-
61 hand
1 [lichaamsdeel] hand♦voorbeelden:in andere handen komen • change handsblote handen • bare handsdie zaak is in goede/slechte handen • that matter is in good/bad handsin goede/verkeerde handen vallen • 〈 figuurlijk〉 fall into the right/wrong handsiemand de helpende hand bieden • lend someone a (helping) handniet met lege handen komen • not come empty-handed〈 figuurlijk〉 uit de losse hand • roughly, in an improvised wayiets met vaste hand doen • do something with a sure touch〈 figuurlijk〉 met vaste/krachtige hand regeren • rule with a firm/iron handhij is in veilige handen • he is in safe handsiemand (de) handen vol werk geven • give someone no end of work/troublede handen vol hebben aan iemand/iets • have one's hands full with someone/somethinghij heeft de handen meer dan vol • he has enough/too much on his platedat kost handen vol geld • that costs lots of moneyiets aan vreemde handen toevertrouwen • entrust something to strangershij heeft de handen niet vrij • he does not have a free hand〈 figuurlijk〉 de vrije hand hebben/krijgen • have/acquire a free handergens zijn handen niet aan vuil willen maken • refuse to soil one's hands with something〈 figuurlijk〉 ik draai er mijn hand niet voor om • 〈 ik heb er geen moeite mee〉 I think nothing of it; 〈 het kan me niet schelen〉 I don't care a rap (for it)iemand de hand drukken/geven/schudden • give someone one's hand, shake hands with someonedan kunnen we elkaar de hand geven • we're in the same boat〈 figuurlijk〉 iemand de hand boven het hoofd houden • 〈 aan zijn kant staan〉 stand by someone; 〈 iemand beschermen die iets misdaan heeft〉 protect someone〈 figuurlijk〉 de handen op elkaar krijgen • earn/get applause〈 figuurlijk〉 de hand op iets/iemand leggen • lay hands on someone/somethingiemands hand lezen • read someone's palmde hand lichten met het reglement • disregard the regulationselkaar de hand reiken • hold out a hand to each other 〈 ook figuurlijk〉; 〈 figuurlijk〉 reach out to each otherhanden schudden • shake handshij steekt geen/nooit een hand uit • he never does a stroke of workde hand over het hart strijken • 〈 figuurlijk〉 be lenient/soft-heartedhij kan zijn handen niet thuishouden • he can't keep his hands to himselfdaar wordt vaak de hand mee gelicht • that is often skimped/not taken seriously(mijn) hand erop! • you have/here's my hand on it!handen omhoog! (of ik schiet) • hands up!/ 〈 informeel〉stick 'em up! (or I'll shoot)handen thuis! • hands off!〈 figuurlijk〉 iets aan de hand hebben • 〈 met iets bezig zijn〉 have something going/on; 〈 bij iets betrokken zijn〉 be involved in somethingaan de hand van deze berekeningen • on the basis of these calculationsiemand een middel aan de hand doen tegen huiduitslag • put someone on to a good remedy for a rashniks aan de hand! • there's nothing the matteraan de hand van deze ervaringen concludeer ik … • in view of these experiences I conclude …iets achter de hand hebben • 〈 figuurlijk〉 have something to fall back on; 〈 heimelijk〉 have something up one's sleevewat geld achter de hand houden • keep some money for a rainy dayik heb mijn gummetje altijd vlak bij de hand • I always have my rubber near at handin de handen klappen • clap one's handsiemand iets in handen spelen • put something someone's wayiemand iets in de hand duwen/stoppen • slip/thrust something into someone's hands; 〈 figuurlijk〉 palm/fob someone off with somethingeen bewijs in handen hebben • have evidencehet onderzoek is in handen van N. • the investigation is being conducted by N.de markt in handen hebben • control/have control of the marketde politie heeft de zaak nu in handen • the police have the case in handde macht in handen hebben • have powerde toestand in de hand hebben • have the situation in handin handen vallen van de politie/de vijand • fall into the hands of the police/enemy〈 figuurlijk〉 iets met beide handen aangrijpen • jump at something; 〈 aanbod, gelegenheid ook〉 seize (upon) somethingmet de hand gemaakt/geschreven • hand-made/handwritten〈 figuurlijk〉 iemand naar zijn hand zetten • force/mould/bend someone to one's will, manage someone, twist someone round one's (little) fingeriets om handen hebben • have something to do〈 figuurlijk〉 iemand onder handen nemen • take someone in hand/to taskiemand op (de) handen dragen • 〈 figuurlijk〉 worship/idolize someonehand over hand toenemen • increase hand over fist, gain ground rapidlyiemand iets ter hand stellen • hand something (over) to someoneiets ter hand nemen • take something up, take something in hand, undertake somethinger komt niets uit zijn handen • he doesn't get anything doneuit de hand lopen • get out of handiemand het werk uit (de) handen nemen • take work off someone's handsiets van de hand doen • sell/part with/dispose of somethingvan hand tot hand gaan • be passed from hand to handgoed/duur van de hand gaan • sell well/at high prices 〈 van koopwaren〉dat is de meest voor de hand liggende conclusie • that is the most obvious conclusiongeen hand voor iemand/iets uitsteken • not lift a finger for someone/somethinghij heeft er geen hand naar uitgestoken • 〈 niets aan gedaan〉 he hasn't done a stroke of work on it; 〈 niets van gegeten〉 he hasn't touched itgeen hand voor ogen kunnen zien • 〈 figuurlijk〉 not be able to see one's hand in front of one('s face)ik heb maar twee handen! • I have only (got) one pair of hands!een verhaal van de hand van • a story (written) by3 de zieke is aan de beterende hand • the patient is on the mend/getting betteraan mijn rechter/linker hand • on my right/left (hand/side)aan de winnende hand zijn • be winning〈 figuurlijk〉 iemand op zijn hand hebben/krijgen • have/get someone on one's side¶ wat is er daar aan de hand? • what's going on there?〈 figuurlijk〉 alsof er niets aan de hand was • as if nothing had happened/was wronger is iets aan de hand • there's something the matter/upiets/iemand in de hand werken • encourage something/someone; 〈 iets ook〉 make for something; 〈 iemand ook〉 play into someone's hands〈 van personen〉 zwaar op de hand zijn • be heavy/ponderousop handen zijn • be (near) at hand/imminent/forthcomingvan de hand in de tand leven • live from hand to moutheen verzoek/voorstel van de hand wijzen • refuse a request 〈 verzoek〉; turn down a proposal 〈 voorstel〉 -
62 herculesarbeid
herculesarbeid, herculeswerk -
63 het als zijn taak zien
het als zijn taak ziensee it as one's task/briefVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > het als zijn taak zien
-
64 het epos van de drooglegging van de Zuiderzee
het epos van de drooglegging van de ZuiderzeeVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > het epos van de drooglegging van de Zuiderzee
-
65 het is een hele opgave
het is een hele opgaveVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > het is een hele opgave
-
66 het zal erom spannen of het lukt
het zal erom spannen of het luktthat will be no easy task/matterVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > het zal erom spannen of het lukt
-
67 hij bleek niet opgewassen tegen die taak
hij bleek niet opgewassen tegen die taakthe task proved beyond him/too much for himVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > hij bleek niet opgewassen tegen die taak
-
68 ieder zijn taak toemeten
ieder zijn taak toemetenallot/assign each person (to) his taskVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > ieder zijn taak toemeten
-
69 iemand de pin op de neus zetten
iemand de pin op de neus zettenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > iemand de pin op de neus zetten
-
70 iemand een taak opgeven/opleggen
iemand een taak opgeven/opleggenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > iemand een taak opgeven/opleggen
-
71 iemand met een taak belasten
iemand met een taak belastenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > iemand met een taak belasten
-
72 iemand onder handen nemen
iemand onder handen nementake someone in hand/to taskVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > iemand onder handen nemen
-
73 iemand van een taak ontlasten
iemand van een taak ontlastenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > iemand van een taak ontlasten
-
74 iemand werk opdragen
iemand werk opdragenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > iemand werk opdragen
-
75 iemand werkzaamheden opdragen
iemand werkzaamheden opdragenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > iemand werkzaamheden opdragen
-
76 iemands taak verzwaren
iemands taak verzwarenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > iemands taak verzwaren
-
77 ijver
1 [vlijt] diligence♦voorbeelden:zich vol ijver van zijn taak kwijten • apply oneself diligently to one's taskzich met ijver toeleggen op • apply oneself diligently to something -
78 ijverig werken aan zijn taak
ijverig werken aan zijn taakVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > ijverig werken aan zijn taak
-
79 ijverig
1 [vlijtig] diligent2 [fervent] zealous♦voorbeelden:1 een ijverig scholier • an industrious/a diligent pupilmen deed ijverig onderzoek • painstaking inquiries were madeijverig werken aan zijn taak • apply oneself to one's task -
80 invulling
См. также в других словарях:
task — [tɑːsk ǁ tæsk] noun [countable] 1. a piece of work that must be done, especially one that must be done regularly: • Scheduling is a key task for most managers. • day to day management tasks • computers that can do dozens of tasks at the same time … Financial and business terms
Task — may refer to: Task analysis Task (project management) Task (computing), in computing, a program execution context TASK party, a series of improvisational participatory art related events organized by artist Oliver Herring Task (language… … Wikipedia
task — [task, täsk] n. [ME taske < NormFr tasque (OFr tasche) < ML tasca, for taxa, a tax < L taxare, to rate, value, TAX] 1. a piece of work assigned to or demanded of a person 2. any piece of work 3. an undertaking involving labor or… … English World dictionary
Task — Task, der; [e]s, s [engl. task = Aufgabe < mengl. taske < afrz. tasche, über das Vlat. < mlat. taxa, ↑ Taxe] (EDV): in sich geschlossene Aufgabe, dargestellt durch einen Teil eines Programms od. ein ganzes Programm. * * * Task [dt.… … Universal-Lexikon
Task — Task, v. t. [imp. & p. p. {Tasked}; p. pr. & vb. n. {Tasking}.] 1. To impose a task upon; to assign a definite amount of business, labor, or duty to. [1913 Webster] There task thy maids, and exercise the loom. Dryden. [1913 Webster] 2. To oppress … The Collaborative International Dictionary of English
Task — (t[.a]sk), n. [OE. taske, OF. tasque, F. t[^a]che, for tasche, LL. tasca, taxa, fr. L. taxare to rate, appraise, estimate. See {Tax}, n. & v.] 1. Labor or study imposed by another, often in a definite quantity or amount. [1913 Webster] Ma task of … The Collaborative International Dictionary of English
task — ► NOUN ▪ a piece of work to be done. ► VERB 1) (task with) assign (a task) to. 2) make great demands on. ● take to task Cf. ↑take to task … English terms dictionary
task — task, duty, assignment, job, stint, chore are comparable when they mean a piece of work which one is asked to do and is expected to accomplish. Task refers to a specific piece of work or service usually imposed by authority or circumstance but… … New Dictionary of Synonyms
task — task·er; task; task·mas·ter·ship; mul·ti·task; … English syllables
task — /task / (say tahsk) noun 1. a definite piece of work assigned or falling to a person; a duty. 2. any piece of work. 3. a matter of considerable labour or difficulty. 4. Obsolete a tax or impost. –verb (t) 5. to subject to severe or excessive… …
task — n the performance that is required of the subject in a psychological experiment or test and that is usu. communicated to a human subject by verbal instructions … Medical dictionary