen • tighten the bonds of friendshipgeen enkele band meer hebben met zijn familie • have severed all connections with one's familyde banden verbreken • sever the ties¶ aan de lopende band doelpunten scoren/rotopmerkingen maken • pile on scores, make scathing remarks all the timeiemand aan banden leggen • restrain someonedoor de band • on averageuit de band springen • get out of handII 〈 het〉————————band2〈de〉 〈 Engels〉 -
6 corridor
-
7 lamel
1 〈 plaatje〉 plate ⇒ (laminated) layer, 〈 strook〉 strip, 〈van weekdier/plaatzwam〉 lamella, 〈 van gesteente〉 lamina♦voorbeelden:1 de lamellen van een transformator/zonwering • the (cooling) fins of a transformer, the slats of a Venetian blindparket in lamellen • parquet in strips -
8 reep
2 [chocolade] (chocolate) bar♦voorbeelden: -
9 rijbaan
-
10 schaalverdeling
♦voorbeelden:Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > schaalverdeling
-
11 schroot
-
12 slab
1 [morsdoekje] bib♦voorbeelden: -
13 strand
-
14 streep
2 [smalle strook] stripe ⇒ line, 〈 breed〉 band, 〈 breed〉 bar, 〈 onregelmatig〉 streak 〈van licht/vuil〉♦voorbeelden:〈 figuurlijk〉 een streep door een plan halen • thwart a plan, knock a plan on the headop zijn strepen staan • get up on one's high horse -
15 strip
3 [verpakking] strip, blister pack -
16 tape
1 [plakband] (adhesive) tape2 [magneetband] (magnetic) tape3 [papieren strook bij een telegraaftoestel] (ticker) tape -
17 weg
weg1〈de〉4 [doortocht] way♦voorbeelden:de grote weg • the main road, the motorwayeen kortere weg nemen • take a short cutopenbare weg • public highway/roadop de rechte/goede/verkeerde weg zijn • be on the right/wrong trackeen weg aanleggen • build a roadde weg afsnijden voor (onderhandelingen) • shut the door on (negotiations)de weg effenen voor iemand • pave the way for someonezijn eigen weg gaan • go one's own wayde weg weten • know the wayiemand de weg wijzen • show someone the wayaan de weg naar Delft • on the road to Delftflink aan de weg timmeren • be busy creating a distinct profile for oneselfzich op weg begeven • set/start outop weg gaan • set off (on a trip), set out (for), godat is de kortste/zekerste weg • that is the quickest/surest waylangs deze onsympathieke weg • even though I don't like this meanszich van slinkse wegen bedienen, slinkse wegen gaan • use devious ways and meansnieuwe wegen openen voor de handel • open new channels for tradenog een lange weg voor zich hebben/te gaan hebben • have a long way to go4 iemand de weg afsnijden • cut someone off, block someone's wayzich een weg banen • work/edge one's way through; 〈 met meer kracht〉 force/fight one's way through; 〈 in de wereld〉 carve one's (own) way (in the world)met zijn tijd/geld geen weg weten • not know what to do with one's time/money(iemand) in de weg staan • stand in someone's/the wayiemand iets in de weg leggen • put something in someone's way(voor) iemand uit de weg gaan • keep/get out of someone's way, avoid someoneproblemen uit de weg ruimen • get rid of/eliminate problemsiemand uit de weg ruimen • eliminate someone, get rid of someoneeen misverstand uit de weg helpen • clear up a misunderstanding————————weg2〈 bijwoord〉1 [afwezig; niet te vinden] gone2 [verrukt] crazy3 [verwijderd] away♦voorbeelden:de sleutel/de pijn/haar geld is weg • the key/pain/money is goneweg wezen! • 〈 plaats buiten〉 (let's) get away from here!; 〈 plaats binnen〉 (let's) get out of here!weg met … • away/down with …het heeft er veel van weg dat hij het met opzet deed • it looks very much as if he did it on purpose
См. также в других словарях:
Strook — Strook, obs. imp. of {Strike}. Dryden. [1913 Webster] … The Collaborative International Dictionary of English
Strook — Strook, n. A stroke. [Obs.] Chaucer. [1913 Webster] … The Collaborative International Dictionary of English
strook — /strook/, v. Scot. and North Eng. a pt. and pp. of strike. * * * … Universalium
strook — obsolete variant of struck * * * strook «struk», verb. Obsolete. struck; a past participle of strike. * * * strook(e, en see strike v., stroke … Useful english dictionary
bı̏strook — (bistròok) prid. 〈odr. ī/bistròokī〉 koji ima bistro (oštro) oko, koji bistro i jasno gleda; bistrovid … Veliki rječnik hrvatskoga jezika
strike — strikeless, adj. /struyk/, v., struck or (Obs.) strook; struck or (esp. for 31 34) stricken or (Obs.) strook; striking; n., adj. v.t. 1. to deal a blow or stroke to (a person or thing), as with the fist, a weapon, or a hammer; hit … Universalium
strooke — /strōk/ noun (obsolete) A stroke • • • Main Entry: ↑strook * * * strook(e, en see strike v., stroke … Useful english dictionary
juge d'in|struc|tion — «zhooZH dan strook syawn», plural. juges d in|struc|tion «zhooZH dan strook syawn». French. an examining magistrate authorized to interrogate witnesses and suspects … Useful english dictionary
ABRAMS, ROBERT — (1938– ), U.S. politician, attorney general of New York. Abrams received his B.A. from Columbia College in 1960 and graduated from New York University School of Law in 1963. In 1965, he was elected at the age of 27 to the first of three terms in… … Encyclopedia of Judaism
HAUSER, RITA ELEANOR — (1934– ), U.S. lawyer and U.N. representative known for her interests in world peace, human rights, and philanthropic ideals. The elder of two daughters of Nathan and Frieda Abrams, Hauser received her B.A. from Hunter College in 1954, did… … Encyclopedia of Judaism
HELLER, ẒEVI HIRSCH — (1776–1834), Galician and Hungarian rabbi. Born in Zamoscz, Galicia, Heller was already noted for his acumen in his youth and was designated Hirsch Ḥarif ( Hirsch, the sharp witted ). His first rabbinate was in Brugl, Silesia, and in 1817 he was… … Encyclopedia of Judaism