-
121 Teil
Teil1〈m.; Teil(e)s, Teile〉♦voorbeelden:zum Teil • gedeeltelijk, ten delezum großen Teil • voor een groot, goed deel, grotendeels————————Teil2〈o.; Teil(e)s, Teile〉1 stuk, deel♦voorbeelden:1 ein gut Teil • een flinke portie, heel watdas obere Teil des Kleides • het bovenstuk van de jurk————————Teil3〈m. & o.; Teil(e)s, Teile〉♦voorbeelden:1 ein gut(er) Teil • een goed, groot deel〈 informeel〉 sein(en) Teil ab-, weghaben • (a) zijn portie gehad hebben; (b) ervan langs gekregen hebben • (c) eraan hebben moeten gelovensein(en) Teil zu etwas beisteuern • zijn deel, het zijne tot iets bijdragener wird sein(en) Teil schon noch bekommen • hij zal zijn portie (straf) nog wel krijgenich denke mir mein(en) Teil • ik denk er het mijne vanjemandem sein(en) Teil geben • (a) iemand zijn deel geven; 〈 (b) figuurlijk〉iemand zijn vet, portie gevensein(en) Teil zu tragen haben 〈 figuurlijk〉 • zijn deel, (aan) zijn lot te dragen hebbenzu gleichen Teilen • in gelijke, evenredige delenjeder half zu seinem Teil mit • iedereen droeg het zijne (ertoe) bij -
122 Teufel
Teufel〈m.; Teufels, Teufel〉♦voorbeelden:armer Teufel! • arme drommel, stakker(d)!da hat der Teufel seine Hand im Spiel • het is of de duivel ermee speeltder Teufel soll dich holen! • de duivel hale je!sich 〈 3e naamval〉 den Teufel auf den Hals laden • zichzelf in de moeilijkheden, nesten werkenda ist der Teufel los • het gaat (er) daar woest aan toeden Teufel an die Wand malen • het noodlot uitdagenjemanden reitet der Teufel • iemand is van de duivel bezetendes Teufels sein • helemaal gek zijnder Teufel steckt im Detail • het venijn zit in de details〈 informeel〉 ich werde den Teufel tun! • dat doe ik om de dooie dood niet!das weiß der Teufel • dat mag Joost wetenkein Teufel • geen kip, hondauf Teufel komm raus • maar raak, tegen de klippen oper hat den Teufel im Leib • hij is van de duivel bezetenzum Teufel! • verdorie!zum Teufel mit dir! • loop naar de pomp!eine Sache geht zum Teufel • iets gaat eraan, om zeepjemanden zum Teufel jagen, schicken • iemand naar de duivel, hel laten lopensich zum Teufel scheren • naar de duivel lopenzum Teufel sein • naar de bliksem, maan, om zeep zijnsich den Teufel um etwas kümmern • zich geen lor, bal van iets aantrekkenTeufel noch mal! • verdorie (nog aan toe)!hinter einer Sache her sein wie der Teufel hinter der armen Seele • bij iets (steeds) als de kippen bij zijner fährt wie der Teufel • hij rijdt als een gekpfui Teufel! • bah!, jakkes! -
123 Uhr
〈v.; Uhr, Uhren〉♦voorbeelden:wie viel Uhr ist es? • hoe laat is het?um ein Uhr herum, etwa, so um ein Uhr • rond een uur of één, rond één uurdie Uhr ging auf zwölf • het liep tegen twaalvenrund um die Uhr • dag en nacht, het klokje rond -
124 Weg
〈m.; Weg(e)s, Wege〉♦voorbeelden:1 〈 formeel〉 den Weg alles, allen Fleisches, Irdischen gehen • sterfelijk, vergankelijk zijn, stervenes sind noch zwei Kilometer Weg • het is nog twee kilometerden letzten Weg gehen • sterven〈 figuurlijk〉 seinen Weg machen • er komen, zijn weg wel vindenden (rechten) Weg verfehlen • verdwalen〈verouderd; nog schertsend〉 woher des Weges? • waar kom je, komt u vandaan?es liegt mir am Wege • ik kom erlangsauf dem schnellsten Wege • via de kortste wegjemanden auf seinem letzten Weg begleiten • iemand de laatste eer bewijzenjemanden auf den Weg bringen • (a) iemand de weg wijzen; 〈 (b) figuurlijk〉iemand stimuleren, aanzetten, aansporenein Paket auf den Weg bringen, schicken • een pakje verzendensich auf den Weg machen • op weg gaan〈 figuurlijk〉 auf dem besten Weg(e) sein • goed, hard op weg zijnjemandem aus dem Weg(e) gehen • (a) iemand voorbij laten; 〈 (b) figuurlijk〉iemand uit de weg gaan, ontwijken〈 figuurlijk〉 jemanden, etwas aus dem Weg räumen, schaffen • iemand, iets uit de weg ruimenetwas in die Wege leiten • aan iets beginnen, iets aanzwengelenjemandem in den Weg treten, sich jemandem in den Weg stellen • (a) iemand de weg versperren; 〈 (b) figuurlijk〉iemand hinderen, de voet dwars zettenvom Wege abkommen • verdwalengut, schlecht zu Wege, zuwege • goed, slecht ter been zijn〈verouderd; formeel〉 Weg und Steg • het hele land, de hele omgeving2 krumme Wege • slinkse wegen, methodesauf diesem Wege • op deze manier, langs deze wegauf dem Wege der Güte, auf gütlichem Wege • in der minneauf kaltem Wege • zonder scrupules, in koelen bloedeauf kürzestem, auf dem schnellsten Wege • zo snel mogelijkauf schriftlichem Wege • schriftelijketwas im Wege von Verhandlungen regeln • iets door middel van onderhandelingen regelenmit einer Sache zu Wege, zuwege kommen • met iets overweg kunnen -
