-
1 april
-
2 april
n. April, fourth month of the Gregorian calendar -
3 april doet wat hij wil
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > april doet wat hij wil
-
4 drie april
drie april -
5 een april
een april -
6 ik ga half april
ik ga half aprilVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > ik ga half april
-
7 met ingang van heden/1 april
met ingang van heden/1 aprilas of today/April 1stVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > met ingang van heden/1 april
-
8 onze perzik bloeit in april
onze perzik bloeit in aprilour peach tree blooms/blossoms in AprilVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > onze perzik bloeit in april
-
9 één april (kikker in je bil)!
één april (kikker in je bil)!April Fool!Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > één april (kikker in je bil)!
-
10 één april
één april -
11 drie
drie1〈de〉1 three♦voorbeelden:————————drie2〈 telwoord〉♦voorbeelden:drie uur • three o'clockeen auto in z'n drie zetten • put a car into third gearmet drie tegelijk • in threes, three at a timezij kwamen met hun drieën • three of them camezij waren met hun drieën • there were three of themhet is tegen drieën • it's almost three o'clockdrie is teveel • three is a crowdmet 3-0 verliezen • lose by three goals to nildrie drie, 3-3 • three-all -
12 bloeien
-
13 een
een1〈de〉1 one♦voorbeelden:————————een21 one♦voorbeelden:zich een (ge)voelen met de natuur • be at one with natureeen maken • uniteeen worden • become oneeen met • one with————————een31 one♦voorbeelden:er een laten vliegen • farter een pakken/nemen/drinken • have a drinkgeef me er nog een • give me another (one)/one moreje bent me er (ook) een! • you are a nice one!als er een is die het kan, dan is hij het • if anyone can do it, he can————————een4I 〈hoofdtelwoord; met klemtoon〉1 one♦voorbeelden:de/het een of ander • someone/something or otherik zal een en ander nog opzoeken • I'll check these things(noch) het een noch het ander • neither one thing nor the othervan de een naar de ander kijken • look from one to the othervan het een komt het ander • one thing leads to anotherde een zegt dit, de andere dat • some (people) say one thing, some anotherop (de) een (of andere) dag • some/one dayeen dezer dagen • one of these dayseen keer is voldoende • once is enoughelke stem is er een • every vote countselke cent is er een • a penny saved is a penny earnedelke cent is er een voor hem • he has to count his pennieseen en dezelfde • one and the sameniet een, geen een • not one, no onede weg is een en al modder • the road is nothing but mudzij is een en al oor/oog/glimlach • she is all ears/eyes/smileszij was een en al gastvrijheid • she was hospitality itselfhij was een en al zenuwen • he was a bundle of nerveshet is bij enen • it's almost one (o'clock)de op een na laatste, op een na de laatste • the last but onede op een na beste, op een na de beste • the second bestallen op een na • all except onehonderd tegen een • a hundred to oneeen van tweeën • one of two thingseen van beide(n) • one of themeen voor allen, allen voor een • all for one and one for alleen voor een • one by one, one at a time(je moet kiezen) het een of het ander • you can't have it both waysals één man • as one manop de een of andere wijze • one way or anothereen of ander meisje • some girl or otherII 〈rangtelwoord; met klemtoon〉♦voorbeelden:III 〈lidwoord; zonder klemtoon〉1 [onbepaald] a; 〈 voor klinker〉 an2 [categoriaal] a3 [ongeveer] a, some4 [in uitroepen] a, some♦voorbeelden:neem een Tedje van Es • take someone like a Tedje van Eseen duizend gulden • some thousand guilders4 een mensen dat er waren! • what a lot of people there were!wat een mooie bloemen! • what beautiful flowers!wat een mensen! • what a crowd!wat een idee! • what an idea! -
14 half
half1〈de〉1 half♦voorbeelden:————————half21 [de helft zijnde] half2 [voor een (groot) deel; niet helemaal] half3 [met betrekking tot het punt waar de andere helft begint] halfway up/down/along/through♦voorbeelden:een halve cirkel • a semicirclehalve dagen werken • work half timevoor half geld/tegen de halve prijs • (for/at) half pricevier en een halve mijl • four and a half milesde klok slaat hele en halve uren • the clock strikes the (full) hours and the half hoursgeen halve maatregelen • no half measuresde halve stad spreekt ervan • half the town is talking about itiets met een half woord aanduiden • (barely) hint at somethinghij hoeft maar een half woord te zeggen • half a word is enougher is een bus telkens om vier minuten vóór het halve uur/vóór half • there is a bus every four minutes to the half