-
1 Aufprall
-
2 anlaufen
anlaufen1 beginnen (te lopen), starten4 strijden, vechten♦voorbeelden:7 vor Scham, Zorn rot anlaufen • rood aanlopen van schaamte, woedeII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 aandoen, aanvaren♦voorbeelden:
Перевод: с немецкого на нидерландский
с нидерландского на немецкий- С нидерландского на:
- Немецкий
- С немецкого на:
- Нидерландский