-
1 mériter
mériter [meerietee]♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:1 il l'a bien mérité • net goed, hij heeft erom gevraagd→ peinev2) verdienen, waard zijn3) dienen, nodig zijn -
2 vertu
vertu [vertuu]〈v.〉1 deugd2 kuisheid ⇒ eerbaarheid, deugdzaamheid♦voorbeelden:avoir de la vertu • verdienstelijk zijnparer qn. de toutes les vertus • iemand alle mogelijke deugden toeschrijvenattenter à la vertu d'une femme • een vrouw aanrandenvertu magique • toverkrachten vertu de • krachtens, op grond vanf2) kracht -
3 avoir de la vertu
avoir de la vertu -
4 distinguer
distinguer [diestẽgee]1 zien ⇒ onderscheiden, opmerken2 onderscheiden ⇒ kenmerken, uit elkaar houden♦voorbeelden:1 sa démarche le distingue immédiatement • hij is onmiddellijk aan zijn manier van lopen te herkennen1 zich onderscheiden ⇒ zich kenmerken, opvallen♦voorbeelden:1. v 2. se distinguerv1) zich onderscheiden, opvallen2) te zien zijn -
5 valeur
valeur [vaalur]〈v.〉♦voorbeelden:valeur vénale, marchande • handels-, marktwaardedoubler de valeur • in waarde verdubbelenprendre de la valeur • waarde krijgen, in waarde stijgenobjet de valeur • waardevol voorwerpmettre en valeur • productief maken, exploiteren2 homme de valeur • man met grote kwaliteiten, waardevol, verdienstelijk man3 mettre en valeur • tot zijn recht laten komen, goed doen uitkomen, de nadruk leggen opsans valeur • waardeloos1. f 2. valeursf plwaardepapieren, effecten
Перевод: с французского на нидерландский
с нидерландского на французский- С нидерландского на:
- Французский
- С французского на:
- Нидерландский