-
1 structure
n. structuur, gebouw--------v. structuerenstructure1[ struktsjə] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 bouwwerk ⇒ constructie, (op)bouw2 structuur ⇒ samenstel(ling), constructie————————structure2〈 werkwoord〉1 structureren ⇒ organiseren, ordenen -
2 structuration
-
3 structurer
structurer [struuktuuree]1 structureren ⇒ een structuur, een opbouw geven -
4 aufbauen
aufbauenI 〈onovergankelijk werkwoord; haben〉♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉2 weer opbouwen, herbouwen6 baseren, doen steunen♦voorbeelden:eine Maschine aufbauen • een machine monteren5 ein gut aufgebauter Roman • een goed gebouwde, gestructureerde roman2 ontstaan, zich vormen5 〈 scheikunde〉samengesteld, opgebouwd zijn♦voorbeelden:2 da baut sich ein neues Tief auf • daar ontstaat, vormt zich een nieuwe depressie
Перевод: со всех языков на нидерландский
с нидерландского на все языки- С нидерландского на:
- Все языки
- Со всех языков на:
- Все языки
- Английский
- Нидерландский
- Русский
- Французский