-
61 Einfall
-
62 Fassung
Fassung〈v.; Fassung, Fassungen〉3 kalmte, zelfbeheersing ⇒ innerlijk evenwicht♦voorbeelden:die verschiedenen Fassungen eines Begriffes • de verschillende definities van een begrip3 (die) Fassung behalten, bewahren • zijn kalmte, zelfbeheersing bewarenjemanden aus der Fassung bringen • iemand van zijn stuk brengenetwas in, mit Fassung ertragen • iets met kalmte verdragen5 die Fassung eines Problems • het vatten, begrijpen van een probleem -
63 Gott
〈m.; Gottes, Götter; 2e naamval zelden Gotts〉♦voorbeelden:allmächtiger Gott! • godallemachtig!großer, du lieber Gott! • hemeltje(lief)!, lieve hemel!der liebe Gott • Onze-Lieve-Heerdem lieben Gott den Tag stehlen • zijn tijd met nietsdoen verknoeien, lanterfantenGott behüte, bewahre! • God beware (me)!wie es Gott gefällt • zoals het God behaagt, zo God wil〈 regionaal〉 grüß (dich) Gott! • (goeden)dag!Gott hab ihn selig • God hebbe zijn zielso wahr mir Gott helfe • zo waarlijk helpe mij God almachtigGott sei es geklagt! • het is godgeklaagd!〈 informeel〉 den lieben Gott einen frommen, guten Mann sein lassen • Gods water over Gods akker laten lopenGott lohne es Ihnen! • God zal het u lonen!Gott sei Dank! • goddank!da sei Gott vor! • God bewaar me, ons!das walte Gott! • zo God wil!das war weiß Gott nicht einfach • dat was bij God niet gemakkelijkdas wissen die Götter • God weet, dat mag Joost wetenjemandes Gott sein • iemands afgod zijnleider Gottes • jammer genoegGott im Himmel! • lieve hemel!in Gott entschlafen, verscheiden • in de Heer ontslapenGott mit dir! • God zegene je!Gott mit uns! • God zij met ons!du bist wohl von allen Göttern verlassen! • ben je nou helemaal (een haartje betoeterd)!leben wie (ein) Gott in Frankreich • leven als God in Frankrijkach (du lieber) Gott! • lieve hemel! -
64 Gras
〈o.; Grases, Gräser〉♦voorbeelden:〈 figuurlijk〉 das Gras von unten besehen, betrachten • de wereld van de andere kant bekijken 〈 vanuit het graf〉¶ wo er hinhaut, da wächst kein Gras mehr! • als hij toeslaat, is het raak!darüber ist längst Gras gewachsen • dat is allang vergeten, allang in het vergeetboek geraaktüber eine Sache Gras wachsen lassen • ergens gras over laten groeien -
65 Haus
〈o.; Hauses, Häuser〉♦voorbeelden:jemandem das Haus einrennen • iemand de deur platlopendas Haus hüten • binnen moeten blijvenjemandem das Haus verbieten • iemand de toegang tot het huis ontzeggenfrei Haus liefern • franco (t)huis leverenmit jemandem Haus an Haus wohnen • direct naast iemand wonenaußer Haus • buitenshuisdie Ware ins Haus schicken • de goederen thuisbezorgenkommen Sie gut nach Hause! • wel thuis!ich habe noch keinen Schritt vor das Haus getan • ik heb nog geen stap buiten de deur gezetzu Hause sein • thuis zijnsie ist in Berlin zu Hause • ze is een Berlijnsefür niemanden zu Hause • voor niemand te sprekenin etwas zu Hause sein • ergens in thuis zijn, verstand van iets hebbenHaus und Herd haben • een gezin hebbendas Hohe Haus • het parlementdie ersten Häuser der Stadt • de voornaamste families van de stadaus gutem Hause • van goeden huizesie führt ihm das Haus • zij doet voor hem de huishouding8 wie gehts, altes Haus? • hoe gaat het, ouwe jongen?¶ 〈 spreekwoord〉 wenn die Katze aus dem Hause ist, tanzen die Mäuse • als de kat van huis (honk) is, dansen de muizen op tafel (in het schotelhuis) -
66 Herz
〈o.; Herzens, Herzen〉♦voorbeelden:jemandes Herz höher schlagen lassen • iemands hart feller doen kloppen (van verwachting)schweren Herzens • met een bezwaard gemoeder hat ein weiches Herz • hij is weekhartigein Herz für jemanden haben • hart voor iemand hebbendas Herz in die Hand nehmen • al zijn moed bijeengarenjemandem rutscht das Herz in die Hose • iemand zakt de moed in de schoenendas Herz war ihm schwer • hij was verdrietig, vol zorgendas liegt mir sehr am Herzen • dat gaat me erg ter hartejemandem etwas ans Herz legen • iemand iets op het hart bindendas ist mir ans Herz gewachsen • dat is mij zeer dierbaaraus seinem Herzen keine Mördergrube machen • van zijn hart geen moordkuil makenaus tiefstem Herzen • uit het diepst van het hartdas ist mir aus dem Herzen gesprochen • dat is mij uit het hart gegrepenjemanden ins, in sein Herz schließen • veel van iemand gaan houdendiese Worte schnitten ihm ins Herz • deze woorden griefden hem zeermit halbem Herzen • halfhartigetwas nicht übers Herz bringen • iets niet over z'n hart verkrijgenmir wurde bang ums Herz • het werd me bang te moedeseinen Kummer vom Herzen reden • zijn verdriet helemaal uitpratenein Herz und eine Seele sein • onafscheidelijk zijn, één van hart en ziel zijn -
67 Innere
Innere(s)〈bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord; o.〉♦voorbeelden:das Innere einer Weltraumkapsel • het inwendige van een ruimtevaartcapsuledas Innere nach außen kehren • het binnenste buiten kerenim Inneren Sibiriens • in het hartje van Siberië3 ins Innere der Kunst eindringen • tot de kern, het wezen van de kunst doordringen -
68 Inneres
Innere(s)〈bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord; o.〉♦voorbeelden:das Innere einer Weltraumkapsel • het inwendige van een ruimtevaartcapsuledas Innere nach außen kehren • het binnenste buiten kerenim Inneren Sibiriens • in het hartje van Siberië3 ins Innere der Kunst eindringen • tot de kern, het wezen van de kunst doordringen -
69 Messer
Messer1〈m.; Messers, Messer〉————————Messer2〈o.; Messers, Messer〉♦voorbeelden:〈 informeel〉 jemanden ans Messer liefern • iemand aan de vijand uitleveren, verradenetwas steht auf des Messers Schneide • iets is een dubbeltje op zijn kantbis aufs Messer • tot het uiterste〈 informeel〉 er blieb unter dem Messer • hij stierf onder het mes, tijdens de operatie -
70 Platz
Platz!lig!, af!————————〈m.; Platzes, Plätze〉♦voorbeelden:〈 formeel〉 bitte, behalten Sie Platz! • blijft u zitten, alstublieft!jemandem Platz machen • plaats voor iemand makenPlatz sparend • ruimtebesparender ist hier fehl am Platze • hij is hier niet op z'n plaatsdie Bemerkung ist hier nicht am Platz • die opmerking is misplaatstPlatz! 〈 tegen de hond〉 • lig!, af!〈 figuurlijk〉 auf dem Platze bleiben • het onderspit delven, sneuvelen -
71 Reich
〈o.; Reich(e)s, Reiche〉♦voorbeelden:das Heilige Römische Reich • het Heilige Roomse Rijkins Reich der Fabel gehören • tot het rijk der fabelen behoren -
72 Stirn
〈v.; Stirn, Stirnen〉♦voorbeelden:1 Arbeiter der Stirn • hoofdarbeider, intellectueeldie Stirn krausen, runzeln, in Falten ziehen • het voorhoofd fronsenjemandem etwas an der Stirn ablesen • iets aan iemands gezicht (kunnen) aflezenes steht ihm an, auf der Stirn geschrieben • het staat hem op zijn voorhoofd geschreven〈 figuurlijk〉 sich 〈 3e naamval〉 mit der (flachen) Hand vor die Stirn schlagen • zich voor het hoofd slaan¶ jemandem, einer Sache die Stirn bieten • iemand, iets het hoofd bieden, trotserendie Stirn haben, etwas zu tun • de brutaliteit, het lef hebben iets te doen -
73 Tag
〈m.; Tag(e)s, Tage〉♦voorbeelden:seine großen Tage haben • grootse dagen belevenguten Tag! • (goeden)dag!den lieben langen Tag • de godganse(lijke) dageines schönen Tages • op een goeie dagdie Tage nehmen ab, zu • de dagen korten, lengenjemandem den Tag stehlen • op iemands (kostbare) tijd beslag leggenden Tag totschlagen • de tijd dodenalle acht Tage • om de acht dagendieser Tage • (een) dezer dagenjeden zweiten Tag • om de andere dag, om de twee dagenam Tag(e) • overdagspät am Tag • laat op de dagam folgenden, nächsten Tag, am Tag(e) darauf • de volgende dag, de dag daaropan den Tag kommen, treten • aan het licht komenviel Mut an den Tag legen • veel moed aan de dag leggenauf seine alten Tage • op zijn oude dagauf den Tag (genau) • (precies) op de dag zelfaus fernen Tagen • uit het verre verledenbei Tage besehen • op de keper beschouwdbis in den Tag hinein schlafen • een gat in de dag slapenTag für Tag • dag na dagbis in unsere Tage • tot op onze dagenin den Tag hinein leben • van de ene dag in de andere levenin seinen jungen Tagen • in zijn jonge jareneinen Tag nach dem anderen • dag aan dagden Tag über • overdageinen Tag um den anderen • om de andere dagTag um Tag verging • dag na dag verstreekunter Tags • overdagKohle zu Tag fördern • kolen delveneines Tages • op een dag, op zekere dagewig und drei Tage • een eeuwigheidein Unterschied wie Tag und Nacht • een verschil van dag en nacht〈 spreekwoord〉 es ist noch nicht aller Tage Abend • wat niet is, kan nog komen -
74 Welt
〈v.; Welt, Welten〉♦voorbeelden:das ist eine verkehrte Welt • dat is de wereld op zijn kop〈 informeel〉 die vornehme Welt • de betere, hogere kringen〈 informeel〉 so etwas hat die Welt noch nicht erlebt, gesehen! • zoiets is nog nooit vertoond!〈 informeel〉 das ist ja nicht die Welt! • dat is toch niet zo veel, zo erg!〈 informeel〉 alle Welt • Jan en alleman, iedereendas Beste, Schönste auf, in der Welt • het beste, mooiste van de wereldauf die, zur Welt kommen • ter wereld komenaus aller Welt • overal vandaan, (van)uit de hele wereld〈 informeel〉 nicht aus der Welt sein • niet ver weg zijn, liggen, wonensich durch die Welt schlagen • zich door het leven slaanin alle Welt • overal heenin aller Welt bekannt • overal, over de hele wereld bekendüberall in der Welt • overal ter werelder ist viel, weit in der Welt herumgekommen • hij heeft veel van de wereld gezien〈informeel; figuurlijk〉 ein Gerücht in die Welt setzen • een gerucht in omloop brengen, verspreiden〈informeel; figuurlijk〉 um nichts in der Welt, nicht um alles in der Welt • voor geen goud, geld (ter wereld)um die halbe Welt kommen • de halve wereld afreizenvor aller Welt • in het openbaar, ten aanschouwen van iedereen¶ was in aller Welt! • wat voor de drommel?warum in aller Welt? • waarom in vredesnaam? -
75 absehen
absehen1 afzien van ⇒ laten varen, opgeven♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉5 het gemunt, voorzien hebben op ⇒ het op iets aanleggen♦voorbeelden:1 Schulaufgaben bei, von jemandem absehen • het huiswerk van iemand afkijken, overschrijvener hat es auf sie abgesehen • (a) hij heeft het op haar gemunt; (b) hij heeft zijn oog op haar laten vallen -
76 ander
ander♦voorbeelden:1 ein anderes Mal • een ander(e), volgende keeranderer Meinung sein • een andere mening toegedaan zijnjemanden eines anderen belehren • iemand op de hoogte brengen van de ware toestand, toedrachtsich eines anderen besinnen • van mening veranderenein Wort gab das andere • van het ene woord kwam het anderees ist ein anderer • het is iemand andersvieles andere mehr • nog veel meereiner hinter, nach dem ander(e)n • de ene na de andereeins ins andere gerechnet • door elkaar genomenein Mal über das andere (Mal) • keer op keer, telkens weereinen Tag um den anderen • om de andere dagvon einem Tag zum anderen • van de ene dag op de anderezum andern • ten tweedeeins kam zum anderen • het ene bracht het andere meedie einen …, die anderen … • sommigen …, anderen …alles andere als • allesbehalveauf die eine oder andere Art • op de een of andere manierund anderes mehr • en wat dies meer zij -
77 ankommen
ankommen3 opgewassen zijn ⇒ tegen iemand, iets op kunnen♦voorbeelden:es kommt ihm nicht darauf an • hij vindt het niet belangrijkalles kommt auf die Umstände an • alles hangt van de omstandigheden afes käme auf einen Versuch an • je zou het eens kunnen proberen3 gegen etwas, jemanden nicht ankommen • tegen iets, iemand niet op kunnen4 (bei jemandem) schlecht, übel ankommen • (bij iemand) geen succes hebben; 〈 ook〉 (bij iemand) aan het verkeerde adres zijnder Roman kam beim Publikum gut an • de roman had succes bij het publiek -
78 anlegen
anlegenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 (aan)leggen ⇒ (aan)zetten, aanbrengen, aandoen5 beleggen, investeren♦voorbeelden:1 jemandem Fesseln, Ketten anlegen • iemand boeien, ketens aandoen(die) letzte Hand anlegen • de laatste hand leggen aander Hund legt die Ohren an • de hond legt de oren plat tegen zijn kopeine Leiter an die Scheune anlegen • een ladder tegen de schuur zetten〈 figuurlijk〉 strenge Maßstäbe an etwas, jemanden anlegen • strenge maatstaven voor iets, iemand aanleggen6 Geld für ein neues Auto anlegen • geld voor een nieuwe auto aanleggen, bestedenes darauf anlegen, jemanden zu kränken • het erop aanleggen, iemand te krenken8 Schmucksachen anlegen • sieraden aandoen, opspeldenden Hund anlegen • de hond aan de ketting leggen, vastleggen♦voorbeelden: -
79 aufgehen
aufgehen3 opkomen, ontkiemen, ontstaan6 op-, overgaan ⇒ zich oplossen♦voorbeelden:der Knoten, die Naht geht auf • de knoop, de naad gaat losder Vorhang geht auf • het doek gaat opder Samen geht auf • het zaad komt op, ontkiemt4 der Teig geht auf • het deeg komt op, rijst (op)in seinen Kindern aufgehen • van zijn kinderen vervuld zijn6 der Betrieb ist in einem Großunternehmen aufgegangen • het bedrijf is in een grote onderneming opgegaan -
80 aufsetzen
aufsetzenI 〈onovergankelijk werkwoord; haben〉II 〈 overgankelijk werkwoord〉2 opstellen, opmaken4 op-, aanzetten ⇒ op-, aannaaien5 (neer)zetten ⇒ aan, op de grond zetten♦voorbeelden:7 ich setzte mich auf • ik ging overeind, rechtop zitten
См. также в других словарях:
Hét — Hét … Deutsch Wikipedia
Het — or HET can refer to:* acronyms: ** Heavy Equipment Transporter, a military vehicle ** Historical Enquiries Team, set up to review unsolved murders during the Northern Ireland Troubles ** Hobby Eberly Telescope at The University of Texas McDonald… … Wikipedia
HET — steht für: das Hobby Eberly Teleskop die Hilfseinschalttaste an Bahnübergängen Hormonersatztherapie Halleffekt Thruster, siehe Ionenantrieb den Fernwanderweg Harz Eichsfeld Thüringer Wald Het steht für: ein indigenes Volk, auch als Pampas bekannt … Deutsch Wikipedia
Hét — Administration … Wikipédia en Français
ḤET — (Heb. חֵת ;ח), the eighth letter of the Hebrew alphabet; its numerical value is therefore 8. It is pronounced as a fricative pharyngeal. The earliest representation of the ḥet is in a pictograph of a fence ! … Encyclopedia of Judaism
het up — /het/, Informal. 1. indignant; irate; upset: She was really het up about the new city tax. 2. enthusiastic: John is suddenly het up about racing cars. [1920 25; het, archaic or dial. ptp. of heat + UP] * * * … Universalium
het up — [ˌhet ˈʌp] adj [not before noun] BrE informal [Date: 1800 1900; Origin: Old past participle of heat] anxious, upset, or slightly angry het up about/over ▪ Mike tends to get het up about silly things … Dictionary of contemporary English
het up — ☆ het up [het ] n. [het, dial. pt. & pp. of HEAT] Slang excited or angry … English World dictionary
het up — [ ,het ʌp ] adjective INFORMAL excited, worried, or angry about something: AGITATED … Usage of the words and phrases in modern English
het up — het′ up′ [[t]hɛt[/t]] adj. Slang. 1) inf indignant; irate; upset 2) inf enthusiastic • Etymology: 1920–25; het, archaic or dial. ptp. of heat+up … From formal English to slang
het up — ► ADJECTIVE informal ▪ angry and agitated. ORIGIN from dialect het «heated, hot» … English terms dictionary