-
1 sip
n. teugje--------v. met teugjes drinkensip1[ sip] 〈 zelfstandig naamwoord〉————————sip2〈 sipped〉 -
2 sup
v. nippen, lepelen; het avondmaal gebruiken, 's avonds eten, souperen; met kleine teugjes drinken, slurpensup1————————sup2〈werkwoord; supped〉 〈 voornamelijk Schots-Engels〉1 drinken ⇒ nippen, een teug nemen (van)♦voorbeelden:
Перевод: с английского на нидерландский
с нидерландского на английский- С нидерландского на:
- Английский
- С английского на:
- Нидерландский