-
121 épître
épître [eepietr]〈v.〉fepistel, zendbrief -
122 le
le1 [lə],♦voorbeelden:1 je l'en remercie • ik bedank hem, haar ervoorêtes-vous le roi? je le suis • bent u de koning? dat ben ik————————le2 [lə],〈 lidwoord〉1 de, het♦voorbeelden:l'article trois • artikel driela Callas • Callasoh! le beau chien • o, wat een mooie hondle commissaire Maigret • commissaris Maigretallez, les enfants! • kom, kinderen!il s'est cassé la jambe • hij heeft zijn been gebrokenle médecin reçoit le(s) lundi(s) • de dokter houdt spreekuur op maandagla mine allongée • met een lang gezicht〈 informeel〉 le Pierre, la Jeanne • Piet, Jannietrois fois la semaine • drie keer per weekà la française • op z'n Fransl'on • men1. = la; = les; pron1) hem, haar [persoon]2) hen, ze [persoon pl]3) het [zaak]4) ze [zaak pl]2. = la; = les; artde, het -
123 manquer
manquer [mãkee]1 ontbreken ⇒ afwezig zijn, verstek laten gaan, missen2 gebrek hebben (aan) ⇒ niet hebben, te kort komen, missen3 tekortschieten (in) ⇒ nalaten, verzuimen♦voorbeelden:1 ce n'est pas l'argent qui manque! • er is geld genoeg!ses enfants lui manquent • hij, zij mist zijn, haar kinderenles occasions ne manquent pas! • gelegenheid te over!l'argent vint à manquer • het geld raakte opla voix lui manqua • zijn stem stokte in zijn keelles forces lui manquèrent • zijn krachten begaven hettu me manques beaucoup • ik mis je ergmanquer à l'appel • op het appel ontbrekenla conversation manque d' entrain • het gesprek wil niet vlottenmanquer d' expérience • onervaren zijnil ne manque pas d' esprit • hij is niet ongeestigil ne manque de rien • hij komt niets te kortmanquer à sa parole • zijn woord breken〈 formeel〉 manquer à qn., au respect qu'on doit à qn. • iemand niet met het verschuldigde respect bejegenenje n'y manquerai pas • ik zal het zeker doenne pas manquer de faire qc. • iets zeker doenII 〈 overgankelijk werkwoord〉2 mislopen3 tot een mislukking maken ⇒ laten mislukken, laten mislopen, verknoeien♦voorbeelden:manquer le train • de trein missen〈 figuurlijk〉 la prochaine fois, je ne le manquerai pas • de volgende keer zal ik hem te grazen nemen, zal ik hem weten te vinden→ coche¶ manquer la classe • spijbelen, de school verzuimenmanquer une occasion • een gelegenheid voorbij laten gaanil n'en manque pas une • hij begaat de ene stommiteit na de anderev1) ontbreken2) niet hebben, missen3) verzuimen4) mislukken5) missen, niet treffen6) mislopen -
124 mettre
mettre [metr]1 plaatsen ⇒ leggen, zetten, stellen5 teweegbrengen ⇒ veroorzaken, stichten 〈zie voor uitdrukkingen die hier niet vermeld zijn de betreffende zelfstandige naamwoorden〉♦voorbeelden:mettre longtemps à cuire • lang moeten kokenles mettre • 'm smeren, ervandoor gaanqu'est-ce qu'il lui met! • die geeft hem van katoen!mettre qn. dedans • iemand erin laten lopenmettre de la bonne volonté à faire qc. • zijn goede wil bij iets tonen〈 informeel〉 mettez, mettons que 〈+ aanvoegende wijs〉 • laten we (nu eens) aannemen dat, stel dat, aangenomen dat→ vue1 zich plaatsen, zetten ⇒ gaan staan, liggen, zitten2 〈+ à〉beginnen (met, te)3 aantrekken ⇒ aandoen, opzetten 〈zie voor uitdrukkingen die hier niet vermeld zijn de betreffende zelfstandige naamwoorden〉♦voorbeelden:se mettre debout • opstaan, overeind komense mettre