-
1 Teig
-
2 der Teig geht
-
3 der Teig geht auf
het deeg komt op, rijst (op) -
4 der Teig ist zusammengefallen
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch > der Teig ist zusammengefallen
-
5 der Teig wirft Blasen
-
6 aufgehen
aufgehen3 opkomen, ontkiemen, ontstaan6 op-, overgaan ⇒ zich oplossen♦voorbeelden:der Knoten, die Naht geht auf • de knoop, de naad gaat losder Vorhang geht auf • het doek gaat opder Samen geht auf • het zaad komt op, ontkiemt4 der Teig geht auf • het deeg komt op, rijst (op)in seinen Kindern aufgehen • van zijn kinderen vervuld zijn6 der Betrieb ist in einem Großunternehmen aufgegangen • het bedrijf is in een grote onderneming opgegaan -
7 formen
formen♦voorbeelden:1 Teig, Ton formen • deeg, klei vormen, kneden1 gevormd worden ⇒ gestalte krijgen, ontstaan♦voorbeelden: -
8 gehen
gehenI 〈onovergankelijk werkwoord; sein〉5 komen, reiken♦voorbeelden:1 jemanden gehen lassen • 〈 (a) informeel〉iemand met rust laten, iemand laten (doen); (b) iemand loslatensich gehen lassen • zich laten gaanschlafen, schwimmen gehen • gaan slapen, zwemmenso gut es (eben) geht • zo goed en zo kwaad als het gaatmir ist es ebenso, genauso gegangen • (a) mij is het ook zo vergaan; (b) op mij is het ook zo overgekomen〈 informeel〉 wie gehts, wie stehts? • hoe staat het leven?an die Arbeit gehen • aan het werk gaanauf die Jagd gehen • op jacht gaandavon gehen fünf aufs, auf ein Kilo • daar gaan er vijf van in een kiloaus dem Haus gehen • het huis uit gaandas ging gegen seine Überzeugung • dat ging tegen zijn overtuiging inin die Stadt gehen • naar de stad gaan, de stad ingaanich ging in mich • ik keerde in mezelfin die Schule gehen • naar school gaanin Schwarz gehen • in het zwart (gekleed) gaansie geht ins zehnte Jahr • ze gaat haar tiende jaar inins Kino gehen • naar de bioscoop gaanmit der Zeit gehen • met zijn tijd meegaannach dem Äußeren gehen • op het uiterlijk afgaanwenn es nach mir ginge • als het aan mij lagmir geht nichts über ein Bier • er gaat mij niets boven een pilsjedas geht über meine Kräfte • dat gaat mijn krachten te bovenvon jemandem gehen • bij iemand weggaanich gehe zu meinem Onkel • ik ga naar mijn oomzur Schule gehen • naar school gaanam Stock gehen • met een stok lopener geht auf die 50 • hij loopt naar de 50in die hunderte, Hunderte gehen • in de honderden lopenin die tausende, Tausende gehen • in de duizenden lopenüber die Straße gehen • de straat, weg overstekenvor jemandem gehen • voor iemand (uit) lopen4 das Fenster geht auf die Straße, nach der Straße • het raam ziet uit op de straat, weg5 das Wasser ging ihm bis an die Knie, bis zu den Knien • het water kwam, reikte tot aan zijn knieën6 wer ist an meine Bücher gegangen? • wie heeft er aan mijn boeken gezeten?es ging nicht alles nach ihm • hij kreeg niet in alles zijn zinvor sich gehen • gebeuren, (in zijn werk) gaanwie jemand geht und steht • zoals iemand er (net) bij loopt, zomaar, spontaanII 〈overgankelijk werkwoord; sein〉♦voorbeelden:1 ich bin diesen Weg schon oft gegangen • ik heb deze weg al vaak gedaan, gelopen♦voorbeelden: -
9 schlagen
schlagen3 behoren (tot), vallen (in)♦voorbeelden:um sich schlagen • erop los slaan, om zich heen slaanII 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:1 einen Bogen schlagen • een bocht, boog makeneine geschlagene Frau • een door het lot geplaagde vrouwden Rekord schlagen • het record brekenSahne, Teig schlagen • (slag)room, deeg kloppendie Saiten schlagen • (op de snaren) tokkelenWurzel schlagen • wortel schietenmit ihrem Mann ist sie geschlagen • met haar man is zij geplaagd, mooi afein Stück Papier um ein Buch schlagen • een boek in een stuk papier wikkelenjemanden vernichtend schlagen • iemand een verpletterende nederlaag toebrengen3 inslaan, (in)gaan♦voorbeelden:1 du hast dich gut geschlagen! • je hebt je goed gehouden!3 er schlug sich zu uns • hij sloot zich bij ons aan, voegde zich bij ons -
10 werfen
werfen3 werpen, jongen♦voorbeelden:mit Geld um sich werfen • met geld smijteneinen Mantel um sich werfen • een mantel omslaandie Kleider von sich werfen • zijn kleren vlug uittrekken, afwerpen♦voorbeelden:sich in einen Sessel werfen • in, op een stoel neerploffen -
11 zusammenfallen
См. также в других словарях:
Teig — Teig … Deutsch Wörterbuch
Teig — [tai̮k], der; [e]s, e: (aus Mehl und Wasser, Milch und anderen Zutaten bereitete) weiche, zähe [knetbare] Masse, aus der Brot, Kuchen o. Ä. hergestellt wird: Teig ansetzen, gehen lassen; den Teig kneten, rühren. Zus.: Biskuitteig, Brotteig,… … Universal-Lexikon
teig — Adj überreif per. Wortschatz obd. (14. Jh.), spmhd. teic, mndd. dēch, mndl. deech Stammwort. Auch anord. deigr weich . Entwickelt aus dem prädikativ verwendeten Substantiv Teig, vgl. im Kräuterbuch von Tabernaemontanus (1588), 1426: die früchte.… … Etymologisches Wörterbuch der deutschen sprache
Teig — Sm std. (9. Jh.), mhd. teic, ahd. teig, mndd. dēch, mndl. deech Stammwort. Aus g. * daiga m. Teig , auch in gt. daigs, anord. deig n., deigr, ae. dāg n.( ?). Nominalableitung zu dem in gt. digan kneten, bilden vorliegenden Verb; dieses aus ig. *… … Etymologisches Wörterbuch der deutschen sprache
Teig — Teig: Das gemeingerm. Wort mhd. teic, ahd. teig, got. daigs, engl. dough, schwed. deg gehört mit verwandten Wörtern in anderen idg. Sprachen zu der idg. Wurzel *dheig̑h »Lehm kneten und damit arbeiten; Teig kneten«, vgl. z. B. lat. fingere… … Das Herkunftswörterbuch
Teig — der; (e)s, e; eine weiche Masse hauptsächlich aus Mehl, Fett und Wasser oder Milch, aus der z.B. Brot oder Kuchen gebacken wird <den Teig kneten, rühren, gehen lassen, formen, backen> || K : Teigschüssel || K: Brotteig, Kuchenteig,… … Langenscheidt Großwörterbuch Deutsch als Fremdsprache
teig — teig·lach; teig·lech; … English syllables
Teig — der; [e]s, e; den Teig gehen lassen … Die deutsche Rechtschreibung
teig- — teig See also: see above S. 1016 f. under (s)teig … Proto-Indo-European etymological dictionary
teigʷ- — teigʷ See also: see above S. 1018 under (s)teigʷ … Proto-Indo-European etymological dictionary
Teig — Teig, 1) weiche Masse, etwas dicker als Brei, dadurch entstanden, daß man einen festen Körper mit einer Flüssigkeit vermischt od. darin aufweicht; bes. so v.w. Brot u. Kuchenteig; 2) eine Masse von Alaun, Kochsalz, Mehl, Eiern u. Baumöl; womit… … Pierer's Universal-Lexikon