-
1 profiteren
profiter -
2 voordeel trekken uit
profiter -
3 winst maken
profiter -
4 gebruik
♦voorbeelden:het gebruik van de handen missen • ne pas avoir l'usage de ses mainshet gebruik van tractoren • l'utilisation de tracteurshet gebruik van de tuin was hem toegestaan • il lui était permis de profiter du jardinartikel voor dagelijks gebruik • article de consommation courante, d'usage courantvoor eigen gebruik • pour (mon, ton etc.) usage personneleen slecht gebruik maken van iets • user mal de qc.alleen voor uitwendig gebruik • à usage externe(geen) gebruik van iets maken • (ne pas) se servir de qc.van de gelegenheid gebruik maken • profiter de l'occasionvan iemands uitnodiging gebruik maken • accepter l'invitation de qn.buiten gebruik raken • tomber en désuétudeiets buiten gebruik stellen • mettre qc. hors d'usagedoor het gebruik afslijten • se détériorer à l'usageiets in gebruik nemen • utiliser qc. pour la première foisalgemeen in gebruik zijn • être utilisé courammentin gebruik komen • devenir courantin het gebruik • à l'usageiets in gebruik stellen • mettre qc. en servicebekend zijn met het gebruik van iets • savoir (comment) se servir de qc.voor iemands gebruik • à l'usage de qn.het is een goed gebruik dat • c'est une bonne habitude deeen oud gebruik • un vieil usageeen plaatselijk gebruik • une coutume localeeen zonderling gebruik • une drôle d'habitudehet is hier het gebruik dat • il est d'usage que -
5 profiteren
♦voorbeelden:〈 pejoratief〉 van iemand profiteren • exploiter qn. -
6 profiteren
-
7 baat
-
8 benutten
-
9 de gelegenheid te baat nemen om
profiter de l'occasion pour 〈+ onbepaalde wijs〉Deens-Russisch woordenboek > de gelegenheid te baat nemen om
-
10 eruit halen wat erin zit
eruit halen wat erin zit〈 het uiterste vergen〉 tirer le maximum de qc.; 〈 maximaal van iets gebruik maken〉 profiter au maximum de qc.————————eruit halen wat erin zit -
11 gelegenheid
♦voorbeelden:1 dat huis is een beste gelegenheid voor een winkel • cette maison constitue un emplacement idéal pour un magasinde gelegenheid aangrijpen • saisir l'occasioneen gelegenheid vinden om • trouver l'occasion dewachten tot er zich een gelegenheid voordoet • attendre qu'une occasion se présente 〈 aantonende wijs〉bij gelegenheid (van) • à l'occasion (de)bij de eerste de beste gelegenheid • à la première occasioniemand in de gelegenheid stellen om … • mettre qn. en mesure de …in de gelegenheid zijn om … • avoir la possibilité de …er is gelegenheid om te dansen • on peut danser3 laten we in die gelegenheid iets drinken • allons boire qc. dans ce cafébij zulke gelegenheden • dans de telles circonstancesop elke gelegenheid voorbereid zijn • être prêt à toute éventualitéter gelegenheid van • à l'occasion demet de eerste gelegenheid reisde hij terug • il rentra de voyage au plus vitezij gingen op eigen gelegenheid naar huis • ils rentrèrent chez eux par leurs propres moyens -
12 goed
goed1〈 het〉♦voorbeelden:liggende goederen • biens immeublesroerend en onroerend goed • biens meubles et immeublesik kan daar geen goed meer doen • tout ce que je fais est mal prisgoed doen • faire le bieniemand goed doen • faire du bien à qn.het zal u veel goed doen • cela vous fera grand bieniets goeds • qc. de bonhij lust graag wat goeds • il aime les bonnes choseshoud dat mij ten goede • ne le prenez pas en mauvaise partten goede komen (aan) • profiter (à)verandering ten goede • (une) améliorationzich ten goede keren • tourner bienwe hebben nog een diner te goed • nous avons encore un dîner en perspectiveik heb nog vier vakantiedagen te goed • il me reste encore quatre jours de vacances (à prendre)je houdt het van mij te goed • je te revaudrai çadat hebben we nog te goed • ce n'est que partie remisedat heb je nog van me te goed • je dois encore te rendre cela; 〈 als dreigement〉 tu ne perds rien pour attendre!wollen goed • lainagehij heeft zijn zondagse goed aan • il porte ses habits du dimanche————————goed2♦voorbeelden:een goed jaar geleden • il y a une bonne année (de cela)is dat je goeie pak? • c'est