-
1 ration
n. rantsoen--------v. rantsoenerenration1[ ræsjn]1 proviand ⇒ voedsel, rantsoenen→ short short/————————ration2〈 werkwoord〉1 rantsoeneren ⇒ op rantsoen stellen; distribueren, uitdelen♦voorbeelden:ration out • uitdelenhis G.P. rationed him to two cigarettes a day • zijn huisarts stelde hem op een rantsoen van twee sigaretten per dag -
2 ration
-
3 выкуп
ngener. inlossing, rantsoen, afkoop, afkoopsom (деньги), losgeld, losprijs in, uitkoop, zoengeld -
4 паёк
ngener. rantsoen -
5 порция
ngener. rantsoen, gedeelte, portie -
6 рацион
ngener. rantsoen -
7 allowance
n. toelage; zakgeld; korting[ əlauəns]1 toelage ⇒ uitkering, subsidie2 deel ⇒ portie, rantsoen♦voorbeelden:make (an) allowance for, make allowance(s) for • rekening houden met -
8 his G.P. rationed him to two cigarettes a day
his G.P. rationed him to two cigarettes a dayEnglish-Dutch dictionary > his G.P. rationed him to two cigarettes a day
-
9 provision
n. provisie; voorraad; middel; voedsel; voorwaarde--------v. provianderen (voornamelijk voedsel)provision1[ prəvizjn]2 voorraad ⇒ hoeveelheid, rantsoen1 levering ⇒ verschaffing, toevoer; voorziening2 voorzorg ⇒ voorbereiding, maatregelen♦voorbeelden:make provision against • (voorzorgs)maatregelen nemen tegenmake provision for the future • voor zijn toekomst zorgen1 levensmiddelen ⇒ provisie, proviand————————provision2〈 werkwoord〉 -
10 emergency ration
noodrantsoen (een rantsoen dat bewaard wordt voor tijden van nood) -
11 stinter
n. iemand die zich beperkt, karig toemeet, bekrimpt, op rantsoen stelt -
12 rationner
-
13 troupe
-
14 fumer des troupe
fumer des (gauloises) troupe -
15 ticket
〈m.〉1 kaartje ⇒ biljet, plaats-, toegangsbewijs2 bon♦voorbeelden:2 tickets de rationnement • rantsoen-, distributiebonnensans tickets • niet op de bon, vrij te verkrijgen¶ ticket modérateur • eigen risico, eigen bijdrage 〈 van sociaal verzekerde〉; 〈 Algemeen Zuid-Nederlands〉 remgeld -
16 tickets de rationnement
tickets de rationnementrantsoen-, distributiebonnen -
17 Bestand
-
18 Kost
〈v.; Kost〉1 kost, (dagelijkse) voeding♦voorbeelden:2 jemanden in Kost geben, nehmen • iemand in de kost doen, nemenKost und Logis • kost en inwoning -
19 Ration
-
20 Zuteilung
Страницы
- 1
- 2