-
1 quitte
quitte [kiet]♦voorbeelden:en être quitte pour la peur • met de schrik vrijkomenje ne l'en tiens pas quitte • hij is nog niet van me afquitte à 〈+ onbepaalde wijs〉 • met het risico te, op gevaar af te -
2 quitte à
quitte à 〈+ onbepaalde wijs〉met het risico te, op gevaar af te -
3 en être quitte pour la peur
en être quitte pour la peur————————en être quitte pour la peurDictionnaire français-néerlandais > en être quitte pour la peur
-
4 il en est quitte pour la peur
il en est quitte pour la peurDictionnaire français-néerlandais > il en est quitte pour la peur
-
5 je ne l'en tiens pas quitte
je ne l'en tiens pas quitteDictionnaire français-néerlandais > je ne l'en tiens pas quitte
-
6 je vous quitte
je vous quitte -
7 jouer à quitte ou double
jouer à quitte ou doubleDictionnaire français-néerlandais > jouer à quitte ou double
-
8 être quitte de
être quitte de -
9 être quitte envers qn.
être quitte envers qn. -
10 en
en1 [ã]1 〈vervangt een zelfstandig naamwoord (zaaknaam) voorafgegaan door ‘de’ als vast voorzetsel van werkwoord, bijvoeglijk naamwoord of bijwoord〉 ervan ⇒ daarvan, erover, daarover, erop, daarop, ermee, daarmee 〈enz.〉2 〈 vervangt een zelfstandig naamwoord (zaaknaam) dat weggelaten is, of wordt gebruikt bij woorden en uitdrukkingen die hoeveelheden aangeven〉 er(van)♦voorbeelden:il prit un bâton et l'en frappa • hij pakte een stok en sloeg hem ermeeje lui en parlerai • ik zal er met hem over pratenje suis reçu au baccalauréat et j'en suis fier • ik ben voor het eindexamen (middelbare school) geslaagd en ik ben er trots opil en tirera un joli bénéfice • hij zal daar een aardig slaatje uit slaan2 combien de livres avez-vous? j'en ai plusieurs • hoeveel boeken heeft u? ik heb er verscheideneavez-vous des timbres postes? non, je n'en ai plus • heeft u ook postzegels? nee, ik heb er geen meerj'en ai • ik heb er watje n'en ai pas • ik heb er geenvoilà des fruits, prenez-en quelques-uns • hier is fruit, neem er wat van3 j'ai un coffre-fort mais j'en ai perdu la clef • ik heb een brandkast maar ik heb de sleutel ervan verloren————————en2 [ã]〈 bijwoord〉4 〈 wordt niet vertaald〉♦voorbeelden:1 elle en sort • zij komt eruit, zij komt er vandaans'en retourner • rechtsomkeert maken, teruggaanils en sont venus aux mains • ze zijn slaags geraakt————————en3 [ã]〈 voorzetsel〉1 〈 voor namen van landen, landstreken, tijd, hoedanigheid〉in ⇒ te, tijdens, per, bij 〈 blijft soms ook onvertaald〉7 aan♦voorbeelden:en mon absence • in, tijdens mijn afwezigheidteneur en alcool • alcoholgehalteen automne • in de herfstcompte en banque • bankrekeningen classe • in de klas, op schooltélévision en couleur • kleurentelevisieen croix • gekruistdocteur en droit • meester in de rechtenarbres en fleurs • bomen in bloeien France • in Frankrijken dix minutes • in tien minutenpromenade en vélo • fietstochtje, een eindje om per fietsen général • in het algemeenaller en ville • de stad ingaan, naar de stad gaanaller en voiture • per auto gaanêtre fort en mathématiques • goed in wiskunde zijnpeindre qc. en bleu • iets blauw verventraduire un texte en allemand • een tekst in het Duits vertalenil y a en lui qc. de mystérieux • hij heeft iets geheimzinnigsen moi-même, je pensais … • ik dacht bij mezelf …cela ne me concerne en rien • dat gaat mij niets aancela fait en tout deux cents francs • dat is dan in het totaal tweehonderd frankfaire les choses en grand • de zaken groots aanpakkense déguiser en arlequin • zich als clown vermommenen cercle • cirkelvormigparler en connaisseur • als een kenner pratenen ce moment • op dit ogenbliken ce monde • op deze werelden sabots • op klompenen Sicile • op Siciliëêtre en voyage • op reis zijnen arrière • naar achterenen avant • naar vorenen entrant il dit bonjour • bij het binnenkomen groette hijpauvre en matières premières • arm aan grondstoffen1. proner(van), erover, erop, etc.2. adv1) ervandaan, eruit2) daarom, erom, erdoor3) op weg3. prép1) in, te, tijdens, per, bij, naar [landen]2) als, -vormig [eigenschap]3) op [plaats, tijd]4) bij het5) tot [begin-, eindpunt]6) aan7) van [materiaal]8) over [tijd] -
