-
1 леденящий
ijzig, ijskoud -
2 eisig
-
3 frosty
-
4 glacial
adj. van ijs; ijsberg-; bedekt met ijs; ijskoud, ijzig; glaciaal, ijstijd- (geologie)[ gleesjl]♦voorbeelden: -
5 glacial
glaciaux [glaasjoo]♦voorbeelden:adj1) ijskoud, ijs-2) ijzig, zeer koel -
6 eisig kalt
-
7 ледяной
adjgener. ijzig, glaciaal, ijskoud, steenkoud -
8 страшный
adjgener. vervaarlijkheid, angstaanjagend, angstig, bang, bar (холод), benauwd, erg, geducht, ijselijk, affreus, afgrijselijk, afgrijslijk, angstwekkend, gevreesd, griezelig, grimmig, huiveringwekkend, ijzig, ijzingwekkend, luguber, om van te schrikken, ontzettend, schrikbarend, schrikkelijk, schrikwekkend, schromelijk, verschrikkelijk, vervaarlijk, vreeslijk, vreselijk -
9 ужасный
adjgener. goddeloos, godvergeten, ijzig, ontzettend, schrikkelijk, vreeslijk, vreselijk, affreus, afgrijselijk, afgrijslijk, erg, geducht, gruwelijk, gruwzaam, hels, huiveringwekkend, ijselijk, ijzingwekkend, macaber, monsterachtig, monstrueus, schrikbarend, schrikwekkend, schromelijk, verschrikkelijk, vervaarlijk -
10 холодный
-
11 freeze
n. vorst, vorstperiode--------v. vriezen; doen bevriezen, invriezen, bevriezenfreeze1[ frie:z] 〈 zelfstandig naamwoord〉♦voorbeelden:————————freeze21 vriezen♦voorbeelden:1 bevriezen ⇒ dood/kapotvriezen, vastvriezen♦voorbeelden:frozen with fear • verstijfd van angstfreeze to death • doodvriezenshe froze (up) at the remark • ze verstijfde bij het horen van de opmerkingthe actors froze up • de acteurs waren verlamd (van de zenuwen)4 do strawberries freeze well? • kun je aardbeien makkelijk invriezen?I am freezing/I am frozen • ik zie blauw van de kou♦voorbeelden: -
12 freezing
-
13 frostbound
frostbound -
14 frozen
adj. bevroren; koude; met ijs bedekt[ froozn]1 bevroren ⇒ vast/dood/dichtgevroren♦voorbeelden:frozen over • dicht/toegevroren3 frozen food • diepvriesvoedsel/productenfrozen money • vastliggend geld -
15 icy
adj. bevroren; koud als ijs; met een ijslaag bedekt; op ijs gelijkend; glad[ ajsie] 〈icily; iciness〉1 ijzig ⇒ ijskoud, ijsachtig2 met ijs bedekt ⇒ bevroren, glad♦voorbeelden: -
16 frostlike
adj. ijzig -
17 battre
battre [baatr]♦voorbeelden:le coeur lui bat • zijn hart bonstla porte bat • de deur kleppertle tambour bat • de trommel wordt geroerdla pluie bat contre les vitres • de regen klettert tegen de ruitenbattre des cils, des paupières • met de ogen knipperenle public bat des mains • het publiek klapt in de handenl'oiseau battait des ailes • de vogel klapwiektebattre du tambour • de trommel slaanson coeur bat pour cette jeune fille • zijn hart behoort dat meisje toeII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 slaan ⇒ slaag geven, aframmelen2 verslaan ⇒ overwinnen, bedwingen3 slaan (op, tegen) ⇒ bewerken, kloppen♦voorbeelden:battre qn. avec ses propres armes • iemand met zijn eigen wapenen bestrijdenbattre un record • een record brekenbattre le blé • graan dorsen〈 sport en spel〉 battre les cartes • de kaarten schudden, wassenbattre le fer • ijzer hameren, (koud) smedenbattre monnaie • munten slaanbattre un tapis • een kleed uitkloppenbattre froid à qn. • iemand ijzig behandelen1 vechten ⇒ twisten, ruzie maken♦voorbeelden:se battre avec un problème • met een probleem worstelense battre pour, contre qc. • voor, tegen iets strijden→ oeilje pourrais me battre • ik kan mezelf wel een klap geven1. v2) kloppen3) aframmelen4) verslaan, overwinnen2. se battrev1) vechten, ruzie maken -
18 glacé
glace [glaas]〈v.〉2 koelheid ⇒ onverschilligheid, gevoelloosheid4 ruit6 glazuur ⇒ gelatine, gelei♦voorbeelden:glace à l'eau • ijslolly, waterijsjeglace à la crème • roomijsglace à la vanille • vanilleijsune glace s'il vous plaît • een ijsje alstublieftadj1) bevroren, ijskoud2) ijzig, onverschillig3) geglaceerd4) glanzend -
19 imperturbable
-
20 battre froid à qn.
battre froid à qn.
Страницы
- 1
- 2