-
1 schoeisel
-
2 schoeisel
-
3 schoeisel
-
4 schoeisel
n. footwear, footcloth, footgear, understandings -
5 schoeisel
ayaklık s -
6 schoeisel en kleding
schoeisel en kledingVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > schoeisel en kleding
-
7 zonder schoeisel
zonder schoeiselVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > zonder schoeisel
-
8 klomp
(schoeisel) takunya s -
9 opvulsel
-
10 обувь
ngener. schoeisel -
11 aflopen
1 [weglopen] s'éloigner (de)2 [+ op][zich haastig begeven naar] se hâter d'aller (vers)4 [m.b.t. wekkers] sonner5 [wegstromen] s'écouler (de)7 [zich naar beneden uitstrekken] être en pente8 [ergens afgaan] se détacher (de)♦voorbeelden:1 niet van je plaats aflopen! • ne quitte pas ta place!de afgelopen nacht • la nuit dernièregoed aflopen • bien se terminerslecht aflopen • mal tournerhet loopt af met hem • sa fin approchehoe is het met die zaak afgelopen? • comment s'est terminée cette affaire?7 de rivier loopt hier sterk af • ici, la rivière a une forte penteeen aflopende weg • un chemin qui descendII 〈 overgankelijk werkwoord〉2 [doorlopen] parcourir♦voorbeelden:2 in hoeveel tijd kan men die afstand aflopen? • combien de temps faut-il pour parcourir cette distance? -
12 klomp
♦voorbeelden:op klompen • en sabotseen klomp boter • une motte de beurreeen klomp goud • une (grosse) pépite d'oreen klomp vlees • une masse de chair -
13 muil
-
14 zool
♦voorbeelden:aan mijn zolen! • cause toujours! -
15 hak
I 〈de〉1 [hiel; verhoging onder schoeisel] heel♦voorbeelden:schoenen met lage hakken • flat-heeled shoesik moet (nieuwe) hakken onder mijn schoenen laten zetten • I must have my shoes heeledII 〈 de (mannelijk)〉1 [slag met een bijl; kerf door hakken ontstaan] cut♦voorbeelden:er is een hele hak uit de tafel • there is quite a chunk out of the tableiemand/iets op de hak nemen • ridicule someone/somethingvan de hak op de tak springen • skip from one subject to another -
16 klomp
-
17 muil
I 〈 de (mannelijk)〉2 [mond] trap♦voorbeelden:iemand een klap op/voor zijn muil geven • punch someone in the faceII 〈de〉♦voorbeelden: -
18 uitlopen
6 [sport] [een voorsprong nemen] draw ahead (of)7 [meer tijd in beslag nemen] overrun its/one's time9 [met betrekking tot schoeisel] be worn/broken in13 [sport] [door te lopen zich ontspannen] run easy (to recover)♦voorbeelden:dat loopt hier maar in en uit • you would think they lived here2 een auto laten uitlopen • let a car slow down, bring a car to a haltdit straatje loopt op de markt uit • this alley leads (on) to the market placedat loopt op niets/een mislukking uit • that will come to nothing/end in failuredie ruzie liep uit op een gevecht • the quarrel ended in a fight8 wijd uitlopende broekspijpen • flares, bell-bottoms12 uitgelopen oogschaduw • smeared/smudged eye shadowde verf is uitgelopen • the paint has run (out)II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 [ten einde lopen] finish2 [groter maken] walk/wear/break in♦voorbeelden:2 schoenen uitlopen • walk/break in shoes -
19 waterdicht
1 [ondoordringbaar voor water] waterproof 〈 kleding(stuk)〉 ⇒ watertight 〈schoeisel/ruimte (in schip)〉2 [ondubbelzinnig] watertight♦voorbeelden:waterdicht maken • (water)proof 〈 jas, stoffen〉; 〈 dichten, breeuwen〉 ca(u)lk; seal 〈bijvoorbeeld met verf/was〉waterdichte garanties • watertight guarantees
Перевод: с нидерландского на все языки
со всех языков на нидерландский- Со всех языков на:
- Нидерландский
- С нидерландского на:
- Все языки
- Английский
- Русский
- Турецкий
- Французский