-
21 mangeln
-
22 Tag
〈m.; Tag(e)s, Tage〉♦voorbeelden:seine großen Tage haben • grootse dagen belevenguten Tag! • (goeden)dag!den lieben langen Tag • de godganse(lijke) dageines schönen Tages • op een goeie dagdie Tage nehmen ab, zu • de dagen korten, lengenjemandem den Tag stehlen • op iemands (kostbare) tijd beslag leggenden Tag totschlagen • de tijd dodenalle acht Tage • om de acht dagendieser Tage • (een) dezer dagenjeden zweiten Tag • om de andere dag, om de twee dagenam Tag(e) • overdagspät am Tag • laat op de dagam folgenden, nächsten Tag, am Tag(e) darauf • de volgende dag, de dag daaropan den Tag kommen, treten • aan het licht komenviel Mut an den Tag legen • veel moed aan de dag leggenauf seine alten Tage • op zijn oude dagauf den Tag (genau) • (precies) op de dag zelfaus fernen Tagen • uit het verre verledenbei Tage besehen • op de keper beschouwdbis in den Tag hinein schlafen • een gat in de dag slapenTag für Tag • dag na dagbis in unsere Tage • tot op onze dagenin den Tag hinein leben • van de ene dag in de andere levenin seinen jungen Tagen • in zijn jonge jareneinen Tag nach dem anderen • dag aan dagden Tag über • overdageinen Tag um den anderen • om de andere dagTag um Tag verging • dag na dag verstreekunter Tags • overdagKohle zu Tag fördern • kolen delveneines Tages • op een dag, op zekere dagewig und drei Tage • een eeuwigheidein Unterschied wie Tag und Nacht • een verschil van dag en nacht〈 spreekwoord〉 es ist noch nicht aller Tage Abend • wat niet is, kan nog komen -
23 abkaufen
abkaufen♦voorbeelden:lass dir nicht jedes Wort (vom Munde) abkaufen! • wees toch niet zo zwijgzaam! -
24 antrinken
-
25 dazugehören
-
26 erfordern
-
27 fehlen
fehlenI 〈onovergankelijk werkwoord; haben〉1 ontbreken, mankeren ⇒ afwezig zijn; missen2 mankeren, schelen♦voorbeelden:es fehlten drei Schüler • er waren drie leerlingen afwezig〈informeel; schertsend〉 das fehlte gerade noch! • dat ontbrak er nog maar aan!weit gefehlt! • glad mis!2 fehlt dir etwas? • mankeert jou iets?wo fehlts denn? • waar hapert het?gegen jemanden fehlen • tegenover iemand falenII 〈 onpersoonlijk werkwoord〉♦voorbeelden: -
28 finden
findenI 〈onovergankelijk werkwoord; haben〉♦voorbeelden:zur Musik finden • door de muziek aangetrokken wordenII 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:ihre Blicke finden sich • hun blikken ontmoeten elkaarjemanden krank finden • iemand ziek aantreffennichts dabei finden, dass … • er niets op tegen hebben dat …etwas findet Beachtung, Berücksichtigung • op iets wordt geletin bestimmte Kreise Eingang finden • tot bepaalde kringen toegang krijgenGefallen an etwas, jemandem finden • behagen in iets, iemand scheppenden Mut zu etwas finden • de moed voor iets kunnen opbrengen♦voorbeelden:es fand sich keiner, der … • er was niemand te vinden die … -
29 frisch
2 schoon, proper♦voorbeelden:in frischer Erinnerung • vers in het geheugenmit frischem Mut • met frisse, nieuwe moedmit frischen Kräften • met verse krachtenfrisch gebackenes Brot • nieuwbakken broodfrisch verheiratet • pasgehuwdfrisch gestrichen! • pas geverfd!sich frisch machen • zich verfrissen3 ein frisches Aussehen • een fris, gezond uiterlijkfrische Farben • frisse kleuren -
30 gehören
gehören♦voorbeelden:1 das gehört mir! • dat is van mij!das gehört nicht hierher • dat hoort hier niet thuisdas gehört nicht in dieses Buch • dat hoort niet in dit boek (thuis)zu einer Sache gehören • bij, tot iets (be)horenzur Sache gehören • ter zake doen3 er gehört eingesperrt! • hij hoort in de gevangenis!♦voorbeelden: -
31 heißen
heißen1♦voorbeelden:2 mein Motto heißt … • mijn motto luidt …3 das heißt • dat wil zeggen, d.w.z.das will schon etwas heißen • dat wil wel wat zeggenwas heißt das?, was soll das heißen? • wat moet dat betekenen?♦voorbeelden:2 wer hat dich kommen heißen, geheißen? • wie heeft jou bevolen te komen?♦voorbeelden:————————heißen2 -
32 hernehmen
hernehmen1 vandaan halen ⇒ weghalen, eraan komen♦voorbeelden:1 wo nimmt er den Mut her? • waar haalt hij de moed vandaan? -
33 machen
machen1 maken, doen ⇒ vervaardigen, toebereiden, veroorzaken♦voorbeelden:das Bett machen • het bed opmakenden Dolmetscher machen • als tolk optredenjemandem gute Laune machen • iemand een goed humeur bezorgenein gemachter Mann • een geslaagd manMittag machen • de middagpauze houdenjemandem Mut machen • iemand moed gevendie Schauspielerin macht die Ophelia • de toneelspeelster speelt de rol van OpheliaTee machen • thee zettendie Wohnung machen • het huis doen〈 informeel〉 mache nicht so viele Worte! • gebruik niet zo'n omhaal van woorden!〈 informeel〉 lass mich nur machen! • laat mij maar begaan!jemandem viel zu schaffen machen • iemand veel te schaffen geven〈 informeel〉 wird gemacht! • komt voor elkaar!〈 informeel〉 das macht 15 Mark • dat is, kost 15 mark〈 informeel〉 macht nichts! • hindert niets!was macht dein Magen? • hoe is het met je maag?〈 informeel〉 was soll man nur machen? • wat doe je er aan?〈 informeel〉 machs gut! • het ga je goed!〈 informeel〉 mach schnell! • maak haast!〈 informeel〉 mach doch schon! • schiet toch op!daran lässt sich nichts machen • daar is niets aan te doen〈 informeel〉 mit mir kann man es ja machen! • (a) ik trap er steeds weer in; (b) ik moet me zoiets laten welgevallen4 vormen, tot stand brengen♦voorbeelden:ich mache mich auf den Weg • ik ga op wegdas Wetter macht sich • het weer wordt beterdas macht sich von selbst • dat gaat vanzelfer macht sich • hij maakt vorderingendas Gemälde macht sich gut an der Wand • het schilderij doet het goed aan de muur3 mache dich nach Hause! • maak dat je thuis komt!ich mache mir nichts, wenig aus ihm • ik geef niets, weinig om hem〈 informeel〉 mach dir nichts daraus! • trek je er niets van aan! -
34 schwinden
schwinden〈 formeel〉1 verminderen ⇒ afnemen, achteruitgaan, slinken2 verdwijnen ⇒ wegvallen, wijken♦voorbeelden:1 das schwindende Interesse • de tanende, dalende belangstellingmir schwand der Mut • de moed zakte in mijn schoenenim Schwinden begriffen sein • aan het tanen zijn, afnemen -
35 schöpfen
schöpfen♦voorbeelden:1 Mut schöpfen • moed scheppen, puttengeschöpftes Papier • geschept papier〈 formeel〉 Verdacht schöpfen • argwaan, achterdocht krijgen -
36 zeugen
zeugen♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:er zeugte mit ihr zwei Kinder • hij verwekte bij haar twee kinderen -
37 zusprechen
zusprechen1 aan-, toespreken♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 in-, toespreken♦voorbeelden:
- 1
- 2
См. также в других словарях:
mût — mût … Dictionnaire des rimes
mut — MUT, Ă, muţi, te, adj., s.m. şi f. 1. adj. (Despre oameni; adesea substantivat) Care nu poate vorbi, care este lipsit de facultatea vorbirii. ♢ expr. (Substantivat; fam.) Asta să i o spui lui mutu, se spune cuiva în afirmaţiile căruia n ai… … Dicționar Român
Mut — (Mersin) Pour les articles homonymes, voir Claudiopolis. Mut Administration Pays … Wikipédia en Français
Mut — Mut, La Madre , diosa madre, origen de todo lo creado, diosa del cielo en la mitología egipcia. Mut … Wikipedia Español
Mut'a — Pour les articles homonymes, voir Muta. Le mariage temporaire (persan zawaj mouakat زواج المؤقت), ou mariage de plaisir (zawaj al moutaa زواج المتعة) est un des mariages de la tradition musulmane. Cette institution pré islamique est toujours… … Wikipédia en Français
Mut`a — Pour les articles homonymes, voir Muta. Le mariage temporaire (persan zawaj mouakat زواج المؤقت), ou mariage de plaisir (zawaj al moutaa زواج المتعة) est un des mariages de la tradition musulmane. Cette institution pré islamique est toujours… … Wikipédia en Français
Mut’a — Mut a Pour les articles homonymes, voir Muta. Le mariage temporaire (persan zawaj mouakat زواج المؤقت), ou mariage de plaisir (zawaj al moutaa زواج المتعة) est un des mariages de la tradition musulmane. Cette institution pré islamique est… … Wikipédia en Français
Mut — Sm std. (8. Jh.), mhd. muot, ahd. muot m./n. Seele, Geist usw. , as. mōd Stammwort. Aus g. * mōþa m. Sinn, Mut, Zorn u.a. , auch in gt. moþs, anord. móđr, ae. afr. mōd n. Herkunft unklar. Vielleicht zu l. mōs Sitte , gr. mõmai ich strebe, trachte … Etymologisches Wörterbuch der deutschen sprache
Mut — Mut: Das gemeingerm. Wort mhd., ahd. muot, got. mōÞs, engl. mood, schwed. mod gehört mit verwandten Wörtern in anderen idg. Sprachen zu der Verbalwurzel *mē , mō »nach etwas trachten, heftig verlangen, erregt sein«, vgl. z. B. griech. mōsthai … Das Herkunftswörterbuch
Mut — der; [e]s; jemandem Mut machen; guten Mut[e]s sein; mir ist traurig D✓zumute oder zu Mute … Die deutsche Rechtschreibung
MUT — may refer to*Methylmalonyl Coenzyme A mutase, a mitochondrial enzyme *MUT (zinc finger protein), a synthetic zinc finger protein *Mauritius Time, a time zone used in Mauritius. *Maximum transmission unit *MultiUser Talk *Military University of… … Wikipedia