-
1 tafel
♦voorbeelden:de tafels van vermenigvuldiging • les tables de multiplicationeen inklapbare tafel • une table pliantede tafel afruimen • débarrasser (la table)de tafel dekken • mettre la tableaan tafel gaan (zitten) • passer à tablewe gaan aan tafel! • (on passe) à table!aan tafel zitten • être à tablemen sprak er aan tafel over • on en a parlé à tablena tafel een wandeling maken • faire une promenade après le repasiemand onder tafel drinken • faire rouler qn. sous la tablebezwaren onder de tafel schuiven, van tafel vegen • balayer des objectionshet ontbijt staat op tafel • le petit déjeuner est servieen voorstel ter tafel brengen • mettre un projet sur le tapister tafel komen • être mis sur le tapiseen voorstel van tafel vegen • rejeter une propositionvan tafel gaan, opstaan • quitter la tablevoor tafel een borrel drinken • prendre l'apéritif avant de passer à table -
2 doorslaan
1 [voortgaan met slaan] continuer à frapper2 [ergens doorheen dringen] pénétrer3 [onzin verkopen] dérailler4 [elektriciteit] sauter5 [bekennen] se mettre à table♦voorbeelden:de balans doen doorslaan • faire pencher la balanceII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 [een kopie maken van] écrire avec du (papier) carbone -
3 aanschikken
1 [dichter bijeen gaan zitten] se serrer un peu2 [zich aan tafel zetten] se mettre à table -
4 de tafel dekken
de tafel dekken -
5 het achterste van zijn tong laten zien
het achterste van zijn tong laten zienDeens-Russisch woordenboek > het achterste van zijn tong laten zien
-
6 opdekken
1 [m.b.t. tafel] mettre (la table, le couvert)2 [m.b.t. bed] faire (le, son lit) -
7 tafeldekken
-
8 tong
♦voorbeelden:1 het achterste van zijn tong laten zien • 〈 vertellen wat men weet〉 se mettre à table; 〈 zich bloot geven〉 dévoiler ses batteriesboze tongen beweren • les mauvaises langues prétendent (qc.) (que …)met een dikke, dubbele tong spreken • avoir la langue pâteuseeen dubbele tong hebben • tenir un double langageeen fluwelen tong hebben • être beau parleureen gladde tong hebben • n'avoir pas sa langue dans sa pocheeen losse tong hebben • ne pas savoir tenir sa langueover zijn tong struikelen • trébucher sur ses motseen scherpe tong hebben • avoir la langue bien affiléevenijnige tongen • langues venimeusesheb je je tong verloren? • tu as perdu ta langue?zijn tong hing hem op de schoenen • il était sur les genouxde tongen komen los • les langues se dénouentzijn tong roeren • bavarderde tong strelen • flatter le palaiszijn tong uitsteken tegen iemand • tirer la langue à qn.met de tong uit de mond • à bout de soufflemet de tong klakken • clapper de la langueop zijn tong bijten • se mordre la languehet vlees smelt op je tong • la viande fond dans la bouchehet hart ligt hem op de tong • il a son franc-parlerhet woord ligt me voor op de tong • j'ai le mot sur le bout de la langueiemand over de tong halen • casser du sucre sur le dos de qn.over de tong gaan • faire les frais de la conversationrad, rap van tong zijn • avoir la langue bien pendueeen tong als een scheermes hebben • avoir la langue acérée -
9 poot
♦voorbeelden:de achterste poten • les pattes de derrièreop zijn achterste poten gaan staan • monter sur ses ergotsgeef eens een poot! • donne la patte!pootjes geven • donner la pattemijn pen heeft pootjes gekregen • mon stylo s'est envolé2 de poten onder het kabinet wegzagen • 〈 de basis wegnemen〉 saper le gouvernement; 〈 bekritiseren〉 démolir le gouvernement〈 figuurlijk〉 iets op poten zetten • mettre sur pied qc.een tafel op vier poten • une table à quatre piedsiemand pootje haken • faire un croche-pied à qn.; 〈 figuurlijk〉 faire un croc-en-jambe à qn.geen poot meer kunnen verzetten • ne plus pouvoir mettre un pied devant l'autreblijf er af met je poten! • bas les pattes!geen poot aan de grond krijgen • n'avoir aucune chance de succèsgeen poot uitsteken • ne pas remuer le petit doigtgeen poot verzetten • ne pas bouger d'un poucegeen poot hebben om op te staan • ne pas faire le poids4 iemand een poot geven • serrer la pince à qn.op zijn poot spelen • réagir violemmenteen brief op poten schrijven • écrire une lettre dans laquelle on ne mâche pas ses mots -
