-
1 sugar icing
versiering van cake met suikerconfetti -
2 decoration
n. versiering; illustratie[ dekkəreesjn]2 versiering ⇒ tooi, opsmuk4 onderscheiding(steken) ⇒ decoratie, ordeteken♦voorbeelden: -
3 garnish
n. garnering, versiering (van voedsel); opkloppen (verhaal)--------v. garneren; in beslag nemengarnish1————————garnish2〈 werkwoord〉 -
4 antefix
n. (Architectuur) versiering geplaatst op dakrand van een geplaveid dak om de verbindingen waar de dakpannen elkaar ontmoeten te verbergen; decoratie op bovenste lijstwerk van een kroonlijst; versiering van een fries (sierlijst) -
5 altarpiece
-
6 binding
adj. verplicht, gedwongen; dat verbindt; uitgevoerd volgens de wet; verstoppend, verstopping veroorzakend--------n. boekenkaft, kaft van een boek; sluiting; (in computers) de verbinding tussen een communicatie protokol en een netwerkaansluiting; banden op een ski om de laars te be veiligen (Sport); strip genaaid aan de rand ter versterking of als versiering van verband; het aanleggen van een verbandbinding1[ bajnding] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 band ⇒ boekband, verband2 boordsel————————binding21 bindend♦voorbeelden:the treaty is binding on all of us • het verdrag bindt ons allen -
7 candlewick
n. kaarsepit; versiering met dradencandlewick -
8 centrepiece
n. meest opvallende voorwerp; versiering in centrum (zoals op tafel) geplaatstcentrepiece -
9 chou
n. (Frans) soesje gevuld met fruit of slagroom; alle soorten kool; roosvormige versiering gebruikt als decoratie op dameskleding1 soes(je) -
10 detail
n. detail; eenheid--------v. tot in bijzonderheden, uitvoerigdetail1[ die:teel] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 detail ⇒ bijzonderheid, kleinigheid2 kleine versiering/decoratie ⇒ detail♦voorbeelden:explain something in detail • iets tot in detail(s) uitleggenin (great/much) detail • uitvoerigdetails, details/but that is a detail • een kniesoor die daarop let————————detail2〈 werkwoord〉 -
11 edging
-
12 fixings
n. uitrusting, toebehoren, garnering van gerechten[ fiksingz] 〈Amerikaans-Engels; informeel〉 -
13 frosting
n. glazuurlaag (voor taart); mattering (ruiten); ruitsplinter (voor versiering)[ frosting] -
14 garnishing
adj. versierd, garneerd (voedsel)--------n. versiering (van voedsel); garnering (van voedsel)→ garnish garnish/ -
15 gaudy
-
16 inlay
n. inlegging; versiering; vulling--------v. inleggen; versiereninlay1[ inlee] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 inlegsel ⇒ inlegwerk, mozaïek————————inlay2[ inlee] 〈 werkwoord〉1 inleggen♦voorbeelden: -
17 knot
n. knoop ; kwastknoop; contact; uitstulping; groep; ingewikkeld probleem; zee-knoop (komt overeen met 6076 voet)--------v. knopen; verbinden; verwikkelen; in de knoop rakenknot1[ not] 〈 zelfstandig naamwoord〉♦voorbeelden:¶ get tied (up) into knots (over) • van de kook/de kluts kwijt raken (van/over)→ Gordian knot Gordian knot/————————knot2〈 knotted〉II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 (vast)knopen ⇒ (vast)binden, een knoop leggen in2 dichtknopen/binden -
18 ornament
n. ornament; sieraad--------v. versieren; decorerenornament1[ o:nəmənt] 〈 zelfstandig naamwoord〉♦voorbeelden:————————ornament2〈werkwoord; zelfstandig naamwoord: ornamentation〉 -
19 piping
adj. fluitend; schreeuwerig--------n. pijp; buis; fluiten; buizenstelselpiping1[ pajping] 〈 zelfstandig naamwoord〉♦voorbeelden:————————piping2————————piping3〈 bijwoord〉♦voorbeelden: -
20 rosette
Перевод: с английского на нидерландский
с нидерландского на английский- С нидерландского на:
- Английский
- С английского на:
- Нидерландский
versiering
Страницы