ton beau costume?hij is een goede veertiger • il a la quarantaine bien sonnéeeen goed verliezer • un bon perdantdoe maar goed wat zout in de soep • n'hésite pas à bien saler la soupeik ben het goed zat • j'en ai par-dessus la têteik ben wel goed maar niet gek • je ne suis pas tombé sur la têtehet goed doen • bien marcherhij kan het er goed van doen • il a de quoi, il a les moyensals ik het goed heb • si je ne me trompewij hebben het goed • nous ne manquons de rien〈 ironisch〉 is het nou goed? • ça y est, maintenant?het is mij goed • (je suis) d'accordhet is ook nooit goed! • tu (il) n'es (n'est) jamais contenthij kan geen goed meer doen • on critique tout ce qu'il faitdat komt wel weer goed • ça va s'arrangergoed kunnen leren • apprendre facilementer goed op staan • 〈 letterlijk〉 être bien (sur une photo); 〈 figuurlijk〉 avoir réussi; 〈 ironisch〉 avoir tout gâchéhij heeft goed praten • il a beau direhet eten ruikt goed • le repas sent bondie jas staat je goed • ce manteau te va bienhij was niet zo goed of hij moest betalen • il a bien fallu qu'il paiedat was maar goed ook! • heureusement!zou u zo goed willen zijn … • voudriez-vous avoir la gentillesse de …het zou goed zijn, als je … • il serait bon que tu …net goed! • (c'est) bien fait!ook goed! • d'accord!dat touw is precies goed • c'est exactement la corde qu'il nous, me fautalles goed en wel maar … • c'est bien beau (tout ça), mais …ik was nog maar goed en wel thuis of … • j'étais à peine à la maison que …goed zo! • très bien!zo goed en zo kwaad als het gaat • tant bien que malgoed bij zijn • être éveillézij zijn weer goed met elkaar • ils se sont réconciliésdat is goed om te weten • c'est bon à savoirwaar is dat goed voor? • à quoi ça sert?hij is nergens goed voor • il n'est bon à riengoed voor ƒ 1000,- • bon pour 1000 florinshij is goed voor een paar ton • 〈m.b.t. bezit〉 il a bien quelques briques; 〈m.b.t. verdienen〉 il se fait bien quelques briqueshij is er niet te goed voor • il en est bien capabledat is een goeie! • elle est bien bonne!dat is te veel van het goede • c'est trop, vraimenthet goede doen • faire le bienniet veel goeds • pas grand-chose de bonzich niet goed voelen • ne pas se sentir bienzij is er goed mee • cela l'arrange bienze is onderweg niet goed geworden • elle a eu un malaise en cours de routezo goed als • pratiquementhet boek is zo goed als af • le livre est pratiquement terminé -
13 halen
2 [bij zich laten komen] faire venir3 [behalen] obtenir♦voorbeelden:1 waar haal jij je vlees? • où achètes-tu ta viande?iemand komen halen • venir prendre qn.een zakdoek uit z'n zak halen • sortir un mouchoir de sa pocheiets uit een la halen • prendre qc. dans un tiroirwaar moet ik dat geld vandaan halen? • et où trouverai-je tout cet argent?daar valt niets te halen • il n'y a rien à y gagnerwaar haalt hij het vandaan? • où a-t-il pris ça?; 〈 ironisch〉 où va-t-il chercher ça?iets naar zich toe halen • 〈 figuurlijk〉 mettre son empreinte sur qc.de boot halen • arriver à temps pour prendre le bateaude trein niet halen • manquer le trainhij haalt het niet bij jou • il ne t'arrive pas à la chevilledat haalt het niet bij … • cela n'est rien auprès de …hij weet nog een aardig geluid uit de piano te halen • il arrive à tirer des sons très convenables de ce pianoer van alles bij halen • se perdre dans des digressionsiemand erin halen • associer qn. à qc. 〈bijv. zaak, gesprek〉eruit halen wat erin zit • 〈 het uiterste vergen〉 tirer le maximum de qc.; 〈 maximaal van iets gebruik maken〉 profiter au maximum de qc.omhoog halen • monteromlaag halen • descendreiemand onderuit halen • étaler qn.alles overhoop halen • tout chambouler〈 figuurlijk〉 iemand naar beneden halen • mettre qn. plus bas que terreiemand uit de wedstrijd halen • retirer un joueur de la compétitionvlekken uit kleren halen • détacher des vêtementsvechters uit elkaar halen • séparer des combattantsgaren uit elkaar halen • démêler les fils d'un écheveaueen machine uit elkaar halen • démonter une machine〈 figuurlijk〉 voor zich halen • se représenter (qc.) en esprit1 [met moeite ademen] respirer avec difficulté♦voorbeelden: -