hourhet is half elf • it is half (past) tenhet is vijf voor half elf • it is twenty-five past ten¶ een halve gare • a fool/halfwit/BtwitII 〈 bijwoord〉2 [voor een deel] half♦voorbeelden:het hek is half wit en half groen geverfd • the fence is painted half white, half greenje weet niet half hoe erg het is • little do you know how serious it ismijn werk is half af • my work is half donehalf zo groot als ik • half as tall as mehalf en half tot iets besloten zijn • have more or less decidediemand iets half en half beloven • half promise someone somethingik ben er half en half van op de hoogte • I have not yet been fully informedhalf en half/half om half • half and half2 met het raam half dicht • with the window halfway down/opende deur stond half open • the door was ajarik kan het maar half geloven • I can hardly believe ithalf lachend, half huilend • torn between laughing and cryingiets maar half verstaan • understand only half of it -
15 ingang
1 [opening] entrance, entry ⇒ doorway, 〈 figuurlijk〉 connection, 〈 figuurlijk〉 contact 〈(contactpersoon) bij organisatie e.d.〉2 [met betrekking tot informatie] entry3 [toegang] entrance, entry4 [aanvang] commencement♦voorbeelden:1 een nauwe/wijde ingang • a narrow/wide entrancehet station heeft twee ingangen • the station has two entrancesingang vinden • find acceptancede nieuwe ideeën vonden gemakkelijk ingang bij het publiek • the new ideas found a ready reception with the public4 met ingang van heden/1 april • as of today/April 1stmet onmiddellijke ingang • to take effect at once -
16 maartse buien
-
17 Koninginnedag
n. Dutch public holiday celebrating the queen's birthday, April 30th (actual birthday of queen Juliana) -
18 Ram
n. (Astrology) Aries, 1st sign of the zodiac; one born under the sign of Aries (March 21 - April 24) -
19 Stier
n. (Astrology) Taurus, 2nd sign of the zodiac; one born under the sign of Taurus (April 24 - May 22) -
20 aprilgrap
n. April Fool's joke
- 1
- 2
См. также в других словарях:
April — is the fourth month of the year in the Gregorian Calendar, and one of four months with a length of 30 days. April was originally the second month of the Roman calendar, before January and February were added by King Numa Pompilius about 700 BC.… … Wikipedia
APRIL — Cette page d’homonymie répertorie les différents sujets et articles partageant un même nom … Wikipédia en Français
April — April: Der Name des vierten Monats des Kalenderjahres, ahd. abrello, mhd. aberelle, abrille, beruht wie z. B. entsprechend it. aprile, frz. avril und engl. April auf lat. Aprilis (mensis). Die weitere Herkunft des lat. Wortes ist nicht sicher… … Das Herkunftswörterbuch
April — A pril, n. [L. Aprilis. OE. also Averil, F. Avril, fr. L. Aprilis.] 1. The fourth month of the year. [1913 Webster] 2. Fig.: With reference to April being the month in which vegetation begins to put forth, the variableness of its weather, etc.… … The Collaborative International Dictionary of English
April — Sm std. (12. Jh.), mhd. aprille, ahd. abrello Entlehnung. Das aus l. Aprīlis (mensis) entlehnte Wort verdrängt älteres ahd. ōstarmānōd Ostermonat . Die Herkunft der lateinischen Monatsbezeichnung ist umstritten (vielleicht zu gr. Aphrodite, l.… … Etymologisches Wörterbuch der deutschen sprache
April — [Aufbauwortschatz (Rating 1500 3200)] Bsp.: • Sehr gut. 8:15 Uhr am Donnerstag, den sechzehnten April. • April ist der vierte Monat des Jahres … Deutsch Wörterbuch
April — (nach Ein. v. lat. aperire, öffnen [weil die Erde sich im April zum Wachsthum öffnet]; nach And. von aper, weil in diesem Monat Schweine geopfert wurden; unter Kaiser Nero Neroneus, von Karl d. Gr. Oster , sonst wohl auch Grasmonat genannt); der… … Pierer's Universal-Lexikon
April — (lat. Aprīlis, nach Ovid von aperire, öffnen, »weil der Frühling alles öffnet«), im julianischen Kalender der vierte, im altrömischen der zweite Monat, von Karl d. Gr. Ostermonat genannt, weil Ostern gewöhnlich in ihn fällt. Er hat jetzt 30 Tage … Meyers Großes Konversations-Lexikon
April — April, der vierte Monat im Jahre, soll nach Varro seinen Namen von der Göttin Aphrodite herleiten, weil er dieser Göttin geweiht war, während Andere ihn von dem Schweizerworte »appern« (thauen) abstammen lassen. Die jetzt nochwenig gebräuchliche… … Damen Conversations Lexikon
april — àprīl m <G apríla> DEFINICIJA četvrti mjesec u godini; travanj SINTAGMA prvi april razg. prvoaprilska šala: aprilili, u dijaloškoj situaciji kada se koga prevari, namagarči i sl. na 1. aprila (travnja) (kada se zbijaju šale) ETIMOLOGIJA lat … Hrvatski jezični portal
april — april; april·i·an; … English syllables