-
1 abfahren
-
2 abfallen
abfallen♦voorbeelden:das Flugzeug fiel ab • het vliegtuig verloor hoogteder Läufer fiel ab • de loper verloor het contact (met de kopgroep)die Leistung der Saugpumpe fällt ab • het vermogen van de zuigpomp neemt afabfallende Schultern • afhangende schoudersjemanden abfallen lassen • iemand laten vallen, afschepenfür dich fällt auch noch etwas ab • jij krijgt ook nog watgegen jemanden, neben jemandem abfallen • bij iemand ongunstig afstekenvon einer Partei abfallen • een partij ontrouw wordendas Feld fällt sanft zum Fluss ab • het veld helt zacht af naar de rivier -
3 abfertigen
abfertigen2 bedienen, helpen ⇒ controleren3 aannemen, inschrijven♦voorbeelden:2 Gepäck an der Grenze abfertigen • bagage inklaren, uitklaren -
4 abspeisen
-
5 abwimmeln
-
6 jemanden abfahren lassen
iemand afschepen, afpoeierenWörterbuch Deutsch-Niederländisch > jemanden abfahren lassen
-
7 jemanden abfallen lassen
iemand laten vallen, afschepenWörterbuch Deutsch-Niederländisch > jemanden abfallen lassen
-
8 jemanden kurz abfertigen
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch > jemanden kurz abfertigen
-
9 kurz
〈 kürzer, (am) kürzest(en)〉♦voorbeelden:〈 figuurlijk〉 kürzer treten • versoberen, bezuinigen, een stapje terug doenkurz parken • parkeren in een parkeerzonebinnen kurzem • weldrain kürzester Zeit • in de kortst mogelijke tijdseit kurzem • sedert kortüber kurz oder lang • vroeg of laatvor kurzem • kortelings, kort geleden4 er fuhr kurz entschlossen ab • hij vertrok zonder dralen, resoluutkurz nach, vor drei • kort na, vóór drie uur5 kurz gefasst • kort, bondigsich kurz fassen • het kort makenkurz gesagt • om kort te gaanetwas in, mit kurzen Worten sagen • iets in korte bewoordingen zeggenkurz und gut, 〈informeel; schertsend〉kurz und klein, wir entschlossen uns abzufahren • kort en goed, we besloten te vertrekken
Перевод: с немецкого на нидерландский
с нидерландского на немецкий- С нидерландского на:
- Немецкий
- С немецкого на:
- Нидерландский