dans une situation délicate • zich in een lastig parket brengense mettre en avant • zich op de voorgrond plaatsens'y mettre • aan de gang, slag gaanle tout c'est de s'y mettre • alleen het begin is moeilijkne plus savoir où se mettre • in een moeilijk parket zittense mettre après qn. • iemand plagen, voor de gek houdense mettre au beau • mooi (weer) wordense mettre avec qn. • met iemand gaan samenwonense mettre en quatre pour qn. • zich voor iemand uit de naad lopenqu'est-ce qu'on s'est mis! • wat hebben we geschranst!v1) plaatsen, zetten, leggen2) aantrekken [kleding]4) aanzetten [verwarming, radio]5) veroorzaken -
125 minorité
minorité [mienorrietee]〈v.〉♦voorbeelden:minorité de lecteurs • klein aantal onder de lezersle gouvernement est mis en minorité • de regering heeft niet langer de meerderheidf2) minderheid -
126 ordinaire
ordinaire1 [ordiener]〈m.〉♦voorbeelden:à l'ordinaire, d' ordinaire • gewoonlijkcomme à mon ordinaire • zoals ik gewoon ben————————ordinaire2 [ordiener]♦voorbeelden:1 avec sa gaieté ordinaire • met de hem, haar eigen vrolijkheid〈 informeel〉 ça alors, c'est pas ordinaire! • dat is raar!adj1) gewoon2) alledaags -
127 part
part [paar]〈v.〉1 deel ⇒ gedeelte, portie2 aandeel ⇒ bijdrage, percentage♦voorbeelden:1 avoir sa part de gâteau, avoir part au gâteau • meedelen in de winst, een graantje meepikkense tailler la part du lion • zich het leeuwendeel toe-eigenenil y a une part de vérité là-dedans • er zit iets waars inavoir part à • deelnemen inne pas donner sa part aux chiens • zich niet de kaas van het brood laten eten(faire) part à deux • eerlijk delen, samen delenfaire part de qc. à qn. • iemand iets mededelenfaire la part belle à qn. • iemand ruim bedelenfaire la part de • rekening houden metfaire la part des choses • inschikkelijk zijnfaire la part du feu • een deel opgeven, opofferen 〈 om de rest te behouden〉prendre part à, une part dans • deelnemen aanpour ma part • wat mij betreftpour une bonne, large part • grotendeelsFrançais à part entière • volwaardig Fransman3 autre part • ergens anders, eldersnulle part • nergensquelque part • ergensà part • apart, gescheidenà part ça • afgezien daarvan, voor de restà part moi • bij mezelfmis à part • afgezien van, behalveprendre à part • apart nemend' autre part • aan de andere kant, anderzijdsd' une part … d' autre part • aan de ene kant … aan de andere kant, enerzijds … anderzijdsde part en part • door en doorde part et d' autre • over en weer, van, aan weerskantende la part de • (uit naam) van, namens, in opdracht vanprendre en bonne, mauvaise part • goed, slecht vinden, opnemen————————part (de fondateur)f1) deel, portie2) aandeel, bijdrage3) kant, zijde -
128 perdre
perdre [perdr]2 afnemen ⇒ verminderen, zwakker worden♦voorbeelden:y perdre • erop achteruitgaanperdre sur une marchandise • verlies lijden op een artikelII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 verliezen ⇒ kwijtraken, erbij inschieten2 verspillen ⇒ verknoeien, verspelen3 ruïneren ⇒ te gronde richten, in zijn goede naam aantasten♦voorbeelden:sans perdre une syllabe • zonder ook maar één woord te missenn'avoir rien à perdre, mais tout à gagner • nee heb je, ja kun je krijgentu ne le connais pas? tu n'y perds rien • ken je hem niet? daar mis je niets aanperdre de vue • uit het oog verliezen2 vous ne perdez rien pour attendre! • u komt heus nog wel aan uw trekken!vous n'auriez pas un instant à perdre? • hebt u niet een ogenblikje voor me?♦voorbeelden:v1) verliezen2) afnemen, zwakker worden3) lekken4) vloeien [vrouw]5) kwijtraken6) verspillen7) ruïneren
См. также в других словарях:
mis — mis·cel·la·ny; mis·chance; mis·chief; mis·conceit; mis·conduct; mis·content; mis·count; mis·creant; mis·create; mis·cue; mis·deal; mis·de·mean; mis·doubt; mis·er·a·ble; mis·esteem; mis·field; mis·fire; mis·fit; mis·like; mis·luck; mis·match;… … English syllables
MIS AG — is a German vendor of corporate performance management software. It was founded in Darmstadt in 1988. Originally started as a consulting company and reseller of the Applix products, MIS AG developed their own product similar to TM/1. In 1997, MIS … Wikipedia
mis — mis, mise (mî, mi z ) part. passé de mettre. 1° Colloqué en quelque lieu. Un livre mis dans une bibliothèque. Fig. • Les volontés ne sont pas seulement souffertes par sa patience [de Dieu], mais encore mises sous le joug de sa puissance… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
miš — mȉš m <N mn evi/ i reg. knjiš.> DEFINICIJA 1. zool. a. kućni glodavac (Mus musculus) iz porodice miševa b. (mn) Muridae, rasprostranjen mali glodavac šiljaste njuške i duga repa [šumski miš; klȃsni miš više vrsta štakora] c. naziv za… … Hrvatski jezični portal
mis — mis, mise [ mi, miz ] adj. • XVIIe; de mettre ♦ Littér. Habillé, vêtu. « Nénesse, mis comme un garçon de la ville » (Zola). Femme bien, mal mise (⇒ mise) . ⊗ HOM. Mi, mie, mye. ● mis Participe passé de mettre. ⇒MIS, MISE, part. passé et adj. I.… … Encyclopédie Universelle
mis- — Mis : ↑ miso , Miso . * * * mis , Mis : ↑miso , ↑Miso . mi|so , Mi|so , (vor Vokalen): mis , Mis [griech. mĩsos] >Best. in Zus. mit der Bed.<: Feindschaft, Hass, Verachtung (z. B. Misogyn, misanthropisch) … Universal-Lexikon
Mis- — Mis : ↑ miso , Miso . * * * mis , Mis : ↑miso , ↑Miso . mi|so , Mi|so , (vor Vokalen): mis , Mis [griech. mĩsos] >Best. in Zus. mit der Bed.<: Feindschaft, Hass, Verachtung (z. B. Misogyn, misanthropisch) … Universal-Lexikon
mis- — 1 [mis] [ME < OE & OFr: OE mis , akin to OHG missa , Goth missa (for IE base see MISS1); OFr mes < Frank * missi , akin to OHG missa ] prefix 1. wrong, wrongly, bad, badly [misdo, misdemeanor] 2. no, not [misfire] mis 2 [mis] … English World dictionary
Mis- — (m[i^]s ). [In words of Teutonic origin, fr. AS. mis ; akin to D. mis , G. miss , OHG. missa , missi , Icel. & Dan. mis , Sw. miss , Goth. missa ; orig., a p. p. from the root of G. meiden to shun, OHG. m[=i]dan, AS. m[=i][eth]an ([root]100. Cf.… … The Collaborative International Dictionary of English
mis- — mis(o) ♦ Élément, du gr. misein « haïr ». mis(o) élément, du gr. misein, haïr . ⇒MIS(O) , (MIS , MISO )élém. formant Élém. tiré du gr. (o) , de «haïr, détester», «haine», entrant da … Encyclopédie Universelle
mis- — 1 a prefix applied to various parts of speech, meaning ill, mistaken, wrong, wrongly, incorrectly, or simply negating: mistrial; misprint; mistrust. [ME; OE mis(se) ; c. G miss , Goth missa (see MISS1;); often r. ME mes < OF < WGmc *mis(s) ] mis… … Universalium