11 peur
peur [pur]〈v.〉1 angst ⇒ vrees, schrik, bezorgdheid♦voorbeelden:en être quitte pour la peur • met de schrik vrijkomenj'ai eu une de ces peurs! • ik schrok me dood!n'avoir pas peur des mots • de dingen bij de naam noemenêtre (laid) à faire peur • zo lelijk als de nacht zijnfaire peur à qn. • iemand bang makenprendre peur • bang worden, schrikkenavoir plus de peur que de mal • met de schrik vrijkomenfaire plus de peur que de mal • er erger uitzien dan het in werkelijkheid isla peur de qn., qc. • de angst voor iemand, ietsavoir peur de • bang zijn voor, om te 〈+ onbepaalde wijs〉de peur de, par peur de • uit angst voor, bang omavoir peur pour qn. • bezorgd zijn over iemandde peur que • uit vrees datfangst, schrik -
12 quitter
quitter [kietee]3 loslaten♦voorbeelden:je vous quitte • ik ga er vandoorne quittez pas • blijf aan de lijnv1) verlaten, weggaan2) uittrekken [kleding]3) loslaten -
13 tenir
tenir [tənier]1 houden ⇒ vastzitten, weerstand bieden, standhouden2 een plaats, onderkomen vinden♦voorbeelden:le beau temps tiendra • het mooie weer houdt aantenir bon • volhouden, niet toegeventenir tout seul • blijven staanne plus pouvoir tenir, ne pouvoir y tenir • zijn geduld verliezen, ten einde raad zijncela tient toujours pour samedi? • gaat het zaterdag nog door? 〈 afspraak〉elle ne tenait plus debout (de fatigue) • ze kon niet meer op haar benen blijven staan (van vermoeidheid)cette histoire ne tient pas debout • dat verhaal snijdt geen hout2 ce que nous avons dit tient en quelques mots • wat we hebben gezegd kan in enkele woorden worden samengevat4 à quoi cela tient-il? • hoe komt dat?cela ne tient qu'à moi • dat hangt alleen van mij afqu'à cela ne tienne! • dat is geen bezwaar!II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 houden ⇒ vast-, tegenhouden4 (plaats) innemen ⇒ beslaan, bevatten♦voorbeelden:la colère le tient • hij is woedendtenir la comptabilité • de boekhouding voerentenir ses engagements • zijn verplichtingen nakomentenir ses larmes • zijn tranen inhoudence mal le tient • die ziekte houdt hem in haar greeptenir le pouvoir • de macht in handen hebbentenir qn. • iemand in zijn macht hebbentenir les voleurs • de dieven te pakken hebbenfaire tenir qc. à qn. • iemand iets doen toekomen〈 spreekwoord〉 un tiens vaut mieux que deux tu l'auras • één vogel in de hand is beter dan tien in de luchttenez, voilà votre argent • hier hebt u uw geldtiens! je ne l'aurais pas cru • hé, dat had ik niet gedachttiens, tiens! • wel, wel!→ bout, boutique, classe, cordon, estime, haleine, langue, lieu, mer, pari, parole, quitte, tête, vin1 zich vasthouden ⇒ leunen (tegen), zich houden2 staan ⇒ zich bevinden, plaats hebben3 waarschijnlijk, steekhoudend zijn ⇒ goed in elkaar zitten, met elkaar samenhangen♦voorbeelden:1 s'en tenir là • stoppen, ophoudensavoir à quoi s'en tenir • weten waar men zich aan te houden heeftse tenir à quatre • z'n woede met moeite bedwingen¶ s'en tenir à • zich houden aan, blijven bijse tenir qc. pour dit • zich iets voor gezegd houdenv1) vastzitten2) standhouden5) voortkomen6) lijken (op)7) (vast)houden8) tegenhouden9) hebben10) weerstand bieden11) in beslag nemen12) beschouwen (als)13) onderhouden -
14 nous sommes quittes
nous sommes quittes -
15 tiens
tiens, tiens!wel, wel!
