-
61 constructive solid geometry: CSG
constructieve ruimtelijke geometrieEnglish-Dutch technical dictionary > constructive solid geometry: CSG
-
62 base
adj. laag, verachtelijk--------n. basis; grondslag; grondvlak--------v. baserenbase1[ bees] 〈 zelfstandig naamwoord〉♦voorbeelden:the base of the triangle • de basis van de driehoekcatch someone off base • iemand overvallen/onverwacht treffen————————base2〈bijvoeglijk naamwoord; baser; baseness〉1 laag ⇒ minderwaardig, verachtelijk♦voorbeelden:1 a base action • een laffe/gemene daad————————base3〈 werkwoord〉2 vestigen♦voorbeelden:1 computer-based accountancy • geautomatiseerde/gecomputeriseerde boekhoudingbase oneself on • uitgaan vanbased (up)on mere gossip • slechts op roddel berustend -
63 construction
n. gebouw; bouwplaats, bouw; betekenis[ kənstruksjn]1 interpretatie ⇒ voorstelling van zaken, uitleg♦voorbeelden:1 constructie ⇒ aanbouw/leg, (huizen)bouw, bouwwerk♦voorbeelden:under construction • in aanbouw -
64 dissolve
v. oplossen, smelten, vloeibaar worden; verdwijnen; ontbinden; uitelkaar drijven[ dizzolv]♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 oplossen♦voorbeelden: -
65 figure
n. cijfer, nummer; gestalte; vorm; getal, bedrag; lichaams bouw, figuur; indruk; uitdrukking; voorbeeld--------v. voorkomen, een rol spelen, vanzelf spreken; rekenen, cijferen; menen, gelovenfigure1[ figə] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 vorm ⇒ contour, omtrek; gedaante, gestalte, figuur5 cijfer7 bedrag ⇒ waarde, prijs♦voorbeelden:keep/lose one's figure • zijn figuur houden/kwijtrakenpublic figure • (algemeen) bekend persoon¶ cut a brilliant/poor/sorry figure • een schitterend/armzalig figuur slaan————————figure21 voorkomen ⇒ een rol spelen, gezien worden♦voorbeelden:figure in a book • in een boek voorkomenII 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:I figured Fred for a crook • ik dacht dat Fred een oplichter was→ figure out figure out/ -
66 pass
n. pas; stand van zaken; doorgang; slagen bij een examen; doorgeven van een bal; handbeweging--------v. voorbijgaan, passeren; aangeven; slagen; inhalen; goedkeurenpass1[ pa:s] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 passage ⇒ (berg)pas; doorgang, vaargeul♦voorbeelden:it/things had come to such a pass that • het was zo ver gekomen dat————————pass21 (verder) gaan ⇒ (door)lopen, voortgaan2 voorbijgaan ⇒ passeren; voorbijkomen; overgaan, eindigen3 passeren ⇒ er door(heen) (ge)raken/komen6 aanvaard/aangenomen worden ⇒ slagen 〈 voor examen(onderdeel)〉; door de beugel kunnen 〈 grove taal bijvoorbeeld〉10 overgemaakt/overgedragen worden♦voorbeelden:pass from a solid to an oily state • van een vaste in een olieachtige stof overgaanpass to other matters • overgaan naar/tot andere zakenpass on the left • s inhalenpass unnoticed • niet opgemerkt wordeneverything must pass • aan alles moet een einde komenno passing (permitted) • geen doorgangplease, let me pass • mag ik er even langswe are only passing through • we zijn enkel op doorreispass as/for • doorgaan voor, dienen alscome to pass • gebeuren〈 juridisch〉 pass on/upon a constitutional question • een uitspraak doen/vonnis vellen over een grondwettelijke kwestie→ pass away pass away/, pass between pass between/, pass by pass by/, pass into pass into/, pass off pass off/, pass on pass on/, pass out pass out/, pass over pass over/, pass through pass through/II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 passeren ⇒ voorbijlopen, voorbijtrekken2 oversteken ⇒ gaan/lopen door, komen over4 goedkeuren ⇒ aanvaarden, bevestigen5 slagen in/voor6 komen door ⇒ aanvaard/bekrachtigd worden door♦voorbeelden:pass the salt • het zout doorgevenpass the word (a)round • vertel het verderpass in • inleverenpass an opinion • een oordeel/idee geven -
