-
1 nip
n. kneep; kou; slokje; beet; uitbraak--------v. knijpen; bijten; vloeken; (voort-, los-) barsten; slikken; verwoestennip1[ nip] 〈zelfstandig naamwoord; voornamelijk enkelvoud〉1 kneep ⇒ het knijpen, beet♦voorbeelden:————————nip2〈 nipped〉♦voorbeelden:II 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:nip at • happen naar -
2 suck
n. zuigen; zuiging; slokje--------v. zuigen; borstvoeding krijgen; opslokkensuck1[ suk]♦voorbeelden:————————suck2〈 werkwoord〉1 zuigen (aan/op) ⇒ aan/in/op/uitzuigen, halen uit♦voorbeelden:suck in • in/opzuigen, absorberen, in zich opnemensuck in knowledge • kennis vergarensuck up • opzuigen2 suck up (to) someone • iemand likken, iemand vleien -
3 taste
n. smaak; proefje; wijsheid--------v. smaken; proeventaste1[ teest]1 kleine hoeveelheid ⇒ hapje, slokje; beetje, tikkeltje♦voorbeelden:1 have a taste of this cake/wine • neem eens een hapje/slokje van deze cake/wijnit is a taste better than before • het is een tikkeltje beter dan voorheen2 smaak ⇒ voorkeur, genoegen♦voorbeelden:1 leave a bad/nasty/unpleasant taste in the mouth • een bittere/onaangename nasmaak hebben 〈 ook figuurlijk〉everyone to his taste • ieder zijn meughave (a) taste for music • genoegen scheppen in muziekadd sugar to taste • suiker toevoegen naar smaak♦voorbeelden:1 that is good/bad taste • dat getuigt van goede/slechte smaakthe remark was in bad taste • de opmerking getuigde van slechte smaaksweet to the taste • zoet van smaak————————taste21 smaken♦voorbeelden:the pudding tasted of garlic • de pudding smaakte naar knoflookII 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden: -
4 Nip
n. kneep; kou; slokje; beet; uitbraak--------v. knijpen; bijten; vloeken; (voort-, los-) barsten; slikken; verwoesten[ nip] 〈slang; pejoratief〉 -
5 have a taste of this cake/wine
have a taste of this cake/wineneem eens een hapje/slokje van deze cake/wijn -
6 noggin
n. Slok; drinkglas; hoofd (slang)[ nogin] -
7 sip
n. teugje--------v. met teugjes drinkensip1[ sip] 〈 zelfstandig naamwoord〉————————sip2〈 sipped〉 -
8 swallow
n. (het) slikken, slokje; zwaluw--------v. inslikken, doorslikken, verzwelgen; gelovenswallow1[ swolloo] 〈 zelfstandig naamwoord〉1 zwaluw2 slok♦voorbeelden:————————swallow21 slikkenII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 (door/in)slikken ⇒ binnenkrijgen2 opslokken ⇒ verzwelgen, verslinden♦voorbeelden:2 swallow up • opslokken, inlijvenswallow a story • een verhaal slikkenswallow hard • zich vermannen
См. также в других словарях:
Schluck — 1. Ein guter Schluck schadet dem Fasten nichts. Ein freisinniges Mönchssprichwort. Die Fastenzeit war recht eigentliche Saufzeit der Klöster. Statt Braten gab es jetzt Fische, Eier und Mehlspeisen und zur Verdauung einen guten Schluck. Die Fische … Deutsches Sprichwörter-Lexikon