-
1 продрогнуть
verkleumen -
2 benumb
v. verkleumen, doen verstijven, verdoven[ binnum]1 gevoelloos maken ⇒ doen verstijven, verkleumen♦voorbeelden: -
3 cailler
cailler [kaajee]1 stremmen ⇒ stollen, klonteren♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 stremmen ⇒ doen stollen, doen klonteren1 stremmen ⇒ stollen, klonterenv1) stremmen2) verkleumen -
4 озябнуть
het koud hebben, verkleumen -
5 промерзать
bevriezen, verkleumen -
6 промёрзнуть
bevriezen, verkleumen -
7 неметь от холода
vgener. verkleumen -
8 цепенеть
-
9 pinch
n. kneep; pijn; beetje, snuifje--------v. knijpen; druk zetten op; bezuinigen; knellenpinch1[ pintsj] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 kneep♦voorbeelden:2 the pinch of poverty/hunger • de nijpende armoede/hongerif it comes to the pinch • als de nood aan de man komtfeel the pinch • de nood voelen¶ at a pinch • desnoods, in geval van nood————————pinch2♦voorbeelden:♦voorbeelden:1 knijpen ⇒ dichtknijpen, knellen, klemmen♦voorbeelden:be pinched for money • er krap bij zitten -
10 engourdir
engourdir [ãgoerdier]1 gevoelloos maken ⇒ verlammen, stijf maken, verkleumen2 traag maken ⇒ verdoven, versuft maken♦voorbeelden:2 traag worden ⇒ verdoofd raken, verslappenv1) gevoelloos maken, verlammen2) verdoven -
11 transir
transir [trãzier]2 doen verstijven ⇒ verlammen, doen verstenen -
12 durchfrieren
durchfrieren♦voorbeelden:
Перевод: со всех языков на нидерландский
с нидерландского на все языки- С нидерландского на:
- Все языки
- Со всех языков на:
- Все языки
- Английский
- Нидерландский
- Русский
- Французский