-
1 auricle
n. oorschelp; hartboezem[ o:rikl] -
2 ear
n. oor; gehoor; graan[ iə]1 oor ⇒ oorschelp; gehoororgaan4 oor ⇒ lus; oog; handvat♦voorbeelden:in (at) one ear, out (at) the other • het ene oor in, het andere uitup to one's ears • tot over zijn oren2 have an ear for • een oor/gevoel hebben voor¶ keep an ear/one's ear(s) (close) to the ground • (goed) op de hoogte blijven 〈 van trends, roddels〉; de boel goed in de gaten houdennot believe one's ears • zijn oren niet gelovenfall about one's ears • (om iemand heen) instortenlend someone an ear/one's ears • het oor aan iemand lenen, naar iemand luisterenprick up one's ears • de oren spitsenbe out on one's ear • ontslagen wordenbe all ears • een en al oor zijn -
3 helix
n. schroeflijn, spiraallijn; rand v.d.oorschelp[ hie:liks] -
4 antihelix
n. de ong. evenwijdig met de helix verlopende drempelvormige plooi i.h. oorschelpkraakbeen op de grens v.d. concha en het vrijstaande deel v. d. oorschelp -
5 cochlear
adj. van oorschelp -
6 concha
n. Oorschelp (tegen de schedel liggende deel van oor) -
7 earlap
n. oorlel; een oorwarmer aan muts vastgemaakt; oorschelp -
8 mastoiditis
n. Door ontsteking van het middenoor veroorzaakte ontsteking van het tepelvormig uitsteeksel van het rotsbeen (vlak achter de oorschelp) -
9 pinnal
adj. Van oorschelp -
10 headphone
hoofdtelefoonoorschelpoortelefoon
Перевод: с английского на нидерландский
с нидерландского на английский- С нидерландского на:
- Английский
- С английского на:
- Нидерландский