67 rock
n. rots; "Rock"muziek; beweging--------v. zacht bewegen; zich bewegen; schokkenrock1[ rok]I 〈eigennaam; Rock; the〉2 rotsblok3 (steen)rots ⇒ steun, toeverlaat4 〈 voornamelijk Brits-Engels〉zuurstok/pepermuntstaaf/kaneelstok♦voorbeelden:as solid as a rock • oersolide, onwrikbaar; betrouwbaarbe on the rocks • op de klippen gelopen/gestrand zijn 〈 ook figuurlijk〉; naar de knoppen zijn; 〈 informeel〉 (financieel) aan de grond (zitten)〈 voornamelijk Amerikaans-Engels〉 on the rocks • on the rocks/op ijs(blokjes) geserveerd 〈 van dranken〉————————rock21 schommelen ⇒ wieg(el)en, deinenII 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:
См. также в других словарях:
Solid — Sol id (s[o^]l [i^]d), a. [L. solidus, probably akin to sollus whole, entire, Gr. ???: cf. F. solide. Cf. {Consolidate},{Soda}, {Solder}, {Soldier}, {Solemn}.] 1. Having the constituent parts so compact, or so firmly adhering, as to resist the… … The Collaborative International Dictionary of English
solid — [säl′id] adj. [ME solide < MFr < L solidus < sollus, whole: see SOLEMN] 1. tending to keep its form rather than to flow or spread out like a liquid or gas; relatively firm or compact 2. filled with matter throughout; not hollow 3. a)… … English World dictionary
Solid — bezeichnet: Linksjugend solid, einen parteinahen Jugendverband der Partei Die Linke solid – die sozialistische Jugend, einen ehemaligen Jugendverband, der der PDS nahe stand Solid (Fürth), das Solarenergie Informations und Demonstrationszentrum… … Deutsch Wikipedia
Solid — Solid: Solid фреймворк интеграции оборудования в KDE 4. SOLID аббревиатура пяти основных принципов дизайна классов в объектно ориентированном проектировании. Solid студийный альбом группы U.D.O. (1997) … Википедия
solid — (adj.) late 14c., from O.Fr. solide firm, dense, compact, from L. solidus firm, whole, entire (related to salvus safe ), from PIE root *sol whole (Cf. Gk. holos whole, L. salus health; see SAFE (Cf. safe) (adj.)). Slang … Etymology dictionary
solid — [adj1] hard, dimensional brick wall*, close, compact, compacted, concentrated, concrete, consolidated, dense, firm, fixed, heavy, hefty, hulk, hunk, husky, massed, material, physical, rock, rocklike, rooted, secure, set, sound, stable, strong,… … New thesaurus
Solid — Sol id, n. 1. A substance that is held in a fixed form by cohesion among its particles; a substance not fluid. [1913 Webster] 2. (Geom.) A magnitude which has length, breadth, and thickness; a part of space bounded on all sides. [1913 Webster]… … The Collaborative International Dictionary of English
solid — UK US /ˈsɒlɪd/ adjective ► of a good standard: »The bank has reported solid earnings for the year … Financial and business terms
solid — solid[e]:1.⇨gediegen(1)–2.⇨haltbar(1)–3.⇨rechtschaffen–4.⇨anständig(1) solid 1.→fest 2.→gediegen 3.→rechtschaffen … Das Wörterbuch der Synonyme
solid — ► ADJECTIVE (solider, solidest) 1) firm and stable in shape; not liquid or fluid. 2) strongly built or made. 3) not hollow or having spaces or gaps. 4) consisting of the same substance throughout. 5) (of time) continuous. 6) … English terms dictionary
Solid — (v. lat.), 1) fest, im Gegensatz vom Flüssigen; 2) gediegen, gründlich, echt, zuverlässig, wahr, gültig; 3) rechtschaffen in der Denkungsart; 4) streng sittlich lebend; 5) in Handelsverhältnissen reell, bes. zu Lösung von Schuldverbindlichkeiten… … Pierer's Universal-Lexikon