-
1 kuppeln
kuppeln1 (ont)koppelen, de koppeling in-, uitschakelenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 (aaneen-, aan)koppelen ⇒ combineren, verbinden -
2 Kuppelpelz
-
3 anhängen
anhängen1〈onovergankelijk werkwoord; haben〉 〈 formeel〉1 aanhangen, aankleven ⇒ behept zijn met♦voorbeelden:————————anhängen22 toe-, bijvoegen♦voorbeelden:1 〈informeel; schertsend〉 ein Mädchen einem reichen Mann anhängen • een meisje aan een rijke man koppelenden Hut an einen Haken anhängen • de hoed op een haak hangen♦voorbeelden: -
4 ankuppeln
ankuppeln -
5 ein Mädchen einem reichen Mann anhängen
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch > ein Mädchen einem reichen Mann anhängen
-
6 einkuppeln
-
7 einrücken
einrücken1 binnenrukken, -trekken♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 inschakelen ⇒ koppelen, aanzetten♦voorbeelden: -
8 koppeln
koppeln1 (aan elkaar) koppelen ⇒ verbinden, aaneenschakelen -
9 verkuppeln
verkuppeln
См. также в других словарях:
kuppeln — Vsw erw. obs. (13. Jh.), mhd. kuppeln, kupelen, koppeln, kopelen verbinden Entlehnung. Kann von mhd. kup(p)el, kop(p)el Band, Verbindung (Koppel1) abgeleitet sein; ist aber eher schon als Verb von l. copulāre verbinden (wohl über das… … Etymologisches Wörterbuch der deutschen sprache