10 laten
1 [algemeen] laisser2 [ergens in bergen] mettre♦voorbeelden:hij kan het roken niet laten • il ne peut pas s'empêcher de fumerdat laat mij koud • ça me laisse froidde deur open laten • laisser la porte ouverteiemand laten begaan • laisser faire qn.dat laat zich denken • cela se conçoitik heb het op tafel laten liggen • je l'ai oublié sur la tableik heb mij laten wijsmaken (dat) • je me suis laissé dire (que)wil je dat wel eens laten! • as-tu bientôt fini!een meisje laten zitten • laisser tomber une fillelaat dat! • ça suffit!het erbij laten (zitten) • en rester làhij kan het niet laten • il ne peut pas s'en empêcherik kan het niet laten te … • je ne peux m'empêcher de …laat maar! • laisse!laat maar zitten! • 〈m.b.t. wisselgeld〉 gardez la monnaie!daar zullen we het bij laten! • nous en resterons là!laat de kat maar in de tuin • laisse le chat aller au jardinhij werd in de kamer gelaten • on le fit entreriemand met rust laten • laisser qn. tranquille2 waar moet ik het boek laten? • où est-ce que je dois mettre le livre?waar laat die jongen al dat eten? • où est-ce que ce garçon fourre toute cette nourriture?zijn gedachten laten gaan • laisser libre cours à ses idéesiemand laten halen • envoyer chercher qn.de dokter laten komen • faire venir le médecinlaat me niet lachen! • laissez-moi rire!zich laten leiden • se laisser conduireiemand iets laten weten • faire savoir qc. à qn.¶ waar heb ik mijn potlood gelaten? • qu'ai-je fait de mon crayon?en laat hij het nu nog doen ook! • et le plus beau c'est qu'il le fait!laten wij elkaar helpen • aidons-nous les uns les autreslaten we nu maar opschieten! • allons, dépêchons-nous!laat staan • moins encorelaat ze mooi zijn, erg verstandig is ze niet • si elle est belle, elle n'est pas très maligne!laat het nu net beginnen te gieten • et voilà qu'il commence à pleuvoirde lamp naar beneden laten • descendre la lampe→ link=blauwblauw blauwblauw -
11 aftappen
1 [m.b.t. het omhulsel, waaruit iets wegvloeit] vider2 [m.b.t. hetgeen wegvloeit] tirer♦voorbeelden:de waterleiding aftappen • vidanger la conduite d'eauhars aftappen van een boom • résiner un arbre -
12 been
3 [bot; stof waaruit botten bestaan] os 〈m.〉4 [gebeente] os 〈 meervoud〉♦voorbeelden:dat paard staat hoog op de benen • ce cheval a de longues jambesop het verkeerde been gezet worden • être pris à contre-piedmet het verkeerde been uit bed gestapt zijn • s'être levé du pied gauche〈 figuurlijk〉 iemand tegen het zere been schoppen • toucher qn. au vifeen been breken • se casser la jambede benen nemen • prendre ses jambes à son coumijn been slaapt • j'ai des fourmis dans les jambesde benen strekken • se dégourdir les jambesmet zijn been trekken • tirer la jambeal de hele dag op de been zijn • être sur pied toute la (sainte) journéeer was veel volk op de been • il y avait beaucoup de mondeik kan niet meer op mijn benen staan • je ne tiens plus sur mes jambesiemand weer op de been helpen • remettre qn. sur piedvast op z'n benen staan • être d'aplombslecht ter been zijn • avoir de mauvaises jambeszijn benen uit zijn lijf lopen • se démenerik heb geen benen meer om op te staan • je n'ai plus de jambesbenen als een ooievaar hebben • être monté sur des échasses〈 spreekwoord〉 het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen • ±il faut de plus grandes vertus pour soutenir la bonne fortune que la mauvaise -
13 de benen onder de tafel steken
de benen onder de tafel steken -
14 een telefoon aftappen
een telefoon aftappen -
15 een uitschuiftafel uittrekken
een uitschuiftafel uittrekken -
16 einde
einde, eind♦voorbeelden:1 het eind van de besprekingen was, dat … • le résultat des discussions fut que …het eind van het liedje • la fin de l'histoirehet einde van de tafel • le bout de la tableeinde voorrangsweg • fin de prioritétot het bittere einde doorgaan • persister jusqu'au boutiets tot een goed einde brengen • mener qc. à bieneen verhaal met een open einde • un récit à fin ouvertedan is het einde zoek • ça sera la fin de toutaan zijn einde komen • arriver au terme de sa vieer moet een einde aan komen • il faut en finirer komt geen einde aan • on n'en voit pas la finhet einde laat zich raden • l'issue se laisse entrevoireen einde maken aan iets • en finir avec qc.een eind weg praten • bien parlerop zijn eind lopen • toucher à sa finten einde lopen • tirer à sa finmijn geduld loopt ten einde • ma patience s'épuiseiets ten einde brengen • venir à bout de qc.dat betekent het einde voor je loopbaan • cela sonne le glas de ta carrièreten einde raad • en désespoir de causeten einde raad zijn • ne savoir à quel saint se vouerhet einde! • super!→ link=gebed gebed -
17 kaart
♦voorbeelden:de hoge kaarten • les hautes carteslage kaarten • basses cartesde kaart geven • distribuer les carteskaarten wassen • battre les cartesgroene kaart • carte verteeen kaart van Europa • une carte de l'Europe6 mag ik de kaart van u? • (garçon,) la carte, s'il vous plaîtdat is een haalbare kaart • c'est (tout à fait) réalisabledat is geen haalbare kaart • c'est irréalisableopen kaart spelen • jouer cartes sur tablehij speelt geen open kaart • il agit en-dessousde kaart leggen • tirer les cartes (à qn.)zijn kaarten op tafel leggen, blootleggen • abattre son jeude kaarten liggen nu anders • le vent a tournéiemand in de kaart kijken • connaître le dessous des cartes de qn.zich in de kaart laten kijken • ne pas savoir cacher son jeuzich niet in de kaart laten kijken • cacher son jeuiemand in de kaart spelen • faire le jeu de qn.van de kaart zijn • avoir perdu les pédales -
18 plaat
1 [plat, dun stuk] plaque 〈v.〉; 〈 dun〉 feuille 〈v.〉; 〈 stenen〉 table(tte) 〈v.〉; 〈 bouwkunde〉 panneau 〈m.〉♦voorbeelden:een glazen plaat • une plaque de verreeen plaat draaien, opzetten • mettre un disqueeen drieëndertig toeren plaat • un trente-trois tours¶ iets op de gevoelige plaat vastleggen • fixer qc. sur la plaque sensiblede plaat poetsen • décamper -
19 punt
♦voorbeelden:een punt van overeenkomst • un point communeen punt van overweging • un sujet de réflexionhet dode punt • le point morthet kritieke punt • le point critiqueéén van de mooiste punten van ons land • un des plus beaux endroits de notre payseen teer punt aanroeren • toucher un point sensiblezijn zwakke punt • son point faiblepunten sparen • garder des timbres-primeergens een punt achter zetten • mettre le point final à qc.punt, uit! • un point c'est tout!op het punt staan iets te gaan doen • être sur le point de faire qc.〈 beurswezen〉 de aandelen X zijn drie punten gestegen • les actions X ont gagné trois points en BourseII 〈 het〉♦voorbeelden:1 ergens een punt van maken • faire toute une affaire de qc.punt voor punt • point par pointgeen punt! • pas de problème!III 〈de〉♦voorbeelden:de punt van een potlood • la pointe d'un crayoneen punt van de taart • un morceau de tartede punt van de tafel • le coin de la tablehij zat op de punt, het puntje van zijn stoel • 〈 letterlijk〉 il était assis à l'extrémité de sa chaise; 〈 figuurlijk〉 il était tout ouïe -
20 schuiven
1 [verplaatsen] pousser♦voorbeelden:〈 figuurlijk〉 iets, iemand terzijde schuiven • écarter qc., qn.een stoel bij de tafel schuiven • approcher une chaise de la tablede grendel op de deur schuiven • pousser le verrou1 [zich langs een vlak voortbewegen] se glisser♦voorbeelden:in elkaar schuiven • s'emboîter¶ laat hem maar schuiven • laisse-le faire, il se débrouille bien
- 1
- 2
См. также в других словарях:
Se mettre à table — ● Se mettre à table s asseoir autour d une table pour prendre son repas ; ou, dans la langue populaire, avouer, au terme d un interrogatoire de police, dénoncer ses complices … Encyclopédie Universelle
mettre — [ mɛtr ] v. tr. <conjug. : 56> • Xe; lat. mittere « envoyer » et « mettre » en lat. pop I ♦ A ♦ Faire changer de lieu. 1 ♦ Faire passer (une chose) dans un lieu, dans un endroit, à une place (où elle n était pas). ⇒ 1. placer; … Encyclopédie Universelle
table — [ tabl ] n. f. • 1050; var. taule XIIIe (→ tôle); lat. tabula « planche, tablette » I ♦ Objet formé essentiellement d une surface plane horizontale, généralement supportée par un pied, des pieds, sur lequel on peut poser des objets. 1 ♦ Surface… … Encyclopédie Universelle
mettre — METTRE. a. act. Poser, placer une chose dans un certain lieu. Mettre à part, l escart, à quartier. mettre bout à bout. mettre à couvert. mettre chaque chose en sa place. mettre les mains au costé. mettre la main sur la garde de son espée. mettre… … Dictionnaire de l'Académie française
TABLE — Table, s. f., terme très étendu qui a plusieurs significations. Table à manger, table de jeu, table à écrire. Première table, seconde table, table du commun. Table de buffet, table d hôte, où l on mange à tant par repas; bonne table,… … Dictionnaire philosophique de Voltaire
table — TABLE. s. f. Meuble ordinairement de bois, fait d un ou de plusieurs ais, & posé sur un, ou plusieurs pieds; & dont on se sert pour manger, pour escrire, pour joüer, &c. Table de chesne. table de bois de noyer. table de marqueterie. table à un… … Dictionnaire de l'Académie française
table — Table, f. penac. Vient par syncope du Latin Tabula, comme de Seculum, Crustulum, Seclum, Crustlum, et signifie en general un ais de bois long et quarré. Selon laquelle signification on dit Entablature, où plusieurs tels ais sont rengez pair à… … Thresor de la langue françoyse
table — (ta bl ) s. f. 1° Planche, ais (sens propre). Table rase. 2° Planche ou réunion de planches portée sur un ou plusieurs pieds. 3° Table de nuit. 4° Table de billard. 5° Chacune des quatre divisions du tablier, au trictrac. 6° Table d… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
mettre — (mè tr ), je mets, tu mets, il met, nous mettons, vous mettez, ils mettent ; je mettais ; je mettrai ; je mettrais ; je mis ; mets, qu il mette, mettons, mettez, qu ils mettent ; que je mette, que nous mettions ; que je misse ; mettant ; mis, v.… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
METTRE — v. a. ( Je mets, tu mets, il met ; nous mettons, vous mettez, ils mettent. Je mettais. Je mis. Je mettrai. Mets. Que je misse. Mettant. Mis. ) Placer une personne, ou un animal, ou une chose dans un lieu déterminé. Mettre un malade dans une… … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 7eme edition (1835)
METTRE — v. tr. Placer une personne, ou un animal, ou une chose dans un lieu déterminé. Mettre un malade dans une baignoire. Mettre un mort en terre. Mettre un cheval dans l’écurie, à l’écurie; un oiseau dans une cage, en cage. Mettre du foin dans le… … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 8eme edition (1935)