-
1 Knie
〈o.; Knies, Knie〉3 〈 ambachtelijk〉knie, elleboog♦voorbeelden:in die Knie gehen • (a) met knikkende knieën vallen; (b) een kniebuiging maken • 〈 (c) figuurlijk〉 door de knieën gaanetwas übers Knie brechen • een zaak forceren -
2 Tempo
Tempo〈o.; Tempos, Tempos; meervoud muziek meestal Tempi〉♦voorbeelden:ein Tempo vorlegen • er een tempo inzetten〈 informeel〉 und nun ein bisschen Tempo! • en nu een beetje vlug!aufs Tempo drücken • het tempo forcerenim Tempo zulegen • het tempo verhogen, opvoeren -
3 aufknacken
aufknacken♦voorbeelden: -
4 aufs Tempo drücken
-
5 aufsprengen
-
6 einbrechen
-
7 eine Tür einbrechen
-
8 einen Geldschrank aufknacken
een brandkast kraken, openbreken, forcerenWörterbuch Deutsch-Niederländisch > einen Geldschrank aufknacken
-
9 etwas übers Knie brechen
etwas übers Knie brechenWörterbuch Deutsch-Niederländisch > etwas übers Knie brechen
-
10 forcieren
-
11 sprengen
sprengenI 〈overgankelijk & onovergankelijk werkwoord; haben〉1 opblazen, laten springen2 openbreken ⇒ met geweld openen, verbreken, forceren3 (be)sproeien, sprenkelen♦voorbeelden:〈 figuurlijk〉 den Rahmen sprengen • buiten het kader gaan, het kader te buiten gaanetwas in die Luft sprengen • iets de lucht injagen, opblazen -
12 überdrehen
-
13 überstrapazieren
überstrapazieren
См. также в других словарях:
forcieren — Vsw erzwingen, verstärken, mit Nachdruck betreiben erw. fremd. Erkennbar fremd (17. Jh.) mit Adaptionssuffix. Entlehnt aus frz. forcer, das über spätlateinische Zwischenstufen zurückgeht auf l. fortis stark, fest . Ebenso nndl. forceren, ne.… … Etymologisches Wörterbuch der deutschen sprache