-
1 afwezig
ousente; ousenteDicionário Português-Holandês e Holandês-Português > afwezig
-
2 afwezig zijn
faltaDicionário Português-Holandês e Holandês-Português > afwezig zijn
-
3 ousente
afwezig; absent, afwezig, uitstedigDicionário Português-Holandês e Holandês-Português > ousente
-
4 ousente
afwezig; absent, afwezig, uitstedig -
5 отсутствовать
afwezig zijn ; ontbreken -
6 awol
-
7 absent
adj. afwezig; in gedachten verzonken--------v. afwezig, afwezig zijnabsent1[ æbsnt] 〈 bijvoeglijk naamwoord〉♦voorbeelden:absent from school • niet op school————————absent2 -
8 отсутствующий
adjgener. afwezend, afwezig, absent, afwezend (о взгляде), afwezig (о взгляде), afwezige -
9 abstracted
-
10 lacking
adj. zonder-; -vrij; ontbreekt aan--------prep. niet voorhanden, afwezig[ læking]1 niet voorhanden ⇒ afwezig, ontbrekend♦voorbeelden: -
11 absent
absent [aapsã]〈bijvoeglijk naamwoord; ook m., v.〉2 vermist♦voorbeelden:la précision est absente de ce rapport • dit rapport mist elke nauwkeurigheid〈 spreekwoord〉 les absents ont toujours tort • de afwezigen hebben altijd ongelijk, waar je niet bij bent, wordt je het hoofd niet gewassenun(e) absent(e) • afwezigeadj1) afwezig2) verstrooid3) vermist, spoorloos verdwenen -
12 manquant
manquant [mãkã]〈bijvoeglijk naamwoord; ook m., v.〉♦voorbeelden:1 les manquants • de ontbrekenden, afwezigenadjontbrekend, afwezig -
13 fehlen
fehlenI 〈onovergankelijk werkwoord; haben〉1 ontbreken, mankeren ⇒ afwezig zijn; missen2 mankeren, schelen♦voorbeelden:es fehlten drei Schüler • er waren drie leerlingen afwezig〈informeel; schertsend〉 das fehlte gerade noch! • dat ontbrak er nog maar aan!weit gefehlt! • glad mis!2 fehlt dir etwas? • mankeert jou iets?wo fehlts denn? • waar hapert het?gegen jemanden fehlen • tegenover iemand falenII 〈 onpersoonlijk werkwoord〉♦voorbeelden: -
14 безучастный
onverschillig, afwezig -
15 отсутствовать
vgener. ontbreken, achterblijven, afwezig zijn, falen, mangelen, mankeren, schorten, uitblijven, wegblijven -
16 рассеянный
-
17 absent without excuse
absent without excuse -
18 absent-minded
-
19 away
adj. buiten (buitenspel), er buiten--------adv. weg, ver weg; ergens andersaway1[ əwee] 〈 bijvoeglijk naamwoord〉1 uit-♦voorbeelden:an away win • een gewonnen uitwedstrijd————————away2〈 bijwoord〉♦voorbeelden:1 I'm only three miles away • ik ben maar vijf kilometer hier/daarvandaangive away • weggevengo away • weggaanput away • wegstoppenaway with it! • weg ermee! -
20 excuse
n. excuus, verontschuldiging--------v. vergeven; oplossen; excuses makenexcuse1[ ikskjoe:s] 〈 zelfstandig naamwoord〉♦voorbeelden:1 make one's/someone's excuses • zich/iemand excuseren (voor afwezigheid)in excuse of his behaviour • als excuus voor zijn gedragabsent without excuse • afwezig zonder excuus————————excuse21 excuseren ⇒ verontschuldigen, vergeven; niet kwalijk nemen, door de vingers zien♦voorbeelden:excuse someone's shortcomings • iemands tekortkomingen door de vingers zienexcuse my being late • neem me niet kwalijk dat ik te laat benexcuse me, can you tell me … ? • pardon, kunt u me zeggen … ?excuse someone for his bad conduct • iemands slechte gedrag excuserenexcuse me for interrupting you • neem me niet kwalijk dat ik u onderbreek
См. также в других словарях:
Abe Lenstra — (1955) Abe Lenstra ([ ɑ:bə lɛnstɾa], * 27. November 1920 in Heerenveen; † 2. September 1985 ebenda) war ein niederländischer Fußballspieler. Er spielte seit de … Deutsch Wikipedia