-
1 Ganze
Ganze(s)〈bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord; o.〉♦voorbeelden:nichts Ganzes und nichts Halbes • vlees noch visaufs Ganze gehen • alles op alles zettenaufs Ganze gesehen • over 't geheel bekekenes geht ums Ganze • het gaat erom, het is erop of eronder -
2 Ganzes
Ganze(s)〈bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord; o.〉♦voorbeelden:nichts Ganzes und nichts Halbes • vlees noch visaufs Ganze gehen • alles op alles zettenaufs Ganze gesehen • over 't geheel bekekenes geht ums Ganze • het gaat erom, het is erop of eronder -
3 Ganzheit
-
4 Gesamtheit
-
5 Gänze
Gänze〈v.〉 〈 formeel〉♦voorbeelden:¶ in seiner Gänze • in zijn totaliteit, in zijn volle omvangzur Gänze • geheel (en al), volkomen -
6 Totalität
-
7 ganzheitlich
-
8 in seiner Gänze
in seiner Gänzein zijn totaliteit, in zijn volle omvang
См. также в других словарях:
Гомомонумент — Памятник Гомомонумент Homomonument … Википедия