14 het gebruik van de tuin was hem toegestaan
het gebruik van de tuin was hem toegestaanDeens-Russisch woordenboek > het gebruik van de tuin was hem toegestaan
-
15 het middel te baat nemen
het middel te baat nemen -
16 nut
♦voorbeelden:ik zie er het nut niet van in • je n'en vois pas l'intérêtzich iets ten nutte maken • profiter de qc.als ik u ergens mee van nut kan zijn • si je peux vous être de quelque utilité -
17 ten goede komen (aan)
ten goede komen (aan) -
18 van de gelegenheid gebruik maken
van de gelegenheid gebruik makenDeens-Russisch woordenboek > van de gelegenheid gebruik maken
-
19 van de gelegenheid profiteren (om)
van de gelegenheid profiteren (om)Deens-Russisch woordenboek > van de gelegenheid profiteren (om)
-
20 van zijn welverdiende rust genieten
van zijn welverdiende rust genietenDeens-Russisch woordenboek > van zijn welverdiende rust genieten
- 1
- 2
См. также в других словарях:
profiter — [ prɔfite ] v. tr. ind. <conjug. : 1> • 1307 ; prufiter « réussir » 1120; de profit 1 ♦ PROFITER DE : tirer profit, avantage de. ⇒ bénéficier. Profiter d une largesse, d une libéralité, la recevoir. Profiter d un avantage, d une chance, d… … Encyclopédie Universelle
profiter — PROFITER. v. n. Tirer un émolument, faire un gain. Il a beaucoup profité sur les marchandises qu il a venduës. il profite à ce marché là. il s est associé avec des gens avec lesquels il a beaucoup profité. On dit, Faire profiter son argent, pour… … Dictionnaire de l'Académie française
profiter — profìtēr m <G profitéra> DEFINICIJA pejor. onaj koji iz svega želi izvući profit, korist, dobitak (često na protuzakonit, ali uvijek na nemoralan način) SINTAGMA ratni profiter onaj koji u vrijeme rata ostvaruje dobit trgovanjem… … Hrvatski jezični portal
profìtēr — m 〈G profitéra〉 pejor. onaj koji iz svega želi izvući profit, korist, dobitak (često na protuzakonit, ali uvijek na nemoralan način) ∆ {{001f}}ratni ∼ onaj koji u vrijeme rata ostvaruje dobit trgovanjem deficitarnim proizvodima ✧ {{001f}}fr … Veliki rječnik hrvatskoga jezika
profiter — (pro fi té) v. n. 1° Tirer un gain. Il profite à ce marché. • Je veux profiter à ce nouvel arrentement, ou en le faisant ou en ne le faisant pas, Mme DE GRIGNAN dans SÉV. t. x, p. 149, édit. RÉGNIER. 2° Tirer de l avantage de quelque chose… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
PROFITER — v. n. Tirer un émolument, faire un gain. Il a beaucoup profité sur les marchandises qu il a vendues. Il profite à ce marché. Il s est associé à des gens avec lesquels il a beaucoup profité. Il signifie aussi, Tirer de l avantage, de l utilité… … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 7eme edition (1835)
PROFITER — v. intr. Tirer un émolument, faire un gain. Il a beaucoup profité sur les marchandises qu’il a vendues. Il profite à ce marché. Il s’est associé à des gens avec lesquels il a beaucoup profité. Il signifie encore Tirer avantage, tirer parti de… … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 8eme edition (1935)
Profiter de la situation — ● Profiter de la situation exploiter abusivement à son avantage les possibilités offertes par un état de fait … Encyclopédie Universelle
Profiter, der — Der Profīter, des s, plur. ut nom. sing. im gemeinen Leben, besonders Niedersachsens, ein Werkzeug mit drey Stacheln, welches man in die Dille des Leuchters setzt, die Stümpfchen Licht darauf rein ausbrennen zu lassen; der Lichtknecht,… … Grammatisch-kritisches Wörterbuch der Hochdeutschen Mundart
profiter — (v. 1) Présent : profite, profites, profite, profitons, profitez, profitent ; Futur : profiterai, profiteras, profitera, profiterons, profiterez, profiteront ; Passé : profitai, profitas, profita, profitâmes, profitâtes, profitèrent ; Imparfait … French Morphology and Phonetics
profiter — une chose. Je profiterai bien cette étoffe: on profite d une chose, on en tire bon parti , mais on ne profite pas une chose … Dictionnaire grammatical du mauvais langage