-
1 Bock
Bock1〈m.; Bock(e)s, Böcke〉2 bok, blunder, flater♦voorbeelden:einen, den Bock haben • (zitten te) bokken2 einen Bock schießen • een blunder, flater slaan(einfach, nur so) aus Bock • (zomaar) voor de lol, gein————————Bock2〈o.; Bocks, Bock〉1 bock(bier), bok -
2 Hase
-
3 Sache
Sache〈v.; Sache, Sachen〉♦voorbeelden:eine böse Sache • een kwalijke zaakmit jemandem gemeinsame Sache machen • gemene zaak met iemand makendas ist keine große Sache • dat is een kleinigheiddas ist nur eine halbe Sache • dat is maar half werkharte Sachen • sterkedrankSachen gibts (die gibts gar nicht)! • hoe is het mogelijk!〈 informeel〉 mach Sachen! • wat vertel je me nou?sagen, was Sache ist • zeggen waar het op staatdas sind so Sachen • dat zijn zo van die dingendie Sache ist die, dass … • het is, zit zo dat …er versteht seine Sache • hij kent zijn zaakjesdas ist nicht jedermanns Sache • (a) dat valt niet bij iedereen in de smaak; (b) dat kan, ligt niet iedereen〈 informeel〉 mach keine Sachen! • doe (toch) niet zo stom!das ist nicht meine Sache • (a) dat is niet mijn zaak; 〈 ook〉 dat ligt niet op mijn weg • (b) dat is niets voor mijbei der Sache sein • er met zijn aandacht bij zijneine Sache für sich • een apart geval, een geval op zich(zelf)in eigener Sache • pro domo, voor zijn eigen persoon(tje)in Sachen der Moral • op het stuk van de moraalin Sachen A. gegen B. • in zake A. tegen B.zur Sache (gehören) • ter zake (doen)zur Sache kommen • ter zake, tot het thema (zelf) komen -
4 ihn stößt der Bock
-
5 so
so11 zo ⇒ (zo) van die, wat♦voorbeelden:also, na, nein, so (et)was! • nee maar!so etwas von Dummheit! • zoiets doms, stoms!so ein Pech! • wat 'n pech!————————so2〈 bijwoord〉1 zo♦voorbeelden:1 so genannt • zogenaamd, wat men noemt, zogenoemd, zogehetender eine sagt so, der andere so • de een zegt zus, de ander zoach, so ist das! • o, zit dat zo?so ist es! • juist!so mir nichts, dir nichts • zomaar (ineens), plotseling, plotsklapsbald so, bald so • nu eens zo, zus, dan weer zoso gut wie sicher • zo goed als zekernicht nur so • niet zomaarso viel • zoveel, evenveelso viel für heute • tot zover (voor) vandaagso weit • zover, tot zover, in zoverrees geht mir so weit gut • met mij gaat het redelijk, weldas ist so weit richtig, aber … • dat is wel juist, maar …und so weiter • enzovoort(s)so wenig • even weinig, zo weinig, evenminer ist so reich wie geizig • hij is net zo rijk als hij gierig isach so! • o, zit dat zo!, ah, zo!————————so3〈 voegwoord〉1 zo ⇒ als, hoe, dan♦voorbeelden:〈 formeel〉 er war nicht da, so bin ich gegangen • hij was er niet, dus ben ik maar gegaanso Leid es mir tut • hoezeer het me ook spijtsodass, so dass • zodat2 kaum war er weg, so kam ich an • nauwelijks was hij weg, of ik kwam aan -
6 stecken
stecken♦voorbeelden:stecken bleiben • blijven steken, stokkenstecken lassen • laten steken, zitten 〈 ook figuurlijk〉〈 informeel〉 wo steckt mein Buch? • waar ligt, is mijn boek?〈 informeel〉 wo hast du gesteckt? • waar heb jij gezeten, uitgehangen?〈 informeel〉 wer steckt hinter der Sache? • wie zit daarachter?〈informeel; figuurlijk〉 in jemandem steckt etwas • er zit, steekt wat in iemandII 〈overgankelijk werkwoord; steeds zwak〉1 steken, stoppen ⇒ brengen, plaatsen, zetten♦voorbeelden:〈informeel; figuurlijk〉 sich hinter eine Sache stecken • aan iets gaan staan, iets aanpakken -
7 stinken
-
8 was
