-
1 kerkelijk
1 [tot een kerk in betrekking staand] 〈 bijvoeglijk naamwoord〉 ecclésiastique; 〈 bijwoord〉 ecclésiastiquement2 [bij een kerk in gebruik] 〈 bijvoeglijk naamwoord〉 religieux 〈v.: religieuse〉; 〈 bijwoord〉 religieusement3 [van een kerk uitgaand, aan een kerk toebehorend; de kerk tot voorwerp hebbend] 〈 bijvoeglijk naamwoord, bijwoord〉 de l'Eglise♦voorbeelden:het kerkelijk jaar • l'année liturgiquekerkelijk getrouwd zijn • être marié à l'égliseeen huwelijk kerkelijk inzegenen • bénir un mariagekerkelijk goedgekeurd • avec l'approbation de l'Eglise4 is zij kerkelijk? • est-ce qu'elle est pratiquante? -
2 eigen
eigen1〈 het〉 〈 figuurlijk〉1 [informeel; + bezittelijk voornaamwoord] myself, yourself, himself, herself, itself 〈 enkelvoud〉; ourselves, yourselves, themselves 〈 meervoud〉♦voorbeelden:1 ik dacht bij mijn eigen dat … • I was thinking to myself …op zijn eigen gaan wonen • start living on one's own————————eigen22 [uitgaand van iemand zelf] own3 [kenmerkend] typical, characteristic, individual4 [vertrouwd] familiar♦voorbeelden:voor eigen gebruik • for one's (own) private usemensen met een eigen huis • people who own their own houseiets in eigen kring vieren • celebrate something privatelywij hebben ieder een eigen (slaap)kamer • we have separate (bed)roomseigen weg • private roadhet waren haar eigen woorden • those were her very wordsbemoei je met je eigen zaken • mind your own businesseen geheel eigen stijl ontwikkelen • develop a style all one's ownmet de hem eigen bescheidenheid • with his characteristic modesty4 zich iets eigen maken • make oneself familiar with something; 〈 met betrekking tot taal〉 master, pick up; 〈 met betrekking tot gewoonte〉 pick up, fall into, acquireeigen producten • domestic products -
3 gemeenschappelijk
♦voorbeelden:een gemeenschappelijke rekening • a joint accountin gemeenschappelijk overleg • by mutual agreementgemeenschappelijke pogingen • joint attemptsII 〈 bijwoord〉♦voorbeelden:Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > gemeenschappelijk
-
4 kerkelijk
1 [tot een kerk in betrekking staand, aan een kerk toebehorend] church, ecclesiastical3 [van een kerk uitgaand] church ⇒ ecclesiastical, 〈 religieus〉 religious, 〈 met betrekking tot recht〉 canon♦voorbeelden:2 kerkelijke feesten • church/religious festivalskerkelijke liederen/muziek • hymns, sacred musicop kerkelijke grondslag • on religious principleseen kerkelijk huwelijk • a church weddingkerkelijk en burgerlijk recht • canon law and civil law4 is die man ook kerkelijk? • is he a churchgoer?II 〈 bijwoord〉1 [volgens de gebruiken van een kerk] religiously2 [vanwege een kerk] 〈zie voorbeelden 2〉♦voorbeelden:
Перевод: с нидерландского на все языки
со всех языков на нидерландский- Со всех языков на:
- Нидерландский
- С нидерландского на:
- Все языки
- Английский
- Французский