-
1 ration
n. rantsoen--------v. rantsoenerenration1[ ræsjn]1 proviand ⇒ voedsel, rantsoenen→ short short/————————ration2〈 werkwoord〉1 rantsoeneren ⇒ op rantsoen stellen; distribueren, uitdelen♦voorbeelden:ration out • uitdelenhis G.P. rationed him to two cigarettes a day • zijn huisarts stelde hem op een rantsoen van twee sigaretten per dag -
2 allowance
n. toelage; zakgeld; korting[ əlauəns]1 toelage ⇒ uitkering, subsidie2 deel ⇒ portie, rantsoen♦voorbeelden:make (an) allowance for, make allowance(s) for • rekening houden met -
3 his G.P. rationed him to two cigarettes a day
his G.P. rationed him to two cigarettes a dayEnglish-Dutch dictionary > his G.P. rationed him to two cigarettes a day
-
4 provision
n. provisie; voorraad; middel; voedsel; voorwaarde--------v. provianderen (voornamelijk voedsel)provision1[ prəvizjn]2 voorraad ⇒ hoeveelheid, rantsoen1 levering ⇒ verschaffing, toevoer; voorziening2 voorzorg ⇒ voorbereiding, maatregelen♦voorbeelden:make provision against • (voorzorgs)maatregelen nemen tegenmake provision for the future • voor zijn toekomst zorgen1 levensmiddelen ⇒ provisie, proviand————————provision2〈 werkwoord〉 -
5 emergency ration
noodrantsoen (een rantsoen dat bewaard wordt voor tijden van nood) -
6 stinter
n. iemand die zich beperkt, karig toemeet, bekrimpt, op rantsoen stelt
Перевод: с английского на нидерландский
с нидерландского на английский- С нидерландского на:
- Английский
- С английского на:
- Нидерландский