-
1 потреблять
verbruiken, consumeren -
2 тратить
verbruiken, uitgeven, verspillen -
3 use up
-
4 to consume
verbruikenverwerken -
5 consume
v. eten; vergaan; gebruiken, verbruiken[ kənsjoe:m]1 consumeren ⇒ nuttigen, verorberen3 verteren ⇒ wegvreten, verwoesten♦voorbeelden:consuming passion • verterende hartstochtconsumed by/with hate • verteerd door haat -
6 expend
v. uitgeven, besteden, verbruiken[ ikspend]1 besteden ⇒ uitgeven, spenderen2 (op)gebruiken ⇒ verbruiken, uitputten♦voorbeelden: -
7 consommer
consommer [kõsommee]II 〈 overgankelijk werkwoord〉1 verbruiken ⇒ (op)gebruiken, eten2 voltooien ⇒ voleindigen, volvoeren♦voorbeelden:consommer sa ruine • zijn ondergang bezegelenv1) verbruiken2) gebruiken, verorberen, drinken3) voltooien, voleindigen4) begaan [misdaad, aanslag] -
8 dépenser
dépenser [deepãsee]♦voorbeelden:dépenser sans compter • zijn geld wegsmijten1 zich inspannen ⇒ zich inzetten, veel moeite doen1. v1) uitgeven, besteden [geld]2) verbruiken3) gebruiken, aanwenden (voor)2. se dépenservzich inspannen (om), zich inzetten (voor) -
9 épuiser
épuiser [eepŵiezee]4 leegmaken ⇒ droogmaken, leegpompen, uitscheppen♦voorbeelden:tu m' épuises! • ik word moe van je♦voorbeelden:1 mais je m'épuise à vous le dire • dat zég ik u toch aldoor?1. v1) uitputten2) irriteren3) verbruiken4) leegmaken, droogmaken5) afhandelen2. s'épuiserv2) op raken -
10 user
user [uuzee]1 (iets) gebruiken ⇒ aanwenden, zich bedienen (van), gebruik maken (van)♦voorbeelden:1 user d' un droit • een recht uitoefenen, doen geldenuser de menaces • bedreigingen uiten, dreigenusez, n'abusez pas • doe alles met mateII 〈 overgankelijk werkwoord〉2 verslijten ⇒ af-, uitslijten, uitslijpen3 verzwakken ⇒ ondermijnen, verminderen♦voorbeelden:2 user une pointe • een scherpe punt afstompen, stomp makenusé par l'âge • oud en versletenuser sa vue, ses yeux • zijn ogen bederven2 verminderen ⇒ afnemen, verzwakken♦voorbeelden:1. v1) gebruiken, aanwenden2) verbruiken3) verslijten4) verzwakken5) uitputten6) slijten, doorbrengen2. s'userv1) verslijten2) verminderen, verzwakken -
11 затрачивать
uitgeven, verbruiken -
12 израсходовать
uitgeven, verbruiken, opmaken -
13 истратить
uitgeven, verbruiken, opmaken -
14 расходовать
uitgeven ; verbruiken -
15 исчерпанность, утрату, ущерб
gener. ver- (pref) (íàïð., verbranden ñæå÷ü, ñãîðåòü; verbruiken èçðàñõîäîâàòü)Russisch-Nederlands Universal Dictionary > исчерпанность, утрату, ущерб
-
16 потреблять
vgener. afnemen, consumeren, gebruiken, verbruiken, verorberen (ïèùó), verwerken -
17 расходовать
vgener. emitteren, uitgeven, besteden (силы, время, деньги), consumeren, spanderen, spenderen, verbruiken -
18 тратить
vgener. besteden, verlopen, verslijten, zoekmaken (деньги, время), (iets) te grabbel gooien, spanderen, spenderen, spillen, uitgeven, verbruiken, verspillen -
19 употреблять
vgener. aanwenden, gebruiken, toepassen, verwerken, 4 tegoed doen, besteden, bezigen, gebruik maken van (iets) (что-л.), verbruiken -
20 burn off
v. opbranden, energie verbruiken en ongewenst vet verbranden door het doen van oefeningen (caloriën verbranden); doen branden; zich van de vegetatie ontdoen door brand of chemicaliën om land schoon te maken of ter voorbereiding van oogsten van wortelgewas; zich ontdoen van overtollig gas; verspreiden (van wolken of mist door de zonnehitte)burn offweg/afbranden, schoon/leegbranden
Страницы