-
1 terzijde
1 [naar opzij] de côté2 [aan de zijkant] à côté♦voorbeelden:1 iets terzijde laten • négliger qc., laisser qc. de côtéiemand terzijde nemen, roepen • prendre qn. à partde stierenvechter sprong terzijde • le torero fit un bond de côtéiemand terzijde staan • assister qn., être aux côtés de qn.dit terzijde • soit dit en passant -
2 bijzetten
1 [plaatsen bij] mettre à côté de2 [begraven] inhumer3 [scheepvaart] mettre dehors♦voorbeelden:¶ iets kracht bijzetten • appuyer qc.→ link=zeil zeil -
3 wegleggen
1 [terzijde leggen] (dé)poser2 [opbergen] ranger3 [sparen] mettre de côté4 [voorbeschikken] réserver♦voorbeelden:dat was niet voor ons weggelegd • le sort en a décidé autrement -
4 een brief ongeopend terzijde leggen
een brief ongeopend terzijde leggenDeens-Russisch woordenboek > een brief ongeopend terzijde leggen
-
5 ongeopend
-
6 opsparen
1 [bij elkaar sparen] économiser♦voorbeelden: -
7 terzijde leggen
terzijde leggen -
8 wegzetten
-
9 hand
♦voorbeelden:op handen en voeten lopen, kruipen • marcher à quatre pattesin andere handen komen • changer de mainaan de beterende hand zijn • être en voie de guérisoneen gelukkige hand van gooien hebben • avoir la main chanceuseeen gemakkelijke hand van uitgeven hebben • dépenser sans compterdie zaak is in goede handen • cette affaire est en bonnes mainsgouden handen hebben • avoir des doigts de féemet harde hand opvoeden • élever à la dure(iemand) de helpende hand bieden • tendre une main secourable (à qn.)bevelen van hoger hand • ordres qui viennent d'en hautvan hoger hand is besloten dat • les autorités ont décidé que〈 figuurlijk〉 de laatste hand aan iets leggen • mettre la dernière main à qc.niet met lege handen komen • ne pas arriver les mains vides〈 figuurlijk〉 iets uit de losse hand doen • faire qc. par-dessus la jambemet losse handen rijden • rouler sans les mainsiemand de reddende hand toesteken • tendre la perche à qn.de sterke hand • (les agents de) la force publiquede politiek van de toegestoken hand • la politique de la main tenduemet vaste hand • d'une main assuréemet vaste, krachtige hand regeren • gouverner avec poignein vertrouwde handen zijn • être entre bonnes mainsde vlakke hand • la paumedat kost handen vol geld • ça coûte une (petite) fortunein vreemde handen overgaan • passer en d'autres mainsde handen vrij hebben • avoir les coudées franches〈 figuurlijk〉 iemand de vrije hand laten • donner carte blanche à qn.aan de winnende hand zijn • être en train de gagner〈 figuurlijk〉 de handen van iemand aftrekken • abandonner qn. à son sort〈 figuurlijk〉 de handen van iets aftrekken • se détourner de qc.〈 figuurlijk〉 iemand de handen binden • lier les mains à qn.iemand de hand drukken, geven, schudden • donner une poignée de main à qn.iemand de hand op iets geven • donner sa parole à qn.zij kunnen elkaar de hand geven • ils peuvent se donner la main〈 figuurlijk〉 de hand in iets hebben • être mêlé à qc.〈 figuurlijk〉 de hand aan iets houden • observer (scrupuleusement) qc.de hand op iets, iemand leggen • mettre la main sur qc., qn.de hand lezen • lire (dans) les lignes de la mainde hand met iets lichten • 〈 't niet zo nauw nemen〉 prendre qc. à la légère; 〈 zich ervan afmaken〉 bâcler qc.hij heeft de handen los aan zijn lijf zitten • il n'a pas les bras gourds〈 figuurlijk〉 zijn hand niet voor iets omdraaien ↓ faire qc. les doigts dans le nez〈 figuurlijk〉 de hand(en) tegen iemand opheffen • lever la main contre qn.iemand de hand reiken, toesteken • tendre la main à qn.; 〈 helpen〉 donner un coup de main à qn.de hand aan de ploeg, aan het werk slaan • se mettre à l'ouvragezijn handen niet thuis kunnen houden • 〈 slaan〉 avoir la main leste; 〈 betasten〉 avoir la main baladeuse; 〈 stelen〉 laisser traîner ses mains partout〈 figuurlijk〉 iemand de handen vullen • graisser la patte à qn.〈 figuurlijk〉 iemands handen zalven • graisser la patte à qn.mijn hand erop! • c'est promis!handen omhoog! • haut les mains!streng de hand houden aan de voorschriften • être à cheval sur le règlementhanden thuis! • bas les pattes!〈 figuurlijk〉 iemand iets aan de hand doen • suggérer qc. à qn.hand aan (in) hand gaan • marcher la main dans la main〈 figuurlijk〉 iets achter de hand hebben • avoir qc. en réserve〈 figuurlijk〉 iets bij de hand nemen • entreprendre qc.〈 figuurlijk〉 iets bij de hand hebben • avoir qc. à portée de la mainin de handen klappen • battre des mainsin handen vallen van de politie • tomber aux mains de la policegoed, gemakkelijk in de hand liggen • être maniablezijn toekomst is in mijn handen • son avenir est entre mes mainsiemand iets in handen spelen • faire passer discrètement qc. à qn.iets met het bewijs in handen aantonen • démontrer qc. preuves en main〈 figuurlijk〉 iemand in handen vallen • tomber entre les mains de qn.〈 figuurlijk〉 iemand iets in handen geven • confier qc. à qn.hij wil met de hand aan de hemel reiken • il veut décrocher la lunemet de handen werken • travailler de ses mains〈 figuurlijk〉 met de hand op het hart iets verklaren • déclarer qc. la main sur le coeurmet de hand genaaid • cousu (à la) mainzich met hand en tand verzetten • se défendre comme un lion〈 figuurlijk〉 iemand naar zijn hand stellen • manipuler qn.〈 figuurlijk〉 iemand naar zijn hand zetten • mettre qn. dans sa pocheiets om handen hebben • avoir qc. à faire〈 figuurlijk〉 iets onder handen hebben • travailler à qc.〈 figuurlijk〉 iemand onder handen nemen • passer un savon à qn.op (met) de hand wassen • laver à la mainde hand op de knip houden • être près de ses soushand over hand toenemen • aller en augmentantiemand iets ter hand stellen • remettre qc. à qn. (en mains propres)iemand het werk uit de handen nemen • décharger qn. d'un travailer komt niets uit zijn handen • il n'arrive à rien (de bon)uit de hand eten • 〈letterlijk; m.b.t. dieren〉 accepter la nourriture dans la main de qn.; 〈 figuurlijk〉 manger dans la mainuit de eerste hand • de première mainvlug van de hand gaan • se vendre comme des petits painsiets van de hand doen • écouler qc.van hand tot hand gaan • passer de main en maingeen hand voor iemand, iets uitsteken • ne pas lever le petit doigt pour aider qn., faire qc.hij heeft er geen hand naar uitgestoken • il n'y a pas touchéhet zijn twee handen op één buik • ils s'entendent comme larrons en foire¶ wat is er daar aan de hand? • qu'est-ce qui se passe?alsof er niets aan de hand was • comme si de rien n'étaitiets in de hand werken • aider à qc.dat werkt misdaad in de hand • c'est une incitation au crimeiemand op zijn hand krijgen • mettre qn. de son côtéop iemands hand zijn • être du côté de qn.op handen zijn • être imminentvan de hand in de tand leven • vivre au jour le joureen voorstel van de hand wijzen • repousser une propositionbeschuldigingen van de hand wijzen • rejeter des accusationseen uitnodiging van de hand wijzen • décliner une invitation→ link=vogel vogel -
10 opzij
1 [uit de weg; aan de zijde] de côté2 [afgezonderd] à l'écart♦voorbeelden:iets opzij duwen • pousser qc. à l'écartga eens een eindje opzij • pousse-toi un peuopzij springen • faire un bond de côtéiets opzij zetten • mettre qc. de côté; 〈 figuurlijk〉 écarter qc.opzij daar! • laissez passer!iemand van opzij zien • voir qn. de profiliets opzij leggen • mettre qc. de côté -
11 kant
♦voorbeelden:aan de andere kant van de rivier • de l'autre côté de la rivièreaan de andere kant van de stad • à l'autre bout de la villede goede kant van een stof • l'endroit d'un tissuzich van zijn goede, ongunstige kant laten zien • se montrer à son avantage, désavantagehet leven van de goede kant opnemen • prendre la vie du bon côtéeen goede kant hebben • avoir du bonop zijn rechter kant slapen • dormir sur le côté droitiemands sterke kanten • les (points) forts de qn.de verkeerde kant van een stof • l'envers d'un tissu〈 figuurlijk, schertsend〉 aan de verkeerde kant van de vijftig zijn • être du mauvais côté de la cinquantainealles van de zonnige kant bekijken • voir tout en roseiemand aan zijn kant krijgen • mettre qn. de son côtéaan deze kant van de rivier • de ce côté-ci de la rivièreaan de ene kant …, aan de andere kant • d'un côté …, de l'autre (côté)aan de andere kant • d'autre partaan iemands kant staan • être du côté de qn.het recht aan zijn kant hebben • avoir le droit pour soiaan de kant zitten waar de klappen vallen • être du côté où pleuvent les coupshij is aan één kant doof • il est sourd d'un côtévan uw kant • de votre côté2 iets met kant afzetten • border qc. de dentelleaan de kant van de weg staan • être au bord de la routeaan de kant! • du large!de ene kant tegen de ander • bord à borddeze kant op, alstublieft • par ici, s'il vous plaîtwe komen binnenkort jullie kant op • nous passerons bientôt du côté de chez vouswelke kant ga jij op? • de quel côté vas-tu?moet jij ook die kant uit? • tu vas aussi de ce côté-là?naar alle kanten • dans tous les azimutsdat is de kant van Haarlem op • c'est du côté de Haarlemvan alle kanten • de toutes partsdat hoor je van alle kanten • on entend dire cela de tous côtésgeen kant meer op kunnen • être coincéaan de late kant • sur le tardvan de verkeerde kant zijn • en êtrewij van onze kant • quant à nouszet je zorgen aan de kant • oublie tes soucisiets aan kant maken • ranger qc.dat kan ik niet over mijn kant laten gaan • je ne peux pas accepter celaiets over zijn kant laten gaan • laisser glisser qc.zich van kant maken • se suicideriemand van kant maken • liquider qn.dat klopt van geen kanten • ça n'a ni queue ni têtedat deugt van geen kant • ça ne vaut pas un pet (de lapin)→ link=dubbeltje dubbeltje -
12 leggen
2 [(een ei) voortbrengen] pondre4 [doen ontstaan] poser♦voorbeelden:een kabel leggen • poser un câblede eerste steen leggen • poser la première pierregeld opzij leggen • mettre de l'argent de côtéaan de ketting leggen • attacher à une chaînede arm om iemands hals leggen • prendre qn. par le couklemtoon op een lettergreep leggen • mettre l'accent sur une syllabe→ link=kaart kaartde grondslag voor iets leggen • poser les bases de qc. -
13 deur
♦voorbeelden:met gesloten deuren beraadslagen • délibérer à huis closde deur voor iemands neus dichtdoen • claquer la porte au nez de qn.de deur achter zich dichttrekken • tirer la porte sur soi〈 figuurlijk〉 zij loopt bij haar buren de deur plat • elle est tout le temps fourrée chez ses voisinsde deur openzetten voor knoeierijen • ouvrir la porte aux tripotagesde deur uit smijten • flanquer à la portede deur uitgaan • sortirdat vliegt (als warme broodjes) de deur uit • ça se vend comme des petits painsiemand (het gat van) de deur wijzen • mettre qn. à la portehij is de deur uit • il a quitté la maisonaan de deur kloppen • frapper à la porteaan de deur wordt niet gekocht • pas de porte-à-portein de deur staan • être sur le pas de la portemet de deuren gooien • claquer les portesdat is niet bepaald naast de deur • ce n'est pas précisément la porte à côtéom de deur piepen • montrer le bout de son nezde deur niet uit komen • ne pas mettre le nez dehorshij gaat van deur tot deur • il va de porte en portedat staat voor de deur • ça ne va pas tarderde winter staat voor de deur • nous sommes au seuil de l'hiverderde, vijfde deur van auto • hayon arrièredaar is de deur! • à la porte!¶ dat doet de deur dicht! • c'est le comble! -
14 apart
♦voorbeelden:een kamer apart • une pièce séparéedat is een verhaal apart • ça, c'est une autre histoireiemand apart nemen • prendre qn. à partde verschillende delen zijn apart te verkrijgen • les différentes parties peuvent s'acheter séparémentde jongens en meisjes apart zetten • séparer les garçons et les fillesgeld apart zetten • mettre de l'argent de côtédat toneelstuk is echt iets aparts • cette pièce de théâtre est vraiment extraordinairehij ziet er wat apart uit • il a l'air bizarre -
15 bijwerken
♦voorbeelden:nieuwe bijgewerkte druk • nouvelle édition revue et corrigéede verf bijwerken • faire un raccord de peinture1 [bijverdienen] se faire des à-côtés♦voorbeelden:1 zijn vrouw moet bijwerken • sa femme a un travail à côté, doit se faire des à-côtés -
16 de lachers op zijn hand krijgen
de lachers op zijn hand krijgenDeens-Russisch woordenboek > de lachers op zijn hand krijgen
-
17 gaan
4 [begrepen zijn in] entrer (dans)5 [+ over][tot onderwerp hebben] traiter (de)♦voorbeelden:laten we naar de kamer hiernaast gaan • passons à côtégaan liggen • se coucherhet gaat regenen • il va pleuvoirgaan slapen • aller dormirgaan staan • se mettre deboutgaan zitten • s'asseoirertussenuit gaan • changer d'airervantussen gaan • filer〈 figuurlijk〉 er gaat niets boven … • rien ne vaut …deze weg gaat door het bos • ce chemin traverse le boisin de oppositie gaan • passer à l'oppositionin de handel gaan • se lancer dans le commercein de politiek gaan • se lancer dans la politiquedeze weg gaat naar de stad • cette route conduit à la villezijn blik over iets laten gaan • laisser courir son regard sur qc.zijn gedachten over iets laten gaan • réfléchir sur qc.hoe laat gaat de trein? • à quelle heure le train part-il?zullen we gaan? • on y va?daar gaat ie dan • c'est parti, mon kikizij gaan uit elkaar • ils vont se séparerdat boek ging voor ƒ 20,- • ce livre partit pour 20 florinser gaan zes glazen uit een fles • une bouteille contient six verreswaar gaat dat boek over? • de quoi parle ce livre?of dat zal gaan weet ik niet • je ne sais pas si ce sera possiblelijdt hij veel pijn? dat gaat • souffre-t-il beaucoup? ça vaeraan gaan • y passerde zaken gaan goed • les affaires marchent biendat gaat zomaar niet • cela ne se passe pas comme çahet werk gaat slecht • le travail avance maldat gaat vanzelf • cela va tout seulin het zwart gekleed gaan • être en noirmet iemand gaan • être le petit ami, la petite amie de qn.daar gaat het om • tout est làzij gaat over de typekamer • elle est la responsable des dactyloshij gaat voor rijk door • il passe pour richezich te buiten gaan aan • s'adonner àom kort te gaan • brefdaar ga je! • à la tienne!→ link=bel belII 〈 onpersoonlijk werkwoord〉1 [gesteld zijn; geschieden] aller3 [+ om][als doel hebben] s'agir♦voorbeelden:hoe gaat het (met u)? • comment ça va?het gaat nogal • ça va comme ci comme çahet gaat slecht met de zaken • les affaires vont malzo gaat het nu altijd • c'est toujours la même chosehet gaat • ça va -
18 geld apart zetten
geld apart zetten -
19 geld opzij leggen
geld opzij leggen -
20 iemand aan zijn kant krijgen
iemand aan zijn kant krijgenmettre qn. de son côté
- 1
- 2
См. также в других словарях:
Mettre de côté — ● Mettre de côté l économiser … Encyclopédie Universelle
mettre — [ mɛtr ] v. tr. <conjug. : 56> • Xe; lat. mittere « envoyer » et « mettre » en lat. pop I ♦ A ♦ Faire changer de lieu. 1 ♦ Faire passer (une chose) dans un lieu, dans un endroit, à une place (où elle n était pas). ⇒ 1. placer; … Encyclopédie Universelle
côté — CÔTÉ. s. m. La partie droite ou gauche de l animal, depuis l aisselle jusqu à la hanche. Côté droit. Côté gauche. Le côté lui fait mal. Il a un mal de côté, mal au côté, un point au côté, un point de côté. Il reçut un coup d épée dans le côté. Il … Dictionnaire de l'Académie Française 1798
Mettre, ranger sur une voie de garage — ● Mettre, ranger sur une voie de garage mettre de côté une affaire dont on décide de ne plus s occuper ; marginaliser quelqu un, le mettre à l écart … Encyclopédie Universelle
Mettre quelque chose au Frigidaire — ● Mettre quelque chose au Frigidaire le mettre de côté, l abandonner pendant un certain temps … Encyclopédie Universelle
CÔTÉ — s. m. La partie droite ou gauche de l homme ou de l animal, depuis l aisselle jusqu à la hanche. Côté droit. Côté gauche. Le côté lui fait mal. Il a un mal de côté, mal au côté, un point au côté, un point de côté. Il reçut un coup d épée dans le… … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 7eme edition (1835)
côté — (kô té) s. m. 1° La partie droite ou gauche du corps des animaux, de l aisselle à la hanche, et, par extension, la partie droite ou gauche de tout le corps, y compris le bras, la jambe, etc. Il était perclus de tout le côté gauche. Se coucher… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
mettre — (mè tr ), je mets, tu mets, il met, nous mettons, vous mettez, ils mettent ; je mettais ; je mettrai ; je mettrais ; je mis ; mets, qu il mette, mettons, mettez, qu ils mettent ; que je mette, que nous mettions ; que je misse ; mettant ; mis, v.… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
CÔTÉ — n. m. Région des côtes, depuis l’aisselle jusqu’à la hanche. Le côté lui fait mal. Il a mal au côté. Il reçut un coup d’épée dans le côté. Il est blessé au côté. Point de côté, Douleur aiguë qui se fait sentir au dessous des côtes. Dans une… … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 8eme edition (1935)
METTRE — v. a. ( Je mets, tu mets, il met ; nous mettons, vous mettez, ils mettent. Je mettais. Je mis. Je mettrai. Mets. Que je misse. Mettant. Mis. ) Placer une personne, ou un animal, ou une chose dans un lieu déterminé. Mettre un malade dans une… … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 7eme edition (1835)
METTRE — v. tr. Placer une personne, ou un animal, ou une chose dans un lieu déterminé. Mettre un malade dans une baignoire. Mettre un mort en terre. Mettre un cheval dans l’écurie, à l’écurie; un oiseau dans une cage, en cage. Mettre du foin dans le… … Dictionnaire de l'Academie Francaise, 8eme edition (1935)