was!wat!, kom nou!————————was1————————was2♦voorbeelden:1 was machen deine Eltern? • hoe gaat het met je ouders?〈 informeel〉 was ist nun mit morgen abend? • hoe zit het nu met morgenavond?was ist schon dabei? • wat geeft, hindert het?〈 informeel〉 und was nicht alles • en van alles (en nog wat), en wat dies meer zij〈 informeel〉 was weiter? • en toen, verder?was (für) ein Lärm! • wat een lawaai!〈 informeel〉 hältst du mich für verrückt, oder was? • denk je soms dat ik gek ben?〈 informeel〉 was! • wat!, kom nou!〈 informeel〉 das gefällt dir, was? • dat bevalt je zeker wel, hé?————————was3♦voorbeelden:kann ich dir was helfen? • kan ik je met iets helpen?schäm dich was! • schaam je (een beetje)!ist was? • is er iets?das war ganz was anderes • dat was heel iets andersso was von Frechheit! • wat een brutaliteit!————————was4♦voorbeelden:————————was5♦voorbeelden:1 was lachst du (da)? • wat sta, zit je (daar) toch te lachen? -
9 Aber
Aber〈o.; Abers, Aber(s)〉♦voorbeelden:Mitbestimmung ohne Wenn und Aber • medezeggenschap zonder beperkingen -
10 Anzug
Anzug〈m.〉1 kostuum, pak♦voorbeelden:ein Anzug von der Stange • een confectiepak2 im Anzug sein • in aantocht, op komst zijnGefahr ist im Anzug • er dreigt gevaar¶ 〈 informeel〉 jemanden aus dem Anzug boxen, stoßen • iemand een pak slaag geven, iemand een pak aanpassen -
11 Atem
Atem〈m.; Atems〉2 ademhaling, het ademhalen♦voorbeelden:Atem holen, schöpfen • ademhalenjemandem den Atem verschlagen • (a) iemand de adem afsnijden; 〈 (b) figuurlijk〉 iemand sprakeloos makenaußer Atem geraten, kommen • buiten adem gerakennach Atem ringen • naar adem snakkenein schneller Atem • een snelle ademhalingin einem, im gleichen, im selben Atem • in één adem, zonder tussenpozenjemanden in Atem halten • iemand in spanning houden -
12 Drumherum
Drumherum〈o.; Drumherums〉 〈 informeel〉♦voorbeelden:¶ das ganze Drumherum • alles wat eromheen zit, ermee samenhangt -
13 Fall
〈m.; Fall(e)s, Fälle〉1 val, het vallen♦voorbeelden:1 zu Fall bringen, kommen • ten val brengen, komen2 den Fall nehmen, setzen • (veronder)stellen, aannemengesetzt den Fall, (dass) • gesteld, in de veronderstelling datauf alle Fälle, jeden Fall • in ieder gevalvon Fall zu Fall • van geval tot gevalder Fall liegt so • de zaak zit zoim vorliegenden Fall • in het onderhavige geval -
14 Fensterplatz
-
15 Fenstersitz
-
16 Freiplatz
-
17 Gefühl
-
18 Geschrei
Geschrei〈o.; Geschreis〉♦voorbeelden:2 mach doch kein solches Geschrei deswegen! • zit daar toch niet zo over te jeremiëren, piepen!viel Geschrei um eine Sache machen • veel kouwe drukte over iets maken -
19 Herrensitz
-
20 Hund
〈m.; Hund(e)s, Hunde〉♦voorbeelden:〈 informeel〉 mit etwas keinen Hund hinter dem Ofen hervorlocken können • voor iets geen enkele belangstelling weten te krijgenauf den Hund kommen • aan lagerwal raken
См. также в других словарях:
Zit — may refer to: * Zit, colloquialism for pimple * Zit (comic), an adult British comic … Wikipedia
zit — (z[i^]t), n. a {pimple}. [slang] [PJC] … The Collaborative International Dictionary of English
zit — n slang PIMPLE (1) … Medical dictionary
zit — [zıt] n informal a ↑pimple … Dictionary of contemporary English
zit — [ zıt ] noun count INFORMAL a small raised infected mark on your face: PIMPLE, SPOT … Usage of the words and phrases in modern English
zit — [zit] n. a pimple. □ Don’t squeeze your zits on my mirror! □ That is one prize winning zit on your nose … Dictionary of American slang and colloquial expressions
zit — [zit] n. Slang a pimple, esp. one on the face … English World dictionary
zit — /zit/, n. Slang. a pimple; skin blemish. [1960 65; orig. uncert.] * * * … Universalium
zit — (n.) acne pimple, 1966, originally U.S. teenager slang, of unknown origin … Etymology dictionary
zit — [n] pimple abscess, acne, blackhead, blemish, bump, carbuncle, excrescence, goober*, goophead*, papula, papule, pustule, whitehead; concept 306 … New thesaurus
zit — ► NOUN informal, chiefly N. Amer. ▪ a spot on the skin. ORIGIN of unknown origin … English terms dictionary