125 abfallen
abfallen♦voorbeelden:das Flugzeug fiel ab • het vliegtuig verloor hoogteder Läufer fiel ab • de loper verloor het contact (met de kopgroep)die Leistung der Saugpumpe fällt ab • het vermogen van de zuigpomp neemt afabfallende Schultern • afhangende schoudersjemanden abfallen lassen • iemand laten vallen, afschepenfür dich fällt auch noch etwas ab • jij krijgt ook nog watgegen jemanden, neben jemandem abfallen • bij iemand ongunstig afstekenvon einer Partei abfallen • een partij ontrouw wordendas Feld fällt sanft zum Fluss ab • het veld helt zacht af naar de rivier -
126 aufheben
aufheben♦voorbeelden:2 den Arm, die Hand aufheben • de arm, de hand opsteken3 bei jemandem gut, schlecht aufgehoben sein • bij iemand in goede, slechte handen zijnjemandem etwas zum Aufheben geben • iemand iets geven om het te bewarendie Sitzung, die Versammlung aufheben • de zitting, de vergadering opheffen, schorseneins hebt das andere nicht auf • het een sluit het andere niet uit¶ 〈 spreekwoord〉 aufgeschoben ist nicht aufgehoben • uitstel is geen afstel; wat in het vat is, verzuurt niet♦voorbeelden: -
127 aussetzen
aussetzenI 〈onovergankelijk werkwoord; haben〉1 (tijdelijk) ophouden ⇒ stokken, pauzeren♦voorbeelden:der Motor setzt aus • de motor slaat afmit der Arbeit aussetzen • het werk onderbrekenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 uit-, buitenzetten♦voorbeelden:ein Kind aussetzen • een kind te vondeling leggenPassagiere aussetzen • passagiers aan land zetteneine Strafe auf, zur Bewährung aussetzen • iemand voorwaardelijk veroordelen -
128 auswachsen
auswachsen♦voorbeelden:¶ das, es ist zum Auswachsen • het is hopeloos, het is om gek van te worden♦voorbeelden:
См. также в других словарях:
Hét — Hét … Deutsch Wikipedia
Het — or HET can refer to:* acronyms: ** Heavy Equipment Transporter, a military vehicle ** Historical Enquiries Team, set up to review unsolved murders during the Northern Ireland Troubles ** Hobby Eberly Telescope at The University of Texas McDonald… … Wikipedia
HET — steht für: das Hobby Eberly Teleskop die Hilfseinschalttaste an Bahnübergängen Hormonersatztherapie Halleffekt Thruster, siehe Ionenantrieb den Fernwanderweg Harz Eichsfeld Thüringer Wald Het steht für: ein indigenes Volk, auch als Pampas bekannt … Deutsch Wikipedia
Hét — Administration … Wikipédia en Français
ḤET — (Heb. חֵת ;ח), the eighth letter of the Hebrew alphabet; its numerical value is therefore 8. It is pronounced as a fricative pharyngeal. The earliest representation of the ḥet is in a pictograph of a fence ! … Encyclopedia of Judaism
het up — /het/, Informal. 1. indignant; irate; upset: She was really het up about the new city tax. 2. enthusiastic: John is suddenly het up about racing cars. [1920 25; het, archaic or dial. ptp. of heat + UP] * * * … Universalium
het up — [ˌhet ˈʌp] adj [not before noun] BrE informal [Date: 1800 1900; Origin: Old past participle of heat] anxious, upset, or slightly angry het up about/over ▪ Mike tends to get het up about silly things … Dictionary of contemporary English
het up — ☆ het up [het ] n. [het, dial. pt. & pp. of HEAT] Slang excited or angry … English World dictionary
het up — [ ,het ʌp ] adjective INFORMAL excited, worried, or angry about something: AGITATED … Usage of the words and phrases in modern English
het up — het′ up′ [[t]hɛt[/t]] adj. Slang. 1) inf indignant; irate; upset 2) inf enthusiastic • Etymology: 1920–25; het, archaic or dial. ptp. of heat+up … From formal English to slang
het up — ► ADJECTIVE informal ▪ angry and agitated. ORIGIN from dialect het «heated, hot» … English terms dictionary