См. также в других словарях:
quitte — [ kit ] adj. • 1080; lat. médiév. quitus, class. quietus « tranquille » 1 ♦ (Surtout avec le v. être) Libéré d une obligation juridique, d une dette. Être quitte envers qqn. Nous sommes quittes. ♢ Dr. Exonéré. Quitte de tous droits et taxes. 2 ♦… … Encyclopédie Universelle
quitte — Quitte. adj. de tout genre. Qui est liberé de ce qu il devoit, qui ne doit plus rien. Quand vous aurez payé, vous serez quitte. quitte en payant. je suis quitte envers vous. je vous tiens quitte de ce que vous me pouvez devoir. il m a vendu ce… … Dictionnaire de l'Académie française
quitté — quitté, ée (ki té, tée) part. passé de quitter. 1° Tenu quitte. Quitté d une dette considérable. 2° Qui s est séparé de. • Quitté par ses maîtresses sans avoir connu l amour, VOLT. Moeurs, 176. 3° Terme de graveur. Taille quittée, taille… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
Quitte à — ● Quitte à sauf à, au risque de subir telle chose, à faire telle chose : J avouerai, quitte à payer pour cette erreur … Encyclopédie Universelle
Quitte — Quitte, s. u. Quittenbaum … Pierer's Universal-Lexikon
Quitte — Quitte, s. Quittenbaum; auch soviel wie Eberesche, s. Sorbus … Meyers Großes Konversations-Lexikon
Quitte — Quitte, die Frucht des gemeinen Quittenbaums (s.d.), auch dieser selbst … Kleines Konversations-Lexikon
Quitte — Sf std. (12. Jh.), mhd. quiten, kūten, kütten, ahd. quitina, quodana, kutina, kuten Entlehnung. Entlehnt aus l. (māla) cydōnia f. (Sg.) Quittenbaum , n. Pl. Quittenfrüchte , dieses nach gr. kydṓnion mẽlon n., das wohl ein Wort einer unbekannten… … Etymologisches Wörterbuch der deutschen sprache
Quitte — Quitte: Der Name des zu den Rosengewächsen gehörenden, in Transkaukasien beheimateten Baumes und seiner apfel oder birnenförmigen Frucht (mhd. quiten, ahd. qitina) geht auf vlat. quidonea zurück, das für lat. cydonea (mala) »Quittenäpfel« (= lat … Das Herkunftswörterbuch
quitté — Quitté, [quitt]ée. part. Il a les significations de son verbe … Dictionnaire de l'Académie française
quitte — (ki t ) adj. 1° Qui ne doit plus rien, qui s est libéré de sa dette, en parlant des personnes. • On croit que Monsieur le Prince n en sera pas quitte pour quarante mille écus, SÉV. 43. • Ce nouveau magistrat proposa une loi